maandag 17 juni 2013

Jeugdkamp Klarendal: een update

Woensdag kreeg ik een telefoontje van de manager van Albert Heijn in Klarendal. Of we wat overgebleven spullen die zij niet meer konden verkopen konden ophalen. Om weg te geven aan mensen in de wijk.

Zaterdag stonden we bij de Albert Heijn. Er stonden tien kratten vol met spullen klaar. Frisdrank, repen snoepgoed van het kaliber Mars en Bounty, WC-papier. Dat laadden we over in onze auto.

Van het een komt het ander. Het krantenbericht van zaterdag zorgde ervoor dat we een dooschuifactie konden organiseren. De auto volgeladen met de inhoud van tien kratten werd zondag vroeg voorgereden bij het wijkcentrum en daar uitgeladen. Tegelijkertijd kwamen mensen van het Jeugdkamp Klarendal om de inhoud weer over te laden naar hun auto. Het lekkers, de frisdrank en het noodzakelijke papier om de restanten van het lekkers uiteindelijk mee af te vegen werden overgedragen aan het jeugdkamp.

Waardoor zij weer minder kosten hebben aan inkopen en dat geld kunnen gebruiken voor leuke uitjes en extra's.

Kijk, dat is ook missionair werk. Gewoon meedenken en -werken in de wijk. En doorgeven wat wij ook weer gekregen hebben.

zaterdag 15 juni 2013

Jeugdkamp Klarendal: "Ik moet lullen voor spullen"



Zo af en toe lees ik in De Gelderlander artikelen die mij aanspreken. Zo ook het artikel waar ik bijgevoegde foto van heb gemaakt (klik hierop om het volledig te kunnen lezen). Betrokken Arnhemmers Brigitte en Mario Hogerhorst, ook nog collega's van mij, organiseren als geboren en getogen Klarendallers jaarlijks een kinderkamp. Ze doen het voor de kinderen uit de wijk: "Ze hebben vaak een 'rugzakje', en dan is zo'n week echt een uitlaatklep. Even weg van de zorgen thuis".

Hoe triest is het om te lezen dat een dergelijke activiteit op losse schroeven dreigt te komen door gebrek aan sponsors. Een dagje zwembad voor in totaal 150 euro dreigt dit jaar niet door te gaan.

Dit is nou zo'n activiteit die mij raakt en waar ik voor wil gaan. Jij ook? Laat het me weten.

woensdag 12 juni 2013

Column Friesch Dagblad 58: leren van ontwikkelingswerk voor wijkwerk

Afgelopen weekend was ik bij een weekend van Urban Expression, het netwerk van gemeentestichtende projecten in Nederlandse achterstandswijken, waar ook Villa Klarendal bij is aangesloten. Een geweldige kans om weer eens van elkaar te horen waar iedereen mee bezig is. En zodoende betrokken te blijven bij wat God aan het doen is in het land. Een van die gesprekken had ik met Oeds Blok, landelijk coördinator van  Urban Expression Nederland. Hij vertelde dat hij op uitnodiging van christelijke ontwikkelingshulporganisatie TEAR ruim een week op bezoek gaat in Oeganda. Doel is vooral te leren van hoe lokale christelijke gemeentes omgaan met de armoedeproblematiek. Hij vroeg mij of ik nog wat vragen voor hem had. Die had ik zeker!

Ik zie namelijk een parallel tussen de manier waarop regeringen via ontwikkelingshulp ontwikkelingslanden heeft geholpen en hoe onze regering en gemeentes omgaan met achterstandswijken. Er lijkt een basisdenken te zijn dat geld de oplossing is voor alle ontstane problemen. Geef het land of de wijk maar geld en de problemen lossen zich wel op. Dat gaat over het algemeen gepaard met projectdenken.

Geef het land of de wijk tijdelijk geld om een project op te zetten dat in potentie succesvol kan zijn. Na verloop van tijd heeft het project zijn succes bewezen en trekt men de stekker uit de geldstroom. Met helaas het vervelende gevolg dat het project een zachte dood sterft, omdat de achterblijvers niet de kracht of de middelen hebben om het project structureel voort te zetten.

Door de constante geldstroom waarbij ook steeds weer nieuwe professionals worden ingevlogen, is een afhankelijkheidsrelatie van ontvangers ontstaan naar zowel het projectgeld als de projectmedewerkers. Terwijl je juist zo graag zou willen dat mensen in zowel ontwikkelingslanden als achterstandswijken onafhankelijk van die gelden en werkers zelf hun problemen gaan aanpakken en eigen oplossingen bedenken.

Ik ben benieuwd of christelijke gemeentes in Afrika erin zijn geslaagd om onafhankelijk te worden van de geldstromen die lieve christenen uit het Westen zo graag aan hun zwarte medegelovigen schenken. Hoe is ze dat gelukt en welke principes kunnen we daarvan overnemen in ons werk in de armere gebieden in ons land?

Ik vraag me ook af op welke manier christenen in Afrika zelf leiding zijn gaan geven aan hun mensen. Hoe ze zijn uitgestapt uit de afhankelijkheidsrelatie waarin ze alleen hun hand hoeven op te houden. En op welke manier hebben ze de dure projecten en westerse denkwijze over inrichting van een organisatie omgezet in werkbare structuren, die voor hun mensen zowel cultureel als financieel behapbaar zijn?

Kijk, dat is de omgekeerde ontwikkelingssamenwerking waar ik van houd. Wij gaan naar de landen toe om in de samenwerking vooral van hen te leren. Hen advies vragen over hoe wij door hun geleerde lessen in onze situatie kunnen toepassen.

Niemand is beter, omdat hij meer geld heeft. Niemand is achtergesteld vanwege tekort aan geld. Een gelijkwaardige relatie gebaseerd op wederzijds respect. Zo werk ik in de wijk. Zo hoop ik iets te mogen leren van broeders en zusters in Afrika.

zaterdag 18 mei 2013

De randen van de kerk

Vanmorgen las ik in het Nederlands Dagblad het vervolg op een discussie die al sinds donderdag plaatsvindt over "De randloze kerk". Dit naar aanleiding van een artikel van Harmen van Wijnen in Idea, het blad van de EA.

Veel mensen in de kerk denken namelijk in kaders van binnen of buiten de kerk. En wie daar tussenvalt is de "randkerkelijke", degene die zich bevindt aan de randen van de kerk en veel vaker daar al overheen is gestapt.

Ik vind dit een heel interessante vraag, omdat wij ons met Villa Klarendal aan of over de randen van de kerk begeven in een poging naast mensen te staan die niets meer met de kerk te maken (willen) hebben.

"De randen van de kerk". In de artikelen die ik vandaag las, ging het vooral over de noodzaak van het benoemen en maken van randen van de kerk. Zonder die randen is er geen kerk, las ik. "Een randloze kerk loopt het gevaar om alles kerk te noemen" aldus een van de koppen. Dit raakt allerlei vraagstukken. Wanneer is een kerk een kerk? Hoe staat een kerk in de samenleving? Met welke blik kijken wij naar kerk en samenleving?

Het meest opvallende vind ik, dat de schrijvers kerk definiëren langs organisatorische lijnen. Een keuze voor Jezus is niet vrijblijvend, aldus Peter Kos, voorganger van Bapistengemeente De Rank in Utrecht. Een keuze voor het lichaam van Christus een gelovige neemt vertaalt hij in "het bezoeken van de bijeenkomsten, het lidmaatschap van een huiskring en het vervullen van tenminste één taak".  Een andere geïnterviewde, Hans Maat van het Evangelisch Werkverband, vraagt zich af hoe vloeibaar de geloofsgemeenschap mag zijn. Want de bijbel spreekt over "burgers van het koninkrijk der hemelen, die vreemdelingen en gasten op aarde zijn, die vanuit de duisternis zijn overgegaan in het licht."

Hoe is dat nu als je jezelf als kerkplanter begeeft midden in de wereld? Wij hebben er voor gekozen midden in de wijksamenleving te staan. Wij begeven ons in het wijkcentrum, helpen mee met activiteiten die door anderen worden georganiseerd, denken mee over verbeteringen in de wijk en proberen daar zelf actief in deel te nemen. We komen mensen tegen die geïnteresseerd zijn in het geloof. Met hen trekken wij op een ander niveau op. Met hen gaan we naar een viering. Hebben we regelmatig geloofsgesprekken. En denken na over de plek die het geloof in het leven van mensen, maar ook in de wijk mag innemen.

Wij zijn een tijd bezig geweest met toewerken naar lidmaatschap. Jezelf toewijden aan de Heer en daarmee ook aan het werk van Villa Klarendal. Dat bleek voor iedereen een brug te ver. Wekelijks kwamen mensen naar de viering. Samen spraken ze over het geloof en de uitwerking daarvan in het eigen leven. Samen waren ze bereid zich in te zetten. Maar om nu lid te worden???

Ik vraag me inmiddels af of het nodig is. Hebben we een formeel lidmaatschap nodig om te bereiken wat eigenlijk al was gebeurd? Vanuit de wijksamenleving trekken we op met mensen. Daarin maken we geen onderscheid tussen gelovig, ongelovig, randkerkelijk of andersgelovig. Want voor ons is iedereen even belangrijk. In die contacten zijn een aantal mensen voortgekomen die meer over het geloof wilden weten. En daarmee zijn we nog meer gaan optrekken. Zo is de christelijke wijkgemeenschap Villa Klarendal ontstaan. Een gemengd gezelschap van gelovigen, nog-niet-zo gelovigen en zelfs een aantal ongelovigen die zich aangetrokken voelen tot de combinatie geloof en werken die we hebben uitgeleefd. Daarbinnen functioneert het lichaam van Christus zichtbaar als organisch geheel. Mensen zorgen voor elkaar, helpen elkaar, bidden voor elkaar. En tegelijkertijd is de scheiding tussen gelovige en ongelovige zo klein dat er ook andere, die bijbels gezien niet tot het Lichaam behoort, binnen onze gemeenschap de noodzakelijke hulp en aandacht krijgt.

Da

Column Friesch Dagblad 57: afscheid van Villa Klarendal en ook weer niet

In september 2004 kregen we goedkeuring van het bestuur van Youth for Christ om in Klarendal van start te gaan met een nieuw wijkproject. Met verve gingen we aan de slag. Samen bidden. Met onze dochters een bijbelmeidenclub starten. Het werk stagneerde, omdat we geen gebouw hadden. We deden wel veel, maar we hadden geen plek om vanuit te kunnen werken. En dat vonden we toch wel belangrijk.Groot was dan ook onze vreugde toen we in juni 2005 te horen kregen dat we een gebouw aan de Klarendalseweg konden huren. Nu konden we echt van start gaan. Oktober 2005 was Villa Klarendal een feit. We begonnen met een kleine huiskamer, een kleine bijzaal en een kantoortje.

Daar werden wekelijks onze brunch en viering gehouden. Samen eten aan vier, later vijf, nog later zes tafels. En aan het einde van de maaltijd de tafels aan de kant schuiven en de stoelen in een kring zetten voor de viering. En prachtige plek. Een warm bad om te zijn. Ook voor het team van Youth for Christ dat er vier dagen per week aanwezig was.

Van daaruit werd gevoetbald, werden naschoolse activiteiten gehouden. En binnen werden meidenclubs, een eetclub, koffieochtenden, Bijbelstudies, gebedsavonden en teamavonden gehouden.

Alles ging zo mooi dat we voor onze brunch en viering moesten uitwijken. We konden wat zalen in het wijkcentrum huren. En vrijwel gelijktijdig werd de christelijke wijkgemeenschap met dezelfde naam van de grond getild.

De parttime medewerkers van Youth for Christ maakten plaats voor de vele vrijwilligers van de wijkgemeenschap. Die konden het vele werk van de werkers niet overnemen. Maar de kern van het werk ging wel door. Mensen in de wijk werden geholpen en namen zondags deel aan de maaltijdvieringen.

Het was een moeilijke afweging. Een duur gebouw met die geschiedenis aanhouden voor het gebruik van twee of drie dagdelen? Met veel pijn in het hart werd afgelopen maand afscheid genomen van het pandje van Villa Klarendal, dat precies zeven jaar en zeven maanden had dienstgedaan.

De vraag kwam veel langs. Hebben we wel een gebouw nodig? Standaard is het antwoord bevestigend. Want hoe kun je anders werken en vieren? Terwijl we momenteel gebruik maken van twee gebouwen en een huiskamer, blijft het voor ons een vraag. De kerk, dat zijn de mensen. Waar wij zijn, daar is Villa Klarendal. Waar wij komen, ervaren mensen iets van wie wij zijn en wat we bedoelen.

Dat neemt niet weg dat we uitzien naar een eigen plek waar we weer al onze activiteiten kunnen doen. Waar dat is, weten we op dit moment niet. We voelen ons als Abraham. We zijn uit ons kerkelijk thuisland weggetrokken naar ons Haran aan de Klarendalseweg. Zonder te weten waar we naar toe moeten, laten we dat weer achter, op weg naar het nieuwe gebouw van melk en honing. Onze beloofde villa die wij nu nog niet kennen.

vrijdag 19 april 2013

Column Friesch Dagblad 56: zijn zoals je bent

Je mag zijn zoals je bent. Een van de zinnen die we veel uitspreken in Villa Klarendal. En die we ook proberen uit te leven. Wat dat kan betekenen zag ik de afgelopen periode.

Een van de activiteiten waaraan ik als vrijwilliger deelneem in de wijk is een landenkookgroep. Samen afwassen, samen koken, samen eten. Een van de vrijwilligers is een typische ‘Ernemse’: altijd wat te klagen, nooit is het goed. De borden zijn vies en het eten niet lekker.

In de loop van de jaren heb ik toch een klik gekregen met deze ‘nuiler’ (zeurkous). Elke keer als ik binnenkom, roept ze keihard door de zaal ‘Rick’ en wijst een plek naast haar aan, waar ik vooral moet gaan zitten. ,,Het es wear nèks”, is het eerste wat ze zegt, waarna ze een bord volschept. Met een knipoog zeg ik tegen haar: ,,Het es wear nèks, hè, maar wel lekker...” Waarna ik een stomp krijg en een glimlach.

We sluiten met haar standaard af met een afterparty met koude thee met een schuimkop erop. Laatst moest ik in hetzelfde gebouw iets anders doen. Aan het einde van de activiteit werd ik gebeld. Of ik nog kwam drinken. Want ze wilden toch nog even doorkletsen.

Wij vierden dit jaar voor het eerst Goede Vrijdag. Halverwege werd ik door een man gebeld, die ik ken als afnemer van een voedselpakket. Ik zette mijn telefoon uit, want we waren midden in een viering.

Bijna aan het einde van de viering belde hij aan en kwam binnen. Hij wilde met ons meevieren. En bracht een Arabische versie van de Matthäus Passion als geschenk mee, waarvan we een verzoeknummer draaiden. Zo vierden we samen met hem Goede Vrijdag.

Aan het einde van de viering kwamen we in een dieper gesprek terecht over het lijden en sterven van Jezus. Hij had hier andere gedachten over. Hij sprak over God die moslims Allah noemen.

Een andere vierder sneerde terug: ,,Geloof jij dan dat Allah en de God van de Bijbel dezelfde zijn?” ,,Jij niet dan?”, vroeg de man terug. Waarop de gelovige een hele verhandeling hield waarmee hij bijbels aantoonde dat dit niet zo was. Het gesprek werd ongemakkelijker. De hart-tot-hart relatie met de man werd verstoord door de kille bewijslast van mijn medevierder.

Nog steeds kijk ik met blijdschap naar de relaties die ik met mensen heb. Ik vraag me daarbij af of mijn medegelovigen bereid zijn de ander echt te accepteren zoals hij is, met alle rare gewoontes en gedachten die hij er op na houdt.

woensdag 20 maart 2013

Column Friesch Dagblad 55: Een team in goede tijden en slechte tijden

Wie mijn columns leest kan wel eens het idee krijgen dat ik dit werk helemaal in mijn uppie doe, of samen met mijn vrouw. Ik schrijf deze column natuurlijk vanuit mijn persoonlijke perspectief. En wie iets van de grond aan af opbouwt, geeft aan anderen al snel het gevoel dat hij het helemaal alleen heeft gedaan.

Laat ik u snel uit de droom helpen. Bij Villa Klarendal werken we namelijk vanaf het begin in een team. Toen we begonnen als wijkproject van Youth for Christ, rond september 2004, werd één persoon door Youth for Christ vrijgesteld om het werk van de grond te tillen. Samen bepaalden we de richting die het werk op zou gaan. Het Youth for Christ team werd al snel uitgebreid en in zijn hoogtijdagen werkten er vijf mensen parttime in de wijk.


Bijna drie jaar geleden werd het wijkproject een Christelijke Wijkgemeenschap. Drie echtparen vormden de basis voor het werk, waaruit drie personen werden ingezegend als leidinggevenden van de nieuwgevormde wijkgemeenschap.

Werken in een team betekent dat iedereen meedenkt en dat we gezamenlijk tot besluiten komen. Wij willen consequent een leidinggevend team zijn, waardoor er niet een is die een belangrijker stem heeft dan de ander.

Basis daarvoor is een harmonieuze relatie, waarin ieder elkaar volledig vertrouwt. Nu is geen enkel werk volmaakt, en zeker niet elk persoon (laat staan dat ik dat ben). Door allerlei omstandigheden moesten we daarom onlangs flink met elkaar aan de slag in een teamcoaching om weer eens tot elkaar te komen.

Want werken in een team is niet altijd harmonieus. Als je jaren met elkaar bezig bent, leer je elkaar steeds beter kennen. Wat niet altijd prettig is. Want die ander blijkt niet altijd zo leuk te zijn als hij of zij in het begin leek te zijn. Nee, we maken elkaar goede tijden mee, maar ook in mindere of slechte tijden. En in die laatste tijden heeft niet iedereen de neus in de goede richting staan. En kan er teleurstelling optreden bij de andere teamleden.

Ja, dat is ook onderdeel van het werken in een mooi werk als Villa Klarendal. En dat ligt echt niet alleen aan de anderen. Nee, ikzelf moet soms ook weer eens bij mezelf en bij God te rade gaan of ik het nu allemaal wel zo goed en zo zuiver bedoel. En op die momenten kom ik mezelf weer eens flink tegen.

Pijnlijke momenten, omdat ik met mezelf wordt geconfronteerd. Mooie momenten, omdat het team en het werk er uiteindelijk weer beter van worden. Ik ben dankbaar voor wat wij als team samen, met vallen en opstaan, hebben bereikt in onze wijk.