Posts tonen met het label megakerken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label megakerken. Alle posts tonen

zaterdag 4 december 2010

Reactie op mijn column: Bethelkerk als ‘moloch’ is kritiek die geen hout snijdt

De column die ik dinsdag schreef en publiceerde heeft in het noorden van het land veel vragen en kritiek opgeleverd. Een van die reacties is afgelopen donderdag in het Friesch Dagblad als opniniestuk verschenen. Om de lezer een eerlijk beeld te geven hieronder de tekst van deze reactie.

Columnist Rick Jansen schreef kritisch over mensen die hun plaatselijke gemeente verwisselen voor ,,een grote moloch waarvoor ze een half uur moeten rijden”. Grote woorden, vindt Douwe Hellinga, lid van de Bethel in Drachten. Hij richt zich tot Jansen.

Beste meneer Rick Jansen,

U schrijft in het Friesch Dagblad over de vraag of een stervende kerk vrucht voortbrengt. Feitelijk komt u aan het slot tot de conclusie dat er alleen hoop is voor de kerk als de gelovigen bereid zijn alle uiterlijkheden, wetten, knellende regels of prachtige diensten en grootse samenkomsten af te leggen. Terug naar de kern. Terug naar de opstanding. Een stervende zwaan als synoniem van een stervende kerk is hopeloos verloren.
Mooi gesproken. Maar waarom bekruipt me nu toch dat onaardige gevoel dat u met die stervende zwaan onder meer de megakerk in het noorden des lands bedoelt? Is dat nu mijn altijd (veel te?) kritische geest?
Ja, u hebt gelijk. Ik behoor bij de mensen die afscheid hebben genomen van de plaatselijke protestantse gemeente. En elke zondag rijd ik niet een half uur maar zelfs drie kwartier (enkele reis) naar de grote moloch (!). Weliswaar in een superzuinig en belastingvrij dieseltje, maar inderdaad, ook daaruit komen onwelriekende, milieuvervuilende dampen. En ja, we worden op het parkeerterrein naar de plek gewezen door professionele parkeerwachten. We genieten van mooie diensten en geweldige toespraken. En zeker, we worden opgebouwd.
Ik heb op internet gelezen dat u leiding geeft aan een missionaire wijkgemeenschap in Arnhem.

Fijn, dat u dat doet voor de Heer. Ik heb de Heer daarvoor bedankt.
Maar waarom die kritiek, beste broeder? Kent u de door u beschreven megakerk? Bent u in de diensten geweest? U mag kritiek hebben natuurlijk, maar vindt u het nu echt noodzakelijk deze kerk te vergelijken met een moloch? U moet toch weten wat er in de Bijbel bedoeld wordt met deze afschuwelijke afgod?

U zet vraagtekens bij mij en alle andere mensen die naar deze kerk rijden. Want u schrijft, ik citeer: ‘Maar is het juist daar niet dat het sterven van de kerk zich ten volle openbaart?’ Daaruit moet ik wel opmaken dat u deze kerk ziet als een stervende zwaan waar niets goeds uit kan voorkomen.

Grote woorden. Misschien kunt u zich eens wat beter laten informeren over het reilen en zeilen van deze megakerk. Dan kunt u meteen worden geïnformeerd over de honderden kinderen in de wekelijkse jeugddiensten, over de honderden vrijwilligers, over de ondersteuningscursussen. En - niet vergeten - de aanpak van de armoedebestrijding. Of horen hoeveel mensen tot levend geloof komen en zich laten dopen. Dat is werkelijke groei!

i Douwe Hellinga is (onbezoldigd) lid van de Vrije Baptistengemeente Bethel in Drachten en woont in St. Annaparochie. Reageren: douwe1@telfort.nl.

vrijdag 21 augustus 2009

Grote kerken - grote leiders - grote val 3

Hoe kunnen we nu voorkomen dat leiders van christelijke kerken vallen?

Ten eerste zal er een gezonde basis moeten worden gelegd voor een visie op de kerk. Als de kerk wordt gezien als een business die wordt geleid als een bedrijf, kan dat op problemen stuiten. Volgens mij wil God dat wij gemeenschappen stichten waarin mensen sterk op elkaar betrokken zijn. In die gemeenschap is iedereen betrokkenheid op elkaar. Binnen die gemeenschap is de een niet hoger dan de ander, maar zal vanaf het begin moeten worden geleerd dat iedereen een eigen plaats heeft. De voorganger heeft daarin een eigen plaats, maar die is niet hoger of beter dan een andere. Hierin is het belang van dienstbaar leiderschap zichtbaar. De gemeente ziet niet op tegen de dienstknecht, maar beseft dat hij er is om hen te dienen.

Ten tweede moet binnen die gemeenschap ruimte worden gecreëerd voor goed pastoraat. Dat betekent dat iedereen met zijn problemen bij een ander terecht moet kunnen, zonder dat geschokt gereageerd wordt op een bepaald probleem dat zich voordoet. Dat pastoraat moet worden opgezet voor iedereen, inclusief het leiderschap. Daarbij moet worden uitgegaan van de gedachte dat niemand volmaakt is, iedereen problemen heeft waarmee hij of zij kampt en dat dit bij iedereen op elk niveau kan gebeuren.
Door een dergelijke pastorale ruimte komt ook oplossing voor het probleem waar Haggard mee werd geconfronteerd. Na zijn val werd hij overal uitgestoten en werd hij door de Amerikaanse kerk als uitschot beschouwd. Hij was niet meer welkom in welke kerk dan ook.

Een pastorale ruimte moet zijn gebaseerd op daadwerkelijke genade. De diepe liefde die God had voor zijn schepselen dat hij Jezus liet sterven aan het kruis voor ons. Aan dat kruis zijn onze zonden genageld. Ook van die van voorgangers. Ik pleit er niet voor dat voorgangers zo maar mogen zondigen. Maar wel dat zij als gewone mensen worden beschouwd. Dat als preventie niet heeft gewerkt, er ruimte moet zijn om tot genezing te komen, zonder dat er nog een extra straf op volgt van volledige verbanning uit het kerkelijke leven.

Grote kerken - grote leiders - grote val 2

Wat kunnen we van het leven van Ted Haggard leren?

Ten eerste vraag ik mij af of het zoeken naar grote kerken met mega getallen aan leden wel zo belangrijk is. Is dit een bijbelse opdracht, of een menselijke, cultureel bepaalde, gedachte? Is the American dream, waarbij mensen met een kleine afkomst opstijgen tot zeer grote hoogte, ingeslopen in het kerkelijk leven? Ook de gemeentegroeibeweging is sterk beïnvloed door de gedachte dat als een kerk groot wordt, het gezegend is door God. Daarbij denk ik aan de aandacht die is gegeven aan de kerkgroei van Paul Yongghi Cho in Zuid-Korea, het gedachtengoed van de doelgerichte gemeente van Rick Warren of de seeker-friendly services van Bill Hybels' Willow Creek. Allemaal prachtige voorbeelden van hoe God werkt in de wereld, maar waarin die manier van werken op dat kleine stukje van de aarde als norm werd gehanteerd voor de groei van andere gemeenten in andere delen van de aarde. Wil God op die manier werken in deze wereld? Of wil hij dat we hoe dan ook het evangelie verkondigen, ongeacht de resultaten?

Ten tweede zie ik het gevaar van mensen op een voetstuk zetten ten opzichte van "gewone" gemeenteleden. De dominee, voorganger, predikant wordt grote gaven toegedicht die hem maken zoals hij nu is. Een groot deel daarvan is echter beeldvorming. Want de vraag is of die persoon ook in zijn persoonlijk leven daadwerkelijk zo groot is als hij wordt afgeschilderd.
Onbewust wordt een predikant in een dergelijk keurslijf gedrukt waar hij uiteindelijk niet meer uit zal kunnen. Dan krijg je wat ook artiesten langzamerhand gaan ervaren. Ze worden in een keurslijf van het door hen verzonnen personage gedrongen en daar moeten ze naar leven, of ze dat nu willen of niet. Dan krijgen die mensen te maken met twee personages in hun leven. Het personage van het openbare leven en het personage van het persoonlijk leven. Het personage van het openbare leven slokt het personage van het persoonlijk leven op, waardoor de persoon zelf niet meer weet wie hij is. In het geval van Haggard was het zelfs zo erg dat het personage van het persoonlijk leven zelfs niet door zijn vrouw werd gekend. Hij had zijn problemen zo ver weg gestopt, dat zijn vrouw niet wist waar hij mee streed.

Ten derde vraag ik mij af wat een gemeenschap betekent voor een voorganger. Als een voorganger niet in staat is zijn problemen voor te leggen aan de gemeenschap waar hij deel van uit maakt, vraag ik mij af of hij werkelijk deel van die gemeenschap uit maakt. Veel voorgangers vertellen dan ook dat zij hun problemen niet durven te delen binnen hun gemeenschap. Daarmee bouwen ze onbewust een muur rondom zich heen waardoor anderen denken dat ze een groot geestelijk leider zijn. De vraag is of er ruimte binnen de christelijke gemeenschap kan worden geschapen om pastoraat aan voorgangers te geven.

Grote kerken - grote leiders - grote val 1

Deze week zag in een Netwerkuitzending over Ted Haggard. Deze man was tot 2005 een van de grootste Amerikaanse predikanten. Wat getallen uit die uitzending: hij was predikant van een kerk van 14.000 leden. Hij was tv-predikant met een bereik van 35 miljoen kijkers. Hij stond in direct contact met de toenmalige president van de Verenigde Staten, George W. Bush.

Bij dat soort getallen en gegevens zou menig predikant in Nederland stik jaloers worden. We verlangen naar gemeentegroei en denken aan grote getallen en een groot bereik. Als je de cijfers van het bereik van Haggard las, zou je al snel denken dat hij een succesvol prediker was.

Aan de buitenkant was hij dat ook. Hij had een groot bereik, grote invloed, veel mensen die luisterden als hij wat zei. Met dat succes kwam echter ook het gevaar om de hoek kijken. In hoeverre kon en mocht hij nog zichzelf zijn? Met zoveel mensen om hem heen werd hij op een voetstuk gezet. Hij was immers zo'n geweldige spreker, zo'n goede leider, een man met zoveel invloed, een man met zoveel boeken op zijn naam.

Toen kwamen in zijn leven problemen. Waar kon hij ze kwijt? Hij vertelt in het interview dat hij daar zelf mee probeerde te strijden. Hij bracht ze niet in de openbaarheid. Had niemand om dit te delen. Dus bleven zijn problemen geheim. De reden waarom hij die problemen niet aan de buitenwereld openbaarde: hij was toch een man die zoveel mensen moest leiden en iemand die zo'n grote invloed had. Dan kon je toch niet als een zwak man erkennen dat ook jij met problemen kampte?

De uitbraak van het probleem lag op de loer. Niemand die ervan wist. De grote prediker moest de grote prediker blijven. De strijd werd heviger. Enerzijds moest hij de strijd staken en werd hij erdoor overwonnen. Anderzijds moest hij zijn grote werk blijven voortzetten.

Totdat zijn problemen wel aan het licht kwamen. Met een grote knal werd in de media bericht dat de grote prediker dingen deed waar hij zelf tegen preekte. De val was groot. Alles werd hem afgenomen. Hij werd verbannen van werk, kerk en niemand die hem meer aan keek.

woensdag 26 september 2007

Groot, groter, grootst


Je verwacht het niet, maar ook op de satirische site Goedgelovig.nl vindt op dit moment een discussie plaats over het nut en de zegen van Megakerken. Onder de titel Groot, groter, grootst werd gewag gemaakt van de wens van de oudstenraad van de kerk van dominee Orlando Bottenbley (door een van de bezoekers plagend Bot en Blij genoemd) om een kerk voor 5000 mensen te bouwen. Daarna barstte de discussie los over dit fenomeen.

woensdag 12 september 2007

Missionaire megakerk discussie

Inmiddels is mijn artikel over de mogelijkheid voor megakerken om missionair te zijn overgenomen op de weblog van Matthijs Vlaardingerbroek.

Daar wordt nu een beginnend bloggesprek over het onderwerp gevoerd. Lees het artikel en de reacties door op de bovenstaande link te klikken.

maandag 10 september 2007

Kan een megakerk missionair zijn?

Leuke vraag boven een artikel dat ik laatst las in Outreach & Evangelism. De vraag geldt met name voor Amerika, maar kan ook voor ons land van toepassing zijn. In Amerika zijn namelijk nogal wat megakerken, die ettelijke duizenden leden hebben die ook zondags met elkaar naar de kerk gaan. In Nederland zijn de Bethelkerk in Drachten (voorganger Orlando Bottenbley) en De Meerkerk in Hoofddorp (voorganger Wigle Tamboer) exponenten van dit soort kerken. Maar ook grote christelijke manifestaties als EO Jongerendag, EO Gezinsdag, Soul Survival of XNoizz Flevo zijn volgens mij hiervan voorbeelden in Nederland, omdat ze op een zelfde manier zijn opgezet en hetzelfde nastreven. Ze zijn groots opgezet, hebben een geweldige organisatie, zijn zeer professioneel in hun entourage, kortom voor het oog zeer gelikte kerken. En ze trekken daardoor veel, heel veel mensen.

In kringen waarin ik de laatste paar jaar verkeer worden dit soort kerken en manifestaties als exponent gezien van de tanende kerk. De laatste restjes van het Christendom, waarin alles draaide om macht, eer, positie en grootsheid. Ze zijn niet gericht om te zijn zoals Jezus dat was, die bereid was om alles af te leggen, zodat hij naast ons en onder ons kon zijn (incarnationeel, in het Engels "incarnational"), maar ze zijn attractief ("attractional"). Ze zeggen niet: "ga uit en verkondig", maar "kom en zie".

De schrijver van het artikel was van meet af aan cynisch over de komst van dergelijke megakerken. Mensen zouden uiteindelijk zoeken naar echte gemeenschap, zich afkeren van het consumentengedrag waar deze kerken zich op richtten. Tot zijn verbazing bestaan deze kerken nog steeds. Vanuit missionair oogpunt vreemd, maar toch ook niet. De schrijver, zelf missioloog, zag twee realiteiten in de megakerk:
1. Een groot deel van het succes van deze kerken ligt in haar bekwaamheid om binnen onze cultuur te contextualizeren, een basisprincipe van de missiologie.
2. Megakerken zijn groot, wat in onze cultuur gelijk staat aan succes—en mensen reageren daarop.

Een ander aspect hiervan noemt de schrijver de "celebrity-factor" (in Nederland zouden we dat de "BN'er factor" kunnen noemen). Elke Amerikaanse megakerk is locaal, regionaal en nationaal bekend vanwege haar charismatische leiderschap, geweldige communicatie en vrijwel altijd haar zeer goed bekende leider. Dit begint in Nederland dezelfde vormen aan te nemen, kijk vooral naar de manier waarop Orlando Bottenbley wordt behandeld. De meeste leiders van megakerken, aldus de schrijver, hebben de bekwaamheid mensen om hen heen te inspireren om grote dingen na t streven en hebben een dusdanig spreektalent dat ze door kunnen dringen in de levens van mensen. Als die kerken groeien en de status van megakerk krijgen, worden deze leiders "celebrities" wat hen een ingang geeft om nog meer mensen te bereiken met het evangelie.

Interessant is dat de schrijver hierna tot de conclusie komt, dat al deze kerken "attractional" zijn: zij gaan uit van het principe "Kom en zie", ze nodigen mensen uit om bij hen te komen. Dit staat in contrast met de visie van huisgemeenten en "emerging churches" die van mening zijn dat Jezus ons opdraagt om "uit te gaan en te verkondigen". De schrijver waarschuwt ons echter om hiermee het kind van "Kom en Zie" met het badwater weg te gooien. Want Jezus was meer dan een Galilees timmermannetje, dat in zijn samenleving alleen maar een boodschap had tegen die tegen de eigen cultuur inging. Hij is ook de verheerlijkte Koning die het waard is om alle lofprijs te ontvangen, zelfs de lofprijs van duizenden. En is het niet zo dat ook de evangeliën erover spreken dat de menigten (duizenden) hem volgden?

Volgens de schrijver liggen "Ga en verkondig" en "Kom en zie" in elkaars verlengde. Als we mensen stimuleren om naar hun vrienden, kennissen, buren te gaan, stellen we hen vaak voor om hen uit te nodigen voor een samenkomst in de kerk. Zelfs emerging churches of huiskerken hebben daarmee toch iets van "Kom en zie": we houden toch bijeenkomsten, ook al beginnen die anders dan een reguliere kerkdienst, bijvoorbeeld met een maaltijd. Een leuke vondst vond ik de opmerking van de schrijver: "I believe that attractional can be missional if the result is incarnational and not extractional" (ik geloof dat attractief missionair kan zijn als het resultaat incarnationeel en niet extractioneel is). Met andere woorden: mensen door attractie naar de kerk lokken kan een cultureel geschikte strategie zijn als ongeschikte motieven niet worden aangesproken. Mensen die tot geloof komen moeten gestimuleerd worden weer hun cultuur in te trekken (door een incarnatie en ambassadeur van Christus in de samenleving te worden) en niet uit hun eigen cultuur worden getrokken om terecht te komen in een christelijke subcultuur (hen trekken uit -extracting- de wereld rondom hen om ze te brengen in "McMega kerkwereld"). Dat moet zichtbaar worden doordat de voorganger zelf het voorbeeld geeft van een leven dat incarnationeel is (door bijvoorbeeld in de preek erop te wijzen dat hijzelf regelmatig met ongelovige vrienden contact heeft).

Laten we wel wezen, onze samenleving is consumentgericht. Dat was niet anders in de tijd van Jezus. Soms gaat Jezus in op de behoeften van zijn toehoorders. Hij laat ze niet zitten met een lege maag, maar vult ze, alle vijfduizend. Hij wist dat veel van hen Hem alleen zochten om wat Hij deed. Tegelijkertijd gebruikte hij die gebeurtenissen als een uitdaging om hen aan te spreken op hun diepere verlangen naar meer en hen de juiste kant op te wijzen. De vraag is niet "bestaat consumentengedrag?" of "hoe moeten kerken consumenten aanspreken", maar moet veeleer zijn: "Wat moeten kerken doen met consumenten (buitenkerkelijken) als de bijbel ons oproept tot een leven van opoffering en dienst?" En hier raken we een punt, waar elk christelijk werk uiteindelijk op komt. Hoe zorgen we er voor dat de mensen die we bereiken niet klein blijven, volgzaam blijven, alleen maar blijven eten van wat ze lekker vinden. Hoe helpen we mensen van consumenten daadwerkelijke discipelen te worden.

Leuke vraag, die megakerken. Ikzelf voel me er absoluut niet in thuis. Maar toch heeft dit artikel me aan het nadenken gezet. Er is een bepaald slag mensen die er wel door geraakt wordt. In Nederland zijn het toch vooral de randkerkelijke mensen die hierdoor getrokken worden. Dat is natuurlijk net zo goed een missionaire groep. Als we kijken naar de landelijke EO-dagen, zien we hoe dagbladen en andere media (als ze er al aandacht aan besteden) zich verbazen over de aantrekkingskracht van dit soort dagen. Ook in Nederland is bij dergelijke manifestaties de grote vraag wat de bezoekers ermee doen. Ik zie veel jongeren naar voren gaan. Maar in hoeverre hebben dergelijke bijeenkomsten een dusdanige impact op de bezoekers dat ze bereid zijn hun eigen omgeving in te gaan om daar echt christen te zijn. Kijkend naar de impact die christenen hebben op hun samenleving trek ik het belang van die bijeenkomsten in twijfel. Jongeren en ouderen kicken op die samenkomsten. Het is zo heerlijk om met zoveel christenen samen te komen. "Ik ging helemaal uit mijn dak" is een veel gehoord statement. Maar het dak ging er daarna weer snel op, vrees ik, want we klommen met zijn allen weer snel in onze auto's terug naar onze christelijke buitenwijken waar we samen feestvieren in onze christelijke pinkster- gereformeerde- of evangelische subculturen.

Leer mensen om incarnationeel te leven, en er is niets mis met grote samenkomsten. Maar als ze er alleen maar zijn als een subculturele vervanging voor Lowlands of Pinkpop (Xnoizz Flevo) of grote popconcerten (EO Jongerendag), die alleen maar uit zijn op "er jezelf lekker bij voelen", schaf ze dan maar snel af.

Leuke vragen. Ben benieuwd wat jij ervan vindt.