Een aankondiging van een lokale kerk deze week: "We gaan deze week naar buiten". Na de dienst werd het geloofsgevoel voortgezet, met zang en muziek naar buiten gebracht op de trappen van onze plaatselijke muziektempel. Mooi, de kerk gaat naar buiten. Er wordt iets gedaan met het verlangen om het geloof uit te dragen. Wat dat betreft: chapeau voor de pogingen nieuwe dingen te doen uit liefde voor onze Heer.
Toch bekruipt mij bij dergelijke activiteiten een gevoel van onbehagen. Die heeft vooral te maken met de termen 'binnen' en 'buiten'. Binnen is dan de plek waar je samenkomt. Waar je samen het geloof deelt en opgebouwd wordt. Buiten is iedereen die niet het geloof aanhangt en daarom niet behoort bij binnen. Door dat zo te benadrukken is er weinig echte interactie met buiten. Wellicht wil men dat ook niet, want "wij moeten ons niet mengen met de wereld". Langzamerhand is onbewust en onbedoeld een subcultuur ontstaan, die door buitenstaanders niet meer begrepen wordt. Om binnen weer in contact te brengen met buiten, en vooral omgekeerd, worden specifieke, eenmalige, acties georgeniseerd. In de hoop dat we enkelingen van buiten naar binnen brengen.
Kan het anders? Kan de kerk binnenstebuiten gekeerd worden? Jazeker. In een bespreking over een conferentie over "missionaire spiritualiteit" citeerde blogger Henk Medema een spreker die 'binnen' en 'buiten' vergeleek met het Zuid-Afrikaanse openbaar vervoer: "je kunt je laten vervoeren door middel van [minibus]‘taxi’s’, voertuigen die gebouwd zijn voor bijvoorbeeld 12 personen, maar waar soms wel 20 mensen in worden gepropt. Als je zo’n taxi neemt, kom je letterlijk met de mensen in aanraking, met zweet- en knoflooklucht en al, maar ook met hun eigen verhalen, moeite en verdriet. Wil je dat, of hou je je daar liever buiten? - in dat laatste geval moet je maar liever een veel duurdere deur-tot-deur taxi laten komen."
Het is als het verschil tussen de toerist die kiest voor een georganiseerde reis of de backpacker. De backpacker maakt gebruik van reismiddelen en hotels die de gewone man in het land ook gebruikt. Daardoor ontmoet hij mensen van hart tot hart en ontstaan er relaties. De georganiseerde reiziger bekijkt het land vanuit een veilige bus met airconditioning. Bij pleisterplaatsen stapt hij uit om in contact te komen met de gewone man, om daarna weer snel de bus in te stappen op weg naar het veilige hotel.
Is de Nederlandse kerk een georganiseerde busreis die veilig sightseeënd door de wereld reist op weg naar het beloofde land of een groep backpackers die nauwer in relatie staat tot de inwoner van het land en zo al zoekend en tastend dezelfde richting op gaat?
Blog van Rick Jansen over leven en werken als kerkelijk pionier in een achterstandswijk
Posts tonen met het label evangelisatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label evangelisatie. Alle posts tonen
woensdag 15 april 2015
zondag 4 december 2011
Boekbespreking: nooit meer evangeliseren - Mark de Boer
Ik las de titel een paar weken geleden in de christelijke pers. Een titel die me aansprak, omdat het dichtbij mijn eigen ervaringen komt. Maar ook, omdat het weer lekker aanzet tot gesprek. De titel alleen al.
Dus toen ik het boek kreeg, ben ik er direct in gaan lezen. Om het in een weekend uit te lezen. Dat zegt voor mij heel veel. Als ik iets mooi en aangrijpend vind, kan ik er niet meer mee stoppen.
Schrijver Mark de Boer, directeur van de evangelisatiebeweging Agapè, geeft in het boek een uitgebreide preek in drie delen: verval, ontdekking en herstel.
In Verval schetst hij de omstandigheden die geleid hebben tot het verval van de kerk zoals we het ooit hebben gekend. Hij eindigt met de conclusie dat in het oog van de wervelwind van de 21e eeuw de autonome, zelfstandige mens staat "die zich niets laat gezeggen, in niets meer gelooft en wiens wereldbeeld op vrijwel alle fronten lijkt te botsen met dat van een ouderwetse christen".
In Ontdekking gaat Mark langs bekende aspecten van evangelieverkondiging om tot nieuwe conclusies te komen. In Goed nieuws komt hij tot de conclusie dat het evangelie anders is dan hij ervan had begrepen. Niet de versmalde versie die ons jarenlang in evangelisatiebrochures is voorgehouden en als een zip-bestand kon worden uitgepakt. Maar dat het evangelie "art, not science is; kunst - levenskunst, geen wetenschap". Evangelisatie betekent dat het koninkrijk wordt gedemonstreerd in woord en daad, in het dagelijks leven. En daarmee is the medium the message: "ik hoef mensen niet te overtuigen van de waarheid van allerlei leerstellingen, maar kan wijzen naar Jezus".
In Herstel gaat de schrijver op zoek naar nieuwe wegen om het goede nieuws in deze tijd door te geven. In verbondenheid met mensen om ons heen, die op zoek zijn naar community. Met een evangelie van daden èn woorden. Om tot de conclusie te komen "nooit meer evangeliseren" zoals hij aan het begin beschrijft op Hoog Catharijne: Een zanger met gitaar, een oudere broeder in de rol van straatprediker en een stuk of tien amateurs zoals ik, die samen een koortje vormen. We zingen liederen uit het genre 'Welk een vriend is onze Jezus' en de prediker roept de voorbijgangers op luide toon op om zich te bekeren en Jezus aan te nemen voor het te laat is.. Niet meer zó evangeliseren, maar een getuige zijn, terwijl de Heilige Geest optreedt als advocaat.
Ook na het lezen van het boek, bleef het een boek naar mijn hart. Geen onmogelijke opgave voor gewone christenen. Maar een relaxte manier van leven, waardoor anderen in een echte relatie met ons, maar ook met God komen. Lezen dus, dat boek!
Titel: Nooit meer evangeliseren
Schrijver: Mark de Boer
Uitgever: Ark Media
Dus toen ik het boek kreeg, ben ik er direct in gaan lezen. Om het in een weekend uit te lezen. Dat zegt voor mij heel veel. Als ik iets mooi en aangrijpend vind, kan ik er niet meer mee stoppen.
Schrijver Mark de Boer, directeur van de evangelisatiebeweging Agapè, geeft in het boek een uitgebreide preek in drie delen: verval, ontdekking en herstel.
In Verval schetst hij de omstandigheden die geleid hebben tot het verval van de kerk zoals we het ooit hebben gekend. Hij eindigt met de conclusie dat in het oog van de wervelwind van de 21e eeuw de autonome, zelfstandige mens staat "die zich niets laat gezeggen, in niets meer gelooft en wiens wereldbeeld op vrijwel alle fronten lijkt te botsen met dat van een ouderwetse christen".
In Ontdekking gaat Mark langs bekende aspecten van evangelieverkondiging om tot nieuwe conclusies te komen. In Goed nieuws komt hij tot de conclusie dat het evangelie anders is dan hij ervan had begrepen. Niet de versmalde versie die ons jarenlang in evangelisatiebrochures is voorgehouden en als een zip-bestand kon worden uitgepakt. Maar dat het evangelie "art, not science is; kunst - levenskunst, geen wetenschap". Evangelisatie betekent dat het koninkrijk wordt gedemonstreerd in woord en daad, in het dagelijks leven. En daarmee is the medium the message: "ik hoef mensen niet te overtuigen van de waarheid van allerlei leerstellingen, maar kan wijzen naar Jezus".
In Herstel gaat de schrijver op zoek naar nieuwe wegen om het goede nieuws in deze tijd door te geven. In verbondenheid met mensen om ons heen, die op zoek zijn naar community. Met een evangelie van daden èn woorden. Om tot de conclusie te komen "nooit meer evangeliseren" zoals hij aan het begin beschrijft op Hoog Catharijne: Een zanger met gitaar, een oudere broeder in de rol van straatprediker en een stuk of tien amateurs zoals ik, die samen een koortje vormen. We zingen liederen uit het genre 'Welk een vriend is onze Jezus' en de prediker roept de voorbijgangers op luide toon op om zich te bekeren en Jezus aan te nemen voor het te laat is.. Niet meer zó evangeliseren, maar een getuige zijn, terwijl de Heilige Geest optreedt als advocaat.
Ook na het lezen van het boek, bleef het een boek naar mijn hart. Geen onmogelijke opgave voor gewone christenen. Maar een relaxte manier van leven, waardoor anderen in een echte relatie met ons, maar ook met God komen. Lezen dus, dat boek!
Titel: Nooit meer evangeliseren
Schrijver: Mark de Boer
Uitgever: Ark Media
woensdag 2 november 2011
Column Friesch Dagblad 38: kerkplanting is geen fabriek
Vorige week dinsdag, woensdag en donderdag was in Berlijn het eerst grote City to City congres over gemeentestichting in Europa. Honderden Europese geïnteresseerden in gemeentestichting, waaronder honderd Nederlanders, kwamen naar de Duitse hoofdstad om zich te laten enthousiasmeren over het stichten van nieuwe kerken.
Wie kwam om een blauwdruk te ontvangen voor het stichten van een gemeente kwam van een koude kermis thuis. Hoofdspreker Tim Keller vertelde dat de methode voor gemeentestichting niet bestaat. Een zin naar mijn hart.
Mensen horen van een succesverhaal. Ze willen er meer van horen en zien. En gaan naar het succesverhaal om te zien wat daar gebeurt. Maar vooral ook om te horen hoe dat verhaal tot stand is gekomen. Ergens in de hoofden van die christenen is de gedachte postgevat dat gemeentestichting een soort fabriek is. Je gaat naar die succesvolle fabriek toe. Je kijkt naar het fabrieksproces. Je onderzoekt waardoor het proces zo succesvol is. En je kopieert het proces in je eigen omgeving. Waardoor jouw fabriek ook succesvol wordt.
Zo komen groepen christenen ook bij ons. "Wat kunnen we van jullie leren?" is hun eerste vraag. "In ieder geval geen succesmethode" is steeds mijn antwoord geweest. Want die is er dus niet in gemeentestichting. Je bent op zoek naar Gods weg, in deze tijd, op deze plaats, met de mensen en middelen die jou zijn gegeven. Elke plaats is anders, de mensen die het doen zijn anders en de middelen zijn verschillend. God is de enige constante factor in dit alles.
Daar begint gemeentestichting mee. Wat wil God in deze tijd, op deze plek met deze mensen die deze middelen voorhanden hebben? Daar ga je naar op zoek. Biddend met je mensen door, over en voor de wijk. Ploeterend zoeken hoe God in deze wijk wil werken. Dat is niet een instant-methode. Dat vergt tijd, veel tijd. Met veel vallen en weer opstaan. De wijk leren kennen, mensen leren kennen, gesprekken aangaan, weten wie wie is in de buurt. Kennen, maar ook gekend worden. Dat wij mensen leren kennen, maar dat mensen ook ons leren kennen.
Zo zijn bezoekers weer weggestuurd. Bij mij en ook in Berlijn. Leer van wat wij hebben gedaan, maar ga vooral zelf aan de slag in je eigen buurt. Als een nieuwe tijd waarin Jezus opnieuw zijn discipelen wegzendt met een "Gaat dan henen...".
Hebben wij niets overgenomen van "succesformules"? O, zeker. Onze viering is een "seeker-service" a la Willow Creek. De combinatie brunch en viering is overgenomen van In de Praktijk in Den Haag. Maar de invulling ervan is afgestemd op de wijk Klarendal in Arnhem.
Wie kwam om een blauwdruk te ontvangen voor het stichten van een gemeente kwam van een koude kermis thuis. Hoofdspreker Tim Keller vertelde dat de methode voor gemeentestichting niet bestaat. Een zin naar mijn hart.
Mensen horen van een succesverhaal. Ze willen er meer van horen en zien. En gaan naar het succesverhaal om te zien wat daar gebeurt. Maar vooral ook om te horen hoe dat verhaal tot stand is gekomen. Ergens in de hoofden van die christenen is de gedachte postgevat dat gemeentestichting een soort fabriek is. Je gaat naar die succesvolle fabriek toe. Je kijkt naar het fabrieksproces. Je onderzoekt waardoor het proces zo succesvol is. En je kopieert het proces in je eigen omgeving. Waardoor jouw fabriek ook succesvol wordt.
Zo komen groepen christenen ook bij ons. "Wat kunnen we van jullie leren?" is hun eerste vraag. "In ieder geval geen succesmethode" is steeds mijn antwoord geweest. Want die is er dus niet in gemeentestichting. Je bent op zoek naar Gods weg, in deze tijd, op deze plaats, met de mensen en middelen die jou zijn gegeven. Elke plaats is anders, de mensen die het doen zijn anders en de middelen zijn verschillend. God is de enige constante factor in dit alles.
Daar begint gemeentestichting mee. Wat wil God in deze tijd, op deze plek met deze mensen die deze middelen voorhanden hebben? Daar ga je naar op zoek. Biddend met je mensen door, over en voor de wijk. Ploeterend zoeken hoe God in deze wijk wil werken. Dat is niet een instant-methode. Dat vergt tijd, veel tijd. Met veel vallen en weer opstaan. De wijk leren kennen, mensen leren kennen, gesprekken aangaan, weten wie wie is in de buurt. Kennen, maar ook gekend worden. Dat wij mensen leren kennen, maar dat mensen ook ons leren kennen.
Zo zijn bezoekers weer weggestuurd. Bij mij en ook in Berlijn. Leer van wat wij hebben gedaan, maar ga vooral zelf aan de slag in je eigen buurt. Als een nieuwe tijd waarin Jezus opnieuw zijn discipelen wegzendt met een "Gaat dan henen...".
Hebben wij niets overgenomen van "succesformules"? O, zeker. Onze viering is een "seeker-service" a la Willow Creek. De combinatie brunch en viering is overgenomen van In de Praktijk in Den Haag. Maar de invulling ervan is afgestemd op de wijk Klarendal in Arnhem.
zondag 16 oktober 2011
MEER van hetzelfde
Een paar maanden geleden werd ik er al mee geconfronteerd. Ds. Hans Eschbach, voorheen voorzitter van het Evangelisch Werkverband binnen de PKN, ging zich bezighouden met een groots evangelisatieproject. De verwezenlijking van een droom van Peter Vlug sr., las ik onlangs. Een glossy samenstellen onder de titel 'Meer' dat wordt verspreid in alle huizen in Nederland. Hoera, nu wordt het evangelie verkondigd op een moderne, aansprekelijke manier. Nu zullen alle gezinnen het evangelie lezen. Dat was de teneur van de reacties op dit initiatief.
Prachtig, niets mis mee, laten ze het vooral doen. Dat denk ik dan zelf. Maar toch heb ik wat bedenkingen bij een dergelijk groots opgezet project. Het gaat namelijk uit van bepaalde vooronderstellingen waarvan. Ik me afvraag of ze juist zijn. De eerste is, dat als je maar een mooie glossy maakt geheel in de stijl van wat mensen tegenwoordig aanspreekt, mensen dat blad wel zullen lezen. Zo'n glossy wordt dan op de markt gezet van al die andere mooie bladen die mensen regelmatig in hun bus ontvangen. Maak iets aantrekkelijks en mensen zullen het vanzelf gaan lezen. Volgens mij is de concurrentie zo groot dat mensen, als ze het blad al in hun bus ontvangen (want is er rekening gehouden met adressen met NEE-NEE of NEE-JA stickers?), het al snel met de grote hoop direct in de vuilnisbak of nog beter in de papierbak gooien.
Een dergelijke glossy gaat ook nog uit van een zekere leescultuur. In wijken als Klarendal is die leescultuur er niet of nauwelijks. Ze kunnen niet lezen (want analfabeet of niet-Nederlandstalig), of ze zijn veel meer beeldgericht en kijken liever RTL Boulevard of GTST dan zich te gooien op dat mooie blad met die vele teksten.
MEER van hetzelfde heb ik bewust boven deze blog geschreven, omdat het lijkt alsof het een uniek project is, terwijl er in alle decennia tot nu toe dergelijke projecten zijn geweest. Er is Hoop in de jaren zeventig zou het helemaal gaan doen. En de afgelopen jaren zijn met kerst en pasen materiaal uitgekomen dat mensen vast zou aanspreken. Dat deed het voor een kleine groep, maar de vraag is of dergelijke groots opgezette acties ook het doel halen dat ze lijken te willen verwezenlijken. In dit geval is het een eenmalige activiteit die een groter gevolg moet gaan geven. Groots, meeslepend, mooi, aansprekend. Maar raakt dat het hart van de persoon die het in zijn bus krijgt? Laat het blad straks de levensstijl van een gelovige zien? Met alle vallen en opstaan van dien? Of wordt het een zoveelste blad met successtories waardoor je wel moet worden aangemoedigd gelovig te worden. Maar of dat een goede voorstelling van zaken is?
Tenslotte vrees ik dat de totstandkoming van dit glossy heel veel geld zal vragen van christenen en hun kerkelijke gemeenschappen. Geld dat zoveel andere projecten en activiteiten ontberen. Christen zijn op basis van levensstijl. Dat is een veel lastiger item. Daar kun je geen glossy over schrijven. Dat is misschien maar een vodje in de ogen van glossysamenstellers. Schijnbaar minder succesvol, want er gaat een langere tijd overheen. Veel minder leuk om te ondersteunen, wat het is niet altijd succes dat achter de horizon verschijnt. Niet meer van hetzelfde, maar anders dan anders. Waardoor mensen wel worden aagesproken.
Laat de glossy er maar komen. Maar mijn kanttekeningen zijn en blijven er.
Prachtig, niets mis mee, laten ze het vooral doen. Dat denk ik dan zelf. Maar toch heb ik wat bedenkingen bij een dergelijk groots opgezet project. Het gaat namelijk uit van bepaalde vooronderstellingen waarvan. Ik me afvraag of ze juist zijn. De eerste is, dat als je maar een mooie glossy maakt geheel in de stijl van wat mensen tegenwoordig aanspreekt, mensen dat blad wel zullen lezen. Zo'n glossy wordt dan op de markt gezet van al die andere mooie bladen die mensen regelmatig in hun bus ontvangen. Maak iets aantrekkelijks en mensen zullen het vanzelf gaan lezen. Volgens mij is de concurrentie zo groot dat mensen, als ze het blad al in hun bus ontvangen (want is er rekening gehouden met adressen met NEE-NEE of NEE-JA stickers?), het al snel met de grote hoop direct in de vuilnisbak of nog beter in de papierbak gooien.
Een dergelijke glossy gaat ook nog uit van een zekere leescultuur. In wijken als Klarendal is die leescultuur er niet of nauwelijks. Ze kunnen niet lezen (want analfabeet of niet-Nederlandstalig), of ze zijn veel meer beeldgericht en kijken liever RTL Boulevard of GTST dan zich te gooien op dat mooie blad met die vele teksten.
MEER van hetzelfde heb ik bewust boven deze blog geschreven, omdat het lijkt alsof het een uniek project is, terwijl er in alle decennia tot nu toe dergelijke projecten zijn geweest. Er is Hoop in de jaren zeventig zou het helemaal gaan doen. En de afgelopen jaren zijn met kerst en pasen materiaal uitgekomen dat mensen vast zou aanspreken. Dat deed het voor een kleine groep, maar de vraag is of dergelijke groots opgezette acties ook het doel halen dat ze lijken te willen verwezenlijken. In dit geval is het een eenmalige activiteit die een groter gevolg moet gaan geven. Groots, meeslepend, mooi, aansprekend. Maar raakt dat het hart van de persoon die het in zijn bus krijgt? Laat het blad straks de levensstijl van een gelovige zien? Met alle vallen en opstaan van dien? Of wordt het een zoveelste blad met successtories waardoor je wel moet worden aangemoedigd gelovig te worden. Maar of dat een goede voorstelling van zaken is?
Tenslotte vrees ik dat de totstandkoming van dit glossy heel veel geld zal vragen van christenen en hun kerkelijke gemeenschappen. Geld dat zoveel andere projecten en activiteiten ontberen. Christen zijn op basis van levensstijl. Dat is een veel lastiger item. Daar kun je geen glossy over schrijven. Dat is misschien maar een vodje in de ogen van glossysamenstellers. Schijnbaar minder succesvol, want er gaat een langere tijd overheen. Veel minder leuk om te ondersteunen, wat het is niet altijd succes dat achter de horizon verschijnt. Niet meer van hetzelfde, maar anders dan anders. Waardoor mensen wel worden aagesproken.
Laat de glossy er maar komen. Maar mijn kanttekeningen zijn en blijven er.
zondag 21 augustus 2011
Aansluiten bij niet-christenen
Dit weekend heb ik de nieuwe editie van het blad van de Evangelische Alliantie, Idea gelezen. Het heeft als thema "Aansluiten bij niet-christenen, de uitdaging van de omgeving".
In de artikelen ging het vooral over het feit dat we als christenen niet of nauwelijks aansluiten bij de omgeving waar we wonen. We kennen niet-christenen niet echt.
Toen ik dat zo las, dacht ik aan onze eigen ervaringen met Villa Klarendal. Ja, wij hebben veel contact met niet-christenen. Ja, er komen niet-, nog-niet-zo- of andersgelovigen in onze vieringen. Dan komt de vraag al snel boven " hoe doe je dat?".
De komende periode wil ik daar een aantal blogs over schrijven.
In de artikelen ging het vooral over het feit dat we als christenen niet of nauwelijks aansluiten bij de omgeving waar we wonen. We kennen niet-christenen niet echt.
Toen ik dat zo las, dacht ik aan onze eigen ervaringen met Villa Klarendal. Ja, wij hebben veel contact met niet-christenen. Ja, er komen niet-, nog-niet-zo- of andersgelovigen in onze vieringen. Dan komt de vraag al snel boven " hoe doe je dat?".
De komende periode wil ik daar een aantal blogs over schrijven.
zaterdag 11 juni 2011
Column Friesch Dagblad 31: het zondaarsgebed
Zomaar een ochtend bij een van onze activiteiten. Veel bezoekers en een aantal enthousiaste vrijwilligers. Een van die vrijwilligers komt in gesprek met een vaste bezoeker. Na verloop van tijd trekken ze zich terug in een kleiner kamertje. Enige tijd later gaat de deur weer open en stapt een zeer blije vrijwilliger uit het kamertje, gevolg door een sjokkende bezoeker.
Na afloop bij de evaluatie hoor ik het verhaal. Het was een mooi gesprek met deze bezoeker van buitenlandse komaf. De vrijwilliger leidde het gesprek naar de vraag of de bezoeker 'zijn leven aan Jezus wilde geven'. En dat wilde de bezoeker maar al te graag. Dus heeft hij het zondaarsgebed meegebeden. Halleluja! Er is een nieuwe broer bijgekomen. Wij moesten het enthousiasme enigszins temperen. Dit was de vierde of vijfde keer dat de bezoeker telkens door een andere vrijwilliger 'tot de Heer was geleid'.
Dit gefingeerde, maar op de waarheid gebaseerde, verhaal komen we regelmatig tegen in ons werk. Neem een enthousiaste, meestal evangelische, vrijwilliger en een bezoeker die gewillig is te praten en te bidden en er ontstaat een sfeer waarin de een met de ander gaat bidden. U begrijpt, wij zijn iets voorzichtiger geworden met het bidden voor mensen om tot het geloof te komen.
Het zondaarsgebed werd ingevoerd in een tijd waarin mensen nog massaal naar de kerk gingen en dito werden opgevoed. Kerkgaan was de norm, niet-kerkgaan was de uitzondering. Iedereen wist waarover je sprak als iemand het had over zonde en schuld. In die tijd ontstond dit standaardgebed waarin mensen uitspreken dat zij spijt hebben van hun zonden, zich willen overgeven aan Jezus en vanaf nu een nieuw leven willen leiden. Een prachtig hulpmiddel waardoor in de loop van de jaren veel mensen het geloof in Jezus hebben gevonden.
Het gebed is verworden tot een formulier. Tot een hulpmiddel om iemand over de streep te trekken. Tot geloof komen, daar moeten we mensen naar toe trekken. Er worden indrukwekkende preken gegeven. Aan het einde wordt een oproep gedaan om naar voren te komen. De spreker spreekt met de mensen die naar voren zijn gekomen het zondaarsgebed uit. En voilà, in de volgende rondzendbrief van de spreker staat dat die zondag zoveel mensen als naar voren zijn gekomen tot het geloof zijn gekomen. Wat geweldig. Zoveel mensen. God is aan het werk. Het formulier gebruikt als een graadmeter voor eigen succes. Hoe meer mensen tot geloof komen, hoe beter.
Het standaardgebed uit de 19e eeuw kent een instant-gedachte: als je nu maar dit doet, dan lukt het wel. De mens teruggebracht tot een automaat waar je geld in stopt, waarna er uitkomt wat je zo graag wilt hebben. Mensen zijn niet instant, is mijn ervaring. Iedereen heeft in zijn leven zijn eigen ervaringen gehad. Geen enkel leven is hetzelfde. Net zoals elk mens volledig uniek is.
Geloven is een proces. Waarin God met een mens bezig is. De een staat aan het begin van die weg. De ander is al een aardig eindje op weg. In dat proces tussen God en een individueel persoon worden mensen gebruikt om die persoon dingen te leren. Mensen bijstaan op de weg die zij wandelen met God. Dat zie ik als mijn taak in deze tijd. Dat is een andere benadering dan die ander een formulier te laten uitspreken. Oog hebben voor dat proces leert mij ook om mezelf te zien als klein radertje in het grote geheel dat God wil doen in het leven van een persoon. Er komen veel verschillende mensen op ons pad. Die allemaal op hun manier Godzoekend zijn. De een ver weg, de ander dichtbij. Toch komen ze wekelijks bij ons. Omdat het gezellig is. Maar ook om meer over God te leren kennen. “Moeten we niet meer evangeliseren”, is mij wel eens door andere christenen uit ons team gevraagd. Uiteraard vanuit het wereldbeeld van het formulier. “Dat gebeurt al”, was mijn antwoord. We hebben veel contact met deze mensen. Komen ze op straat tegen, bij een doordeweekse activiteit en op zondag. Door met hen ons leven te delen, zien ze wat het betekent om christen te zijn. En gaan ze daar wellicht ook zelf naar verlangen. En tegelijkertijd komen ze met hun dagelijkse vragen bij ons. Waar wij een antwoord op mogen geven, vanuit onze eigen overtuiging. Maar wel met respect voor het pad dat die persoon aan het lopen is.
Soms past zo'n manier van leren geloven bij onze gedachten over hoe iemand tot het geloof moet komen. Iemand kan op dit moment in een new age sfeer zitten. Of nog verstokt katholiek zijn. Wij hebben dan de neiging om die ander te vertellen dat dit niet goed is. Bij ons komen mensen uit beide achtergronden. Sommigen zitten er nog diep in. Anderen beginnen een andere richting op te lopen. Niet veroordelen, maar naast de ander staan. Dat is onze werkwijze. Langzamerhand laat God zien aan die persoon wat hij of zij moet doen.
Samen op weg gaan. Dat is iets anders dan zomaar in het wilde weg het zondaarsgebed met iemand bidden. Het gaat uit van relatie. Het gaat uit van respect voor de ander. Waarbij we de waarheid niet vergeten te vertellen. Maar waarbij we de keuze wat daarmee te doen bij die ander laten.
Na afloop bij de evaluatie hoor ik het verhaal. Het was een mooi gesprek met deze bezoeker van buitenlandse komaf. De vrijwilliger leidde het gesprek naar de vraag of de bezoeker 'zijn leven aan Jezus wilde geven'. En dat wilde de bezoeker maar al te graag. Dus heeft hij het zondaarsgebed meegebeden. Halleluja! Er is een nieuwe broer bijgekomen. Wij moesten het enthousiasme enigszins temperen. Dit was de vierde of vijfde keer dat de bezoeker telkens door een andere vrijwilliger 'tot de Heer was geleid'.
Dit gefingeerde, maar op de waarheid gebaseerde, verhaal komen we regelmatig tegen in ons werk. Neem een enthousiaste, meestal evangelische, vrijwilliger en een bezoeker die gewillig is te praten en te bidden en er ontstaat een sfeer waarin de een met de ander gaat bidden. U begrijpt, wij zijn iets voorzichtiger geworden met het bidden voor mensen om tot het geloof te komen.
Het zondaarsgebed werd ingevoerd in een tijd waarin mensen nog massaal naar de kerk gingen en dito werden opgevoed. Kerkgaan was de norm, niet-kerkgaan was de uitzondering. Iedereen wist waarover je sprak als iemand het had over zonde en schuld. In die tijd ontstond dit standaardgebed waarin mensen uitspreken dat zij spijt hebben van hun zonden, zich willen overgeven aan Jezus en vanaf nu een nieuw leven willen leiden. Een prachtig hulpmiddel waardoor in de loop van de jaren veel mensen het geloof in Jezus hebben gevonden.
Het gebed is verworden tot een formulier. Tot een hulpmiddel om iemand over de streep te trekken. Tot geloof komen, daar moeten we mensen naar toe trekken. Er worden indrukwekkende preken gegeven. Aan het einde wordt een oproep gedaan om naar voren te komen. De spreker spreekt met de mensen die naar voren zijn gekomen het zondaarsgebed uit. En voilà, in de volgende rondzendbrief van de spreker staat dat die zondag zoveel mensen als naar voren zijn gekomen tot het geloof zijn gekomen. Wat geweldig. Zoveel mensen. God is aan het werk. Het formulier gebruikt als een graadmeter voor eigen succes. Hoe meer mensen tot geloof komen, hoe beter.
Het standaardgebed uit de 19e eeuw kent een instant-gedachte: als je nu maar dit doet, dan lukt het wel. De mens teruggebracht tot een automaat waar je geld in stopt, waarna er uitkomt wat je zo graag wilt hebben. Mensen zijn niet instant, is mijn ervaring. Iedereen heeft in zijn leven zijn eigen ervaringen gehad. Geen enkel leven is hetzelfde. Net zoals elk mens volledig uniek is.
Geloven is een proces. Waarin God met een mens bezig is. De een staat aan het begin van die weg. De ander is al een aardig eindje op weg. In dat proces tussen God en een individueel persoon worden mensen gebruikt om die persoon dingen te leren. Mensen bijstaan op de weg die zij wandelen met God. Dat zie ik als mijn taak in deze tijd. Dat is een andere benadering dan die ander een formulier te laten uitspreken. Oog hebben voor dat proces leert mij ook om mezelf te zien als klein radertje in het grote geheel dat God wil doen in het leven van een persoon. Er komen veel verschillende mensen op ons pad. Die allemaal op hun manier Godzoekend zijn. De een ver weg, de ander dichtbij. Toch komen ze wekelijks bij ons. Omdat het gezellig is. Maar ook om meer over God te leren kennen. “Moeten we niet meer evangeliseren”, is mij wel eens door andere christenen uit ons team gevraagd. Uiteraard vanuit het wereldbeeld van het formulier. “Dat gebeurt al”, was mijn antwoord. We hebben veel contact met deze mensen. Komen ze op straat tegen, bij een doordeweekse activiteit en op zondag. Door met hen ons leven te delen, zien ze wat het betekent om christen te zijn. En gaan ze daar wellicht ook zelf naar verlangen. En tegelijkertijd komen ze met hun dagelijkse vragen bij ons. Waar wij een antwoord op mogen geven, vanuit onze eigen overtuiging. Maar wel met respect voor het pad dat die persoon aan het lopen is.
Soms past zo'n manier van leren geloven bij onze gedachten over hoe iemand tot het geloof moet komen. Iemand kan op dit moment in een new age sfeer zitten. Of nog verstokt katholiek zijn. Wij hebben dan de neiging om die ander te vertellen dat dit niet goed is. Bij ons komen mensen uit beide achtergronden. Sommigen zitten er nog diep in. Anderen beginnen een andere richting op te lopen. Niet veroordelen, maar naast de ander staan. Dat is onze werkwijze. Langzamerhand laat God zien aan die persoon wat hij of zij moet doen.
Samen op weg gaan. Dat is iets anders dan zomaar in het wilde weg het zondaarsgebed met iemand bidden. Het gaat uit van relatie. Het gaat uit van respect voor de ander. Waarbij we de waarheid niet vergeten te vertellen. Maar waarbij we de keuze wat daarmee te doen bij die ander laten.
dinsdag 22 april 2008
Mogen mensen erbij horen?
Afgelopen zondag. We hadden samen gepraat over Simon de magiër. Het verhaal van de man die als een soort Uri Geller optrad in de tijd van Handelingen en daar behoorlijk veel aanzien en geld voor terug kreeg. Hoe deze man onder de indruk van de werking van de Heilige Geest kwam en Petrus en Johannes aanbood om voor geld ook die kracht te mogen krijgen. Een van de toepassingen was dat God zoveel groter is dan wij, dat Hij ons helpt als wij het moeilijk hebben en dat Hij zoveel beter werkt dan de manier waarop de krachten van Jomanda en Uri Geller werkt.
Een bezoeker beaamde dat met grote nadruk. Waarop hij begon te vertellen hoe hij op momenten van grote moeite plotseling zijn overleden opa aan het bed zag. Dat hij rust vond in het feit dat hij zonder woorden kan communiceren met zijn moeder. Dat hij dus wel paranormale gaven bezit. De rest van de bezoekers vond het mooi. Dat zijn mooie gaven die God je geeft.
Dat bracht me als degene die de leiding had voor een dilemma. Ik kan nu als een typische man van de kerk gaan vertellen waarom deze gaven zo verkeerd zijn. Of ik laat hem in zijn waarde, omdat hij op dit moment nog niet gelovig is. Ik ervoer het als een moment waarop mijn waarden binnen ons werk weer eens praktisch ter discussie werden gesteld. Reageer ik echt zoals ik dat wil of wil ik zelf mensen overtuigen van mijn gelijk?
Een van onze waarden is dat mensen mogen komen zoals ze zijn. Dus ook mensen met die paranormale "gaven". Natuurlijk geloven wij niet dat dit gaven zijn en dat ze van een andere kant af komen. Maar ook deze mensen zijn welkom om bij ons te komen. Deze bezoeker komt nu wekelijks en vindt het zichtbaar leuk om te komen. Ik wil mensen ruimte geven om Jezus te leren kennen door de verhalen en onze manier van leven en werken heen. Ze mogen stapje voor stapje dichterbij Jezus komen. We willen mensen niet over de streep trekken, maar God de kans geven om in hun leven in te werken. Mensen die behoefte hebben aan een gezellig plekje waar ze zichzelf thuis voelen ("belonging") en die door de tijd dat ze er zijn langzaam maar zeker meer van God leren kennen ("believing").
"God laten werken" betekent voor mij dat ik mensen heel veel ruimte geef. De waarheid vinden komt door het horen en het zien. Wat heeft een paranormaal bezoeker er aan als hij ervan overtuigd wordt dat zijn gaven niet goed zijn, zonder dat hij Jezus leert kennen? De juiste volgorde is dan: iemand mag thuis zijn bij ons (belonging) - iemand leert Jezus kennen (believing) - iemand gaat leren wat Jezus wil en hoe hij zijn leven volgens de bijbel kan inrichten (behaving).
Dus heb ik aangegeven dat wij een andere mening zijn toegedaan over paranormale gaven. En de bezoeker gezegd dat ik daar op een ander moment op terug zal komen. Er ontstond geen discussie over paranormale gaven. De bezoeker werd in zijn waarde gelaten van waar hij op dit moment staat. En we hebben gebeden dat God de kracht van de Heilige Geest aan iedereen zal tonen.
Later hadden we als team een discussie over of ik meer erover had moeten zeggen. De anderen vonden dat ik wat duidelijker had moeten zijn. Achteraf denk ik dat ik de juiste werkwijze heb gekozen.
Hieruit komt de vraag naar voren of mensen zich ook daadwerkelijk bij ons thuis mogen voelen, of dat we terugkeren naar onze oude manier van werken en mensen overtuigen van ons gelijk (of dat van de bijbel) op het moment dat er iets gebeurt dat tegen onze geloofsharen instrijkt.
Een bezoeker beaamde dat met grote nadruk. Waarop hij begon te vertellen hoe hij op momenten van grote moeite plotseling zijn overleden opa aan het bed zag. Dat hij rust vond in het feit dat hij zonder woorden kan communiceren met zijn moeder. Dat hij dus wel paranormale gaven bezit. De rest van de bezoekers vond het mooi. Dat zijn mooie gaven die God je geeft.
Dat bracht me als degene die de leiding had voor een dilemma. Ik kan nu als een typische man van de kerk gaan vertellen waarom deze gaven zo verkeerd zijn. Of ik laat hem in zijn waarde, omdat hij op dit moment nog niet gelovig is. Ik ervoer het als een moment waarop mijn waarden binnen ons werk weer eens praktisch ter discussie werden gesteld. Reageer ik echt zoals ik dat wil of wil ik zelf mensen overtuigen van mijn gelijk?
Een van onze waarden is dat mensen mogen komen zoals ze zijn. Dus ook mensen met die paranormale "gaven". Natuurlijk geloven wij niet dat dit gaven zijn en dat ze van een andere kant af komen. Maar ook deze mensen zijn welkom om bij ons te komen. Deze bezoeker komt nu wekelijks en vindt het zichtbaar leuk om te komen. Ik wil mensen ruimte geven om Jezus te leren kennen door de verhalen en onze manier van leven en werken heen. Ze mogen stapje voor stapje dichterbij Jezus komen. We willen mensen niet over de streep trekken, maar God de kans geven om in hun leven in te werken. Mensen die behoefte hebben aan een gezellig plekje waar ze zichzelf thuis voelen ("belonging") en die door de tijd dat ze er zijn langzaam maar zeker meer van God leren kennen ("believing").
"God laten werken" betekent voor mij dat ik mensen heel veel ruimte geef. De waarheid vinden komt door het horen en het zien. Wat heeft een paranormaal bezoeker er aan als hij ervan overtuigd wordt dat zijn gaven niet goed zijn, zonder dat hij Jezus leert kennen? De juiste volgorde is dan: iemand mag thuis zijn bij ons (belonging) - iemand leert Jezus kennen (believing) - iemand gaat leren wat Jezus wil en hoe hij zijn leven volgens de bijbel kan inrichten (behaving).
Dus heb ik aangegeven dat wij een andere mening zijn toegedaan over paranormale gaven. En de bezoeker gezegd dat ik daar op een ander moment op terug zal komen. Er ontstond geen discussie over paranormale gaven. De bezoeker werd in zijn waarde gelaten van waar hij op dit moment staat. En we hebben gebeden dat God de kracht van de Heilige Geest aan iedereen zal tonen.
Later hadden we als team een discussie over of ik meer erover had moeten zeggen. De anderen vonden dat ik wat duidelijker had moeten zijn. Achteraf denk ik dat ik de juiste werkwijze heb gekozen.
Hieruit komt de vraag naar voren of mensen zich ook daadwerkelijk bij ons thuis mogen voelen, of dat we terugkeren naar onze oude manier van werken en mensen overtuigen van ons gelijk (of dat van de bijbel) op het moment dat er iets gebeurt dat tegen onze geloofsharen instrijkt.
woensdag 23 januari 2008
Gemeentestichting versus de kerk
Ik werd vannacht geraakt door wat Jos Douma schreef. Op zijn weblog. Ik las het overigens weer (dank daarvoor) op de weblog van Nico-Dirk van Loo.
De post zegt:
Het is interessant dat Maris verwoordt wat er ook bij mij kriebelt: de hele gemeentestichtingsbeweging en het emerging church gebeuren heeft een geur om zich heen hangen van: 'dit is toch het eigenlijke werk, de gevestigde kerken doen niks anders dan voor zichzelf zorgen en de tuin een beetje bijhouden'. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat er in de gevestigde kerken heel veel naarbinnengekeerdheid is die haaks staat op Jezus' verlangen dat nog velen hem zullen leren kennen. En dat wordt terecht pijnlijk aangeraakt door de dynamiek van gemeentestichting en emerging church. Maar andersom is er wel eens wat weinig oog, naar mijn indruk, voor de geestelijke nood en het geestelijke verlangen dat er ook binnen de gevestigde kerken is van gelovigen (maar ook on-gelovigen, bijna-gelovigen, bijna-niet-meer-gelovigen etc.) die verlangen naar een werkelijk kennen van Christus, die verlangen naar echt geestelijke zorg voor hun ziel.
Hier wordt volgens mij een tegenstelling gemaakt die er helemaal niet is. Er zijn mensen in de kerk die op zoek zijn en het moeilijk hebben. En er zijn mensen buiten waar een bepaalde groep ineens veel aandacht voor heeft.
De oplossing voor deze schijnbare tegenstelling ligt in de vergelijking met de medische wetenschap. Als we gemeente-zijn vergelijken met een lichaam, dan zien we in de gezondheidszorg allerlei ontwikkelingen op het gebied van het menselijk lichaam. Doordat veel moeders problemen kregen tijdens de zwangerschap, is er een aparte tak ontstaan binnen de gezondheidszorg die zich bezig ging houden met de situatie van moeder en ongeboren kind. Gelijktijdig met die ontwikkeling ging de ontwikkeling van de gewone gezondheidszorg door.
Ik beschouw de huidige aandacht voor gemeentestichting en Emerging Church als een gevolg van het feit dat de afgelopen jaren weinig is gedaan aan dat werkveld. Gemeentes en kerken lopen steeds meer leeg of vergrijzen. Dat komt omdat er wel veel aandacht is geweest voor de zorg voor de "gewone kerkleden", maar niet voor degenen die daar volledig buiten staan. Daardoor dreigt de kerk in haar zwangerschap dood te gaan. Sterker nog, veel kerken raken niet eens meer zwanger, zijn onvruchtbaar geworden, doordat ze niet meer weten hoe ze mensen zonder geloof moeten bereiken.
Daardoor is nu binnen en buiten de kerkelijke muren een nieuw specialisme aan het ontstaan dat zich richt op de buitenstaanders. Ik hoop dat door dit specialisme zowel de christenen binnen de kerken als zij die daarbuiten opereren kunnen leren hoe zij weer vrucht kunnen gaan dragen. Daar heb je nu eenmaal specialisten voor nodig.
Ik hoop dat de gemeentestichtingsbeweging en de Emerging Church zich niet gaat isoleren van de rest van kerkelijk Nederland. En ik hoop ook niet dat die bewegingen door de kerkelijke wereld wordt buitengezet. Ik hoop op een kruisbestuiving over en weer. Ik zie wel degelijk de nood die er binnen de kerken en vrije kringen in Nederland onder gemeenteleden bestaat. Er zijn weer andere specialisten voor nodig om die gemeenteleden op te vangen en te ondersteunen. Bepaalde onderdelen van het specialisme gemeentestichting zullen zeer bruikbaar blijken voor de andere specialisten. Vooral waar het de kennis van de cultuur buiten de kerkmuren betreft. Want veel gemeenteleden, hoezeer geïsoleerd van de samenleving wellicht, zullen toch door opleiding, werk en hobbies geïnfecteerd worden door het postmoderne denken. Daarom is het goed als de kerkelijk specialisten blijven luisteren naar wat zich in de gemeentestichtingsbeweging afspeelt.
Het lichaam hoort in zijn geheel bij elkaar. Daar hoort ook prenatale zorg bij. Ik mag toch hopen dat de kerken en gemeentes hun handen af houden van de eigen prenatale zorg. Abortussen of miskramen moeten op allerlei manieren worden voorkomen. Van beiden heb ik helaas de afgelopen jaren genoeg voorbeelden gezien en gehoord. Laten we gezamenlijk zorgen voor onze geestelijke kinderen, ook voor hen die nog op weg zijn en nog in de buik van het lichaam van Christus in Nederland aan het groeien zijn - of ze nu een klein net bevrucht eicelletje zijn of een bijna voldragen foetus.
De post zegt:
Het is interessant dat Maris verwoordt wat er ook bij mij kriebelt: de hele gemeentestichtingsbeweging en het emerging church gebeuren heeft een geur om zich heen hangen van: 'dit is toch het eigenlijke werk, de gevestigde kerken doen niks anders dan voor zichzelf zorgen en de tuin een beetje bijhouden'. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat er in de gevestigde kerken heel veel naarbinnengekeerdheid is die haaks staat op Jezus' verlangen dat nog velen hem zullen leren kennen. En dat wordt terecht pijnlijk aangeraakt door de dynamiek van gemeentestichting en emerging church. Maar andersom is er wel eens wat weinig oog, naar mijn indruk, voor de geestelijke nood en het geestelijke verlangen dat er ook binnen de gevestigde kerken is van gelovigen (maar ook on-gelovigen, bijna-gelovigen, bijna-niet-meer-gelovigen etc.) die verlangen naar een werkelijk kennen van Christus, die verlangen naar echt geestelijke zorg voor hun ziel.
Hier wordt volgens mij een tegenstelling gemaakt die er helemaal niet is. Er zijn mensen in de kerk die op zoek zijn en het moeilijk hebben. En er zijn mensen buiten waar een bepaalde groep ineens veel aandacht voor heeft.
De oplossing voor deze schijnbare tegenstelling ligt in de vergelijking met de medische wetenschap. Als we gemeente-zijn vergelijken met een lichaam, dan zien we in de gezondheidszorg allerlei ontwikkelingen op het gebied van het menselijk lichaam. Doordat veel moeders problemen kregen tijdens de zwangerschap, is er een aparte tak ontstaan binnen de gezondheidszorg die zich bezig ging houden met de situatie van moeder en ongeboren kind. Gelijktijdig met die ontwikkeling ging de ontwikkeling van de gewone gezondheidszorg door.
Ik beschouw de huidige aandacht voor gemeentestichting en Emerging Church als een gevolg van het feit dat de afgelopen jaren weinig is gedaan aan dat werkveld. Gemeentes en kerken lopen steeds meer leeg of vergrijzen. Dat komt omdat er wel veel aandacht is geweest voor de zorg voor de "gewone kerkleden", maar niet voor degenen die daar volledig buiten staan. Daardoor dreigt de kerk in haar zwangerschap dood te gaan. Sterker nog, veel kerken raken niet eens meer zwanger, zijn onvruchtbaar geworden, doordat ze niet meer weten hoe ze mensen zonder geloof moeten bereiken.
Daardoor is nu binnen en buiten de kerkelijke muren een nieuw specialisme aan het ontstaan dat zich richt op de buitenstaanders. Ik hoop dat door dit specialisme zowel de christenen binnen de kerken als zij die daarbuiten opereren kunnen leren hoe zij weer vrucht kunnen gaan dragen. Daar heb je nu eenmaal specialisten voor nodig.
Ik hoop dat de gemeentestichtingsbeweging en de Emerging Church zich niet gaat isoleren van de rest van kerkelijk Nederland. En ik hoop ook niet dat die bewegingen door de kerkelijke wereld wordt buitengezet. Ik hoop op een kruisbestuiving over en weer. Ik zie wel degelijk de nood die er binnen de kerken en vrije kringen in Nederland onder gemeenteleden bestaat. Er zijn weer andere specialisten voor nodig om die gemeenteleden op te vangen en te ondersteunen. Bepaalde onderdelen van het specialisme gemeentestichting zullen zeer bruikbaar blijken voor de andere specialisten. Vooral waar het de kennis van de cultuur buiten de kerkmuren betreft. Want veel gemeenteleden, hoezeer geïsoleerd van de samenleving wellicht, zullen toch door opleiding, werk en hobbies geïnfecteerd worden door het postmoderne denken. Daarom is het goed als de kerkelijk specialisten blijven luisteren naar wat zich in de gemeentestichtingsbeweging afspeelt.
Het lichaam hoort in zijn geheel bij elkaar. Daar hoort ook prenatale zorg bij. Ik mag toch hopen dat de kerken en gemeentes hun handen af houden van de eigen prenatale zorg. Abortussen of miskramen moeten op allerlei manieren worden voorkomen. Van beiden heb ik helaas de afgelopen jaren genoeg voorbeelden gezien en gehoord. Laten we gezamenlijk zorgen voor onze geestelijke kinderen, ook voor hen die nog op weg zijn en nog in de buik van het lichaam van Christus in Nederland aan het groeien zijn - of ze nu een klein net bevrucht eicelletje zijn of een bijna voldragen foetus.
woensdag 26 september 2007
Groot, groter, grootst
Je verwacht het niet, maar ook op de satirische site Goedgelovig.nl vindt op dit moment een discussie plaats over het nut en de zegen van Megakerken. Onder de titel Groot, groter, grootst werd gewag gemaakt van de wens van de oudstenraad van de kerk van dominee Orlando Bottenbley (door een van de bezoekers plagend Bot en Blij genoemd) om een kerk voor 5000 mensen te bouwen. Daarna barstte de discussie los over dit fenomeen.
Wat ruist daar langs de wolken?
Ik ben in deze periode bezig een boek te schrijven. Of hij ooit wordt uitgegeven, weet ik op dit moment nog niet.
Al schrijvend krijg je af en toe een brainwave. Zo ook deze. Als we spreken over rekening houden met de mensen die we tegenkomen, heeft dat ook gevolgen voor de liederen die we zingen. Die zijn vaak heel mooi voor ingewijden, maar voor buitenstaanders soms echt niet te volgen.
Daarom hieronder een denkbeeldig gedachtenspel van een zoekende niet-gelovige in een kerk waar "Daar ruist langs de wolken" wordt gezongen.
Daar ruist langs de wolken een lieflijke naam: ik zie in gedachten een stel wolken. Wat was ruisen ook al weer? Een lieflijke naam? Hangt dat dan achter een vliegtuigje net zoals een reclameboodschap? Bij lieflijk denk ik aan een vlinder of zo.
…die hemel en aarde verenigt tezaam: daar snap ik dus helemaal niets van! Hoe kan een lieflijke naam nou hemel en aarde verenigen. Wat is de hemel trouwens?
Geen naam is er zoeter en beter voor ’t hart: is die naam dan een snoepje of een dropje? Klene ken ik van de reclame. Wordt dat dan met die naam bedoeld? “Beter voor ’t hart” maakt het voor mij niet veel duidelijker. Een naam die zoet is en beter voor het hart? Snoep en hart- en vaatziekten gaan toch meestal niet goed samen? Is het Becel in snoepvorm of zo?
Hij balsemt de wonden en heelt alle smart: balsemen? Dat doe je toch bij doden? Over welke wonden heeft het lied het? Wat is dat: smart? Ik ken wel smartlappen, maar ik weet niet of dat iets met die naam te maken heeft.
Kent gij, kent gij die naam nog niet: nee, dus, ik ben al de hele tijd aan het zoeken, maar ik kom er maar niet achter wat er wordt bedoeld.
…die naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied: nou ben ik nog geen steek verder. Wat is dat: Heiland. Waar ligt dat dan precies? Dicht bij Engeland of zo? Of is dat op de Veluwe of in Drenthe, waar veel hei ligt? En dat er lust in voorkomt, komt mij ook wat vreemd over. Het is toch hier een kerk en geen lustoord? En OK, ze zijn hier aan het zingen, maar wat wordt dan precies bedoeld met "mijn lied".
Al schrijvend krijg je af en toe een brainwave. Zo ook deze. Als we spreken over rekening houden met de mensen die we tegenkomen, heeft dat ook gevolgen voor de liederen die we zingen. Die zijn vaak heel mooi voor ingewijden, maar voor buitenstaanders soms echt niet te volgen.
Daarom hieronder een denkbeeldig gedachtenspel van een zoekende niet-gelovige in een kerk waar "Daar ruist langs de wolken" wordt gezongen.
Daar ruist langs de wolken een lieflijke naam: ik zie in gedachten een stel wolken. Wat was ruisen ook al weer? Een lieflijke naam? Hangt dat dan achter een vliegtuigje net zoals een reclameboodschap? Bij lieflijk denk ik aan een vlinder of zo.
…die hemel en aarde verenigt tezaam: daar snap ik dus helemaal niets van! Hoe kan een lieflijke naam nou hemel en aarde verenigen. Wat is de hemel trouwens?
Geen naam is er zoeter en beter voor ’t hart: is die naam dan een snoepje of een dropje? Klene ken ik van de reclame. Wordt dat dan met die naam bedoeld? “Beter voor ’t hart” maakt het voor mij niet veel duidelijker. Een naam die zoet is en beter voor het hart? Snoep en hart- en vaatziekten gaan toch meestal niet goed samen? Is het Becel in snoepvorm of zo?
Hij balsemt de wonden en heelt alle smart: balsemen? Dat doe je toch bij doden? Over welke wonden heeft het lied het? Wat is dat: smart? Ik ken wel smartlappen, maar ik weet niet of dat iets met die naam te maken heeft.
Kent gij, kent gij die naam nog niet: nee, dus, ik ben al de hele tijd aan het zoeken, maar ik kom er maar niet achter wat er wordt bedoeld.
…die naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied: nou ben ik nog geen steek verder. Wat is dat: Heiland. Waar ligt dat dan precies? Dicht bij Engeland of zo? Of is dat op de Veluwe of in Drenthe, waar veel hei ligt? En dat er lust in voorkomt, komt mij ook wat vreemd over. Het is toch hier een kerk en geen lustoord? En OK, ze zijn hier aan het zingen, maar wat wordt dan precies bedoeld met "mijn lied".
woensdag 12 september 2007
Missionaire megakerk discussie
Inmiddels is mijn artikel over de mogelijkheid voor megakerken om missionair te zijn overgenomen op de weblog van Matthijs Vlaardingerbroek.
Daar wordt nu een beginnend bloggesprek over het onderwerp gevoerd. Lees het artikel en de reacties door op de bovenstaande link te klikken.
Daar wordt nu een beginnend bloggesprek over het onderwerp gevoerd. Lees het artikel en de reacties door op de bovenstaande link te klikken.
maandag 10 september 2007
Kan een megakerk missionair zijn?
Leuke vraag boven een artikel dat ik laatst las in Outreach & Evangelism. De vraag geldt met name voor Amerika, maar kan ook voor ons land van toepassing zijn. In Amerika zijn namelijk nogal wat megakerken, die ettelijke duizenden leden hebben die ook zondags met elkaar naar de kerk gaan. In Nederland zijn de Bethelkerk in Drachten (voorganger Orlando Bottenbley) en De Meerkerk in Hoofddorp (voorganger Wigle Tamboer) exponenten van dit soort kerken. Maar ook grote christelijke manifestaties als EO Jongerendag, EO Gezinsdag, Soul Survival of XNoizz Flevo zijn volgens mij hiervan voorbeelden in Nederland, omdat ze op een zelfde manier zijn opgezet en hetzelfde nastreven. Ze zijn groots opgezet, hebben een geweldige organisatie, zijn zeer professioneel in hun entourage, kortom voor het oog zeer gelikte kerken. En ze trekken daardoor veel, heel veel mensen.
In kringen waarin ik de laatste paar jaar verkeer worden dit soort kerken en manifestaties als exponent gezien van de tanende kerk. De laatste restjes van het Christendom, waarin alles draaide om macht, eer, positie en grootsheid. Ze zijn niet gericht om te zijn zoals Jezus dat was, die bereid was om alles af te leggen, zodat hij naast ons en onder ons kon zijn (incarnationeel, in het Engels "incarnational"), maar ze zijn attractief ("attractional"). Ze zeggen niet: "ga uit en verkondig", maar "kom en zie".
De schrijver van het artikel was van meet af aan cynisch over de komst van dergelijke megakerken. Mensen zouden uiteindelijk zoeken naar echte gemeenschap, zich afkeren van het consumentengedrag waar deze kerken zich op richtten. Tot zijn verbazing bestaan deze kerken nog steeds. Vanuit missionair oogpunt vreemd, maar toch ook niet. De schrijver, zelf missioloog, zag twee realiteiten in de megakerk:
1. Een groot deel van het succes van deze kerken ligt in haar bekwaamheid om binnen onze cultuur te contextualizeren, een basisprincipe van de missiologie.
2. Megakerken zijn groot, wat in onze cultuur gelijk staat aan succes—en mensen reageren daarop.
Een ander aspect hiervan noemt de schrijver de "celebrity-factor" (in Nederland zouden we dat de "BN'er factor" kunnen noemen). Elke Amerikaanse megakerk is locaal, regionaal en nationaal bekend vanwege haar charismatische leiderschap, geweldige communicatie en vrijwel altijd haar zeer goed bekende leider. Dit begint in Nederland dezelfde vormen aan te nemen, kijk vooral naar de manier waarop Orlando Bottenbley wordt behandeld. De meeste leiders van megakerken, aldus de schrijver, hebben de bekwaamheid mensen om hen heen te inspireren om grote dingen na t streven en hebben een dusdanig spreektalent dat ze door kunnen dringen in de levens van mensen. Als die kerken groeien en de status van megakerk krijgen, worden deze leiders "celebrities" wat hen een ingang geeft om nog meer mensen te bereiken met het evangelie.
Interessant is dat de schrijver hierna tot de conclusie komt, dat al deze kerken "attractional" zijn: zij gaan uit van het principe "Kom en zie", ze nodigen mensen uit om bij hen te komen. Dit staat in contrast met de visie van huisgemeenten en "emerging churches" die van mening zijn dat Jezus ons opdraagt om "uit te gaan en te verkondigen". De schrijver waarschuwt ons echter om hiermee het kind van "Kom en Zie" met het badwater weg te gooien. Want Jezus was meer dan een Galilees timmermannetje, dat in zijn samenleving alleen maar een boodschap had tegen die tegen de eigen cultuur inging. Hij is ook de verheerlijkte Koning die het waard is om alle lofprijs te ontvangen, zelfs de lofprijs van duizenden. En is het niet zo dat ook de evangeliën erover spreken dat de menigten (duizenden) hem volgden?
Volgens de schrijver liggen "Ga en verkondig" en "Kom en zie" in elkaars verlengde. Als we mensen stimuleren om naar hun vrienden, kennissen, buren te gaan, stellen we hen vaak voor om hen uit te nodigen voor een samenkomst in de kerk. Zelfs emerging churches of huiskerken hebben daarmee toch iets van "Kom en zie": we houden toch bijeenkomsten, ook al beginnen die anders dan een reguliere kerkdienst, bijvoorbeeld met een maaltijd. Een leuke vondst vond ik de opmerking van de schrijver: "I believe that attractional can be missional if the result is incarnational and not extractional" (ik geloof dat attractief missionair kan zijn als het resultaat incarnationeel en niet extractioneel is). Met andere woorden: mensen door attractie naar de kerk lokken kan een cultureel geschikte strategie zijn als ongeschikte motieven niet worden aangesproken. Mensen die tot geloof komen moeten gestimuleerd worden weer hun cultuur in te trekken (door een incarnatie en ambassadeur van Christus in de samenleving te worden) en niet uit hun eigen cultuur worden getrokken om terecht te komen in een christelijke subcultuur (hen trekken uit -extracting- de wereld rondom hen om ze te brengen in "McMega kerkwereld"). Dat moet zichtbaar worden doordat de voorganger zelf het voorbeeld geeft van een leven dat incarnationeel is (door bijvoorbeeld in de preek erop te wijzen dat hijzelf regelmatig met ongelovige vrienden contact heeft).
Laten we wel wezen, onze samenleving is consumentgericht. Dat was niet anders in de tijd van Jezus. Soms gaat Jezus in op de behoeften van zijn toehoorders. Hij laat ze niet zitten met een lege maag, maar vult ze, alle vijfduizend. Hij wist dat veel van hen Hem alleen zochten om wat Hij deed. Tegelijkertijd gebruikte hij die gebeurtenissen als een uitdaging om hen aan te spreken op hun diepere verlangen naar meer en hen de juiste kant op te wijzen. De vraag is niet "bestaat consumentengedrag?" of "hoe moeten kerken consumenten aanspreken", maar moet veeleer zijn: "Wat moeten kerken doen met consumenten (buitenkerkelijken) als de bijbel ons oproept tot een leven van opoffering en dienst?" En hier raken we een punt, waar elk christelijk werk uiteindelijk op komt. Hoe zorgen we er voor dat de mensen die we bereiken niet klein blijven, volgzaam blijven, alleen maar blijven eten van wat ze lekker vinden. Hoe helpen we mensen van consumenten daadwerkelijke discipelen te worden.
Leuke vraag, die megakerken. Ikzelf voel me er absoluut niet in thuis. Maar toch heeft dit artikel me aan het nadenken gezet. Er is een bepaald slag mensen die er wel door geraakt wordt. In Nederland zijn het toch vooral de randkerkelijke mensen die hierdoor getrokken worden. Dat is natuurlijk net zo goed een missionaire groep. Als we kijken naar de landelijke EO-dagen, zien we hoe dagbladen en andere media (als ze er al aandacht aan besteden) zich verbazen over de aantrekkingskracht van dit soort dagen. Ook in Nederland is bij dergelijke manifestaties de grote vraag wat de bezoekers ermee doen. Ik zie veel jongeren naar voren gaan. Maar in hoeverre hebben dergelijke bijeenkomsten een dusdanige impact op de bezoekers dat ze bereid zijn hun eigen omgeving in te gaan om daar echt christen te zijn. Kijkend naar de impact die christenen hebben op hun samenleving trek ik het belang van die bijeenkomsten in twijfel. Jongeren en ouderen kicken op die samenkomsten. Het is zo heerlijk om met zoveel christenen samen te komen. "Ik ging helemaal uit mijn dak" is een veel gehoord statement. Maar het dak ging er daarna weer snel op, vrees ik, want we klommen met zijn allen weer snel in onze auto's terug naar onze christelijke buitenwijken waar we samen feestvieren in onze christelijke pinkster- gereformeerde- of evangelische subculturen.
Leer mensen om incarnationeel te leven, en er is niets mis met grote samenkomsten. Maar als ze er alleen maar zijn als een subculturele vervanging voor Lowlands of Pinkpop (Xnoizz Flevo) of grote popconcerten (EO Jongerendag), die alleen maar uit zijn op "er jezelf lekker bij voelen", schaf ze dan maar snel af.
Leuke vragen. Ben benieuwd wat jij ervan vindt.
In kringen waarin ik de laatste paar jaar verkeer worden dit soort kerken en manifestaties als exponent gezien van de tanende kerk. De laatste restjes van het Christendom, waarin alles draaide om macht, eer, positie en grootsheid. Ze zijn niet gericht om te zijn zoals Jezus dat was, die bereid was om alles af te leggen, zodat hij naast ons en onder ons kon zijn (incarnationeel, in het Engels "incarnational"), maar ze zijn attractief ("attractional"). Ze zeggen niet: "ga uit en verkondig", maar "kom en zie".
De schrijver van het artikel was van meet af aan cynisch over de komst van dergelijke megakerken. Mensen zouden uiteindelijk zoeken naar echte gemeenschap, zich afkeren van het consumentengedrag waar deze kerken zich op richtten. Tot zijn verbazing bestaan deze kerken nog steeds. Vanuit missionair oogpunt vreemd, maar toch ook niet. De schrijver, zelf missioloog, zag twee realiteiten in de megakerk:
1. Een groot deel van het succes van deze kerken ligt in haar bekwaamheid om binnen onze cultuur te contextualizeren, een basisprincipe van de missiologie.
2. Megakerken zijn groot, wat in onze cultuur gelijk staat aan succes—en mensen reageren daarop.
Een ander aspect hiervan noemt de schrijver de "celebrity-factor" (in Nederland zouden we dat de "BN'er factor" kunnen noemen). Elke Amerikaanse megakerk is locaal, regionaal en nationaal bekend vanwege haar charismatische leiderschap, geweldige communicatie en vrijwel altijd haar zeer goed bekende leider. Dit begint in Nederland dezelfde vormen aan te nemen, kijk vooral naar de manier waarop Orlando Bottenbley wordt behandeld. De meeste leiders van megakerken, aldus de schrijver, hebben de bekwaamheid mensen om hen heen te inspireren om grote dingen na t streven en hebben een dusdanig spreektalent dat ze door kunnen dringen in de levens van mensen. Als die kerken groeien en de status van megakerk krijgen, worden deze leiders "celebrities" wat hen een ingang geeft om nog meer mensen te bereiken met het evangelie.
Interessant is dat de schrijver hierna tot de conclusie komt, dat al deze kerken "attractional" zijn: zij gaan uit van het principe "Kom en zie", ze nodigen mensen uit om bij hen te komen. Dit staat in contrast met de visie van huisgemeenten en "emerging churches" die van mening zijn dat Jezus ons opdraagt om "uit te gaan en te verkondigen". De schrijver waarschuwt ons echter om hiermee het kind van "Kom en Zie" met het badwater weg te gooien. Want Jezus was meer dan een Galilees timmermannetje, dat in zijn samenleving alleen maar een boodschap had tegen die tegen de eigen cultuur inging. Hij is ook de verheerlijkte Koning die het waard is om alle lofprijs te ontvangen, zelfs de lofprijs van duizenden. En is het niet zo dat ook de evangeliën erover spreken dat de menigten (duizenden) hem volgden?
Volgens de schrijver liggen "Ga en verkondig" en "Kom en zie" in elkaars verlengde. Als we mensen stimuleren om naar hun vrienden, kennissen, buren te gaan, stellen we hen vaak voor om hen uit te nodigen voor een samenkomst in de kerk. Zelfs emerging churches of huiskerken hebben daarmee toch iets van "Kom en zie": we houden toch bijeenkomsten, ook al beginnen die anders dan een reguliere kerkdienst, bijvoorbeeld met een maaltijd. Een leuke vondst vond ik de opmerking van de schrijver: "I believe that attractional can be missional if the result is incarnational and not extractional" (ik geloof dat attractief missionair kan zijn als het resultaat incarnationeel en niet extractioneel is). Met andere woorden: mensen door attractie naar de kerk lokken kan een cultureel geschikte strategie zijn als ongeschikte motieven niet worden aangesproken. Mensen die tot geloof komen moeten gestimuleerd worden weer hun cultuur in te trekken (door een incarnatie en ambassadeur van Christus in de samenleving te worden) en niet uit hun eigen cultuur worden getrokken om terecht te komen in een christelijke subcultuur (hen trekken uit -extracting- de wereld rondom hen om ze te brengen in "McMega kerkwereld"). Dat moet zichtbaar worden doordat de voorganger zelf het voorbeeld geeft van een leven dat incarnationeel is (door bijvoorbeeld in de preek erop te wijzen dat hijzelf regelmatig met ongelovige vrienden contact heeft).
Laten we wel wezen, onze samenleving is consumentgericht. Dat was niet anders in de tijd van Jezus. Soms gaat Jezus in op de behoeften van zijn toehoorders. Hij laat ze niet zitten met een lege maag, maar vult ze, alle vijfduizend. Hij wist dat veel van hen Hem alleen zochten om wat Hij deed. Tegelijkertijd gebruikte hij die gebeurtenissen als een uitdaging om hen aan te spreken op hun diepere verlangen naar meer en hen de juiste kant op te wijzen. De vraag is niet "bestaat consumentengedrag?" of "hoe moeten kerken consumenten aanspreken", maar moet veeleer zijn: "Wat moeten kerken doen met consumenten (buitenkerkelijken) als de bijbel ons oproept tot een leven van opoffering en dienst?" En hier raken we een punt, waar elk christelijk werk uiteindelijk op komt. Hoe zorgen we er voor dat de mensen die we bereiken niet klein blijven, volgzaam blijven, alleen maar blijven eten van wat ze lekker vinden. Hoe helpen we mensen van consumenten daadwerkelijke discipelen te worden.
Leuke vraag, die megakerken. Ikzelf voel me er absoluut niet in thuis. Maar toch heeft dit artikel me aan het nadenken gezet. Er is een bepaald slag mensen die er wel door geraakt wordt. In Nederland zijn het toch vooral de randkerkelijke mensen die hierdoor getrokken worden. Dat is natuurlijk net zo goed een missionaire groep. Als we kijken naar de landelijke EO-dagen, zien we hoe dagbladen en andere media (als ze er al aandacht aan besteden) zich verbazen over de aantrekkingskracht van dit soort dagen. Ook in Nederland is bij dergelijke manifestaties de grote vraag wat de bezoekers ermee doen. Ik zie veel jongeren naar voren gaan. Maar in hoeverre hebben dergelijke bijeenkomsten een dusdanige impact op de bezoekers dat ze bereid zijn hun eigen omgeving in te gaan om daar echt christen te zijn. Kijkend naar de impact die christenen hebben op hun samenleving trek ik het belang van die bijeenkomsten in twijfel. Jongeren en ouderen kicken op die samenkomsten. Het is zo heerlijk om met zoveel christenen samen te komen. "Ik ging helemaal uit mijn dak" is een veel gehoord statement. Maar het dak ging er daarna weer snel op, vrees ik, want we klommen met zijn allen weer snel in onze auto's terug naar onze christelijke buitenwijken waar we samen feestvieren in onze christelijke pinkster- gereformeerde- of evangelische subculturen.
Leer mensen om incarnationeel te leven, en er is niets mis met grote samenkomsten. Maar als ze er alleen maar zijn als een subculturele vervanging voor Lowlands of Pinkpop (Xnoizz Flevo) of grote popconcerten (EO Jongerendag), die alleen maar uit zijn op "er jezelf lekker bij voelen", schaf ze dan maar snel af.
Leuke vragen. Ben benieuwd wat jij ervan vindt.
zaterdag 26 mei 2007
de eindstreep?
Luid gejuich klinkt op. Een man rent door het stadion. Hij vliegt langs de baan. Hij rent over de streep. En met alles wat in hem is begint hij te juichen, want hij is er! Het stadion wordt stil. De man juicht. Maar waarom? Hij is net over de startstreep gelopen.
Een wat vreemd verhaal. Ik moest aan dit beeld denken, toen ik deze week een interview las met Brian McLaren, een van de Amerikaanse voormannen van de emerging church, in Outreach & Evangelism.
De kerk, zo stelt hij, heeft van het startpunt de finish gemaakt. Als je maar eenmaal over het startpunt bent, ben je gered. Hoera de bekeerling is zo ver. Hij mag zich een christen noemen. Het gaat er echter om dat iemand gedurende zijn hele leven leert om een christen te zijn. Dat gaat veel verder dan het moment van bekering, onze doop of belijdenis, of het moment waarop de Geest voor het eerst over ons kwam. Discipelschap leren we door het leven heen en niet door een boekje voor onze neus te hebben waar we de regeltjes uit leren.
Dat we allemaal nog behept zijn door de regeltjes, merkte ik laatst nog. De Alphacursus is daar redelijk van doorspekt. En zoals te doen gewoonlijk gaven we de deelnemers de kans zichzelf zodanig over te geven aan de Geest dat Hij in hen kon gaan werken. En toen werd het stil. Bleef het stil. Na de afsluiting dacht ik: gaat het nu om het momentum aan mensen op te dringen, of werkt de Geest zoals Hij wil? Ik moest erkennen dat het laatste het geval is. Niet wij kunnen mensen dwingen of dringen zich aan de Geest over te geven. Dat doet Hijzelf!
Als wij relationeel willen werken zoals Jezus deed, moeten we leren om te stoppen te denken in van die speciale momenten. De Geest leidt mensen. Hij geeft ze ruimte om dicht bij ons te komen, het evangelie te horen, het aan te nemen en daarin verder te groeien. Maar laat dat een organisch proces zijn en geen menselijk spel waarin mensen een bepaalde richting op gemanipuleerd worden. God werkt toch wel door. Als wij het maar voorleven en vertellen.
Een wat vreemd verhaal. Ik moest aan dit beeld denken, toen ik deze week een interview las met Brian McLaren, een van de Amerikaanse voormannen van de emerging church, in Outreach & Evangelism.
De kerk, zo stelt hij, heeft van het startpunt de finish gemaakt. Als je maar eenmaal over het startpunt bent, ben je gered. Hoera de bekeerling is zo ver. Hij mag zich een christen noemen. Het gaat er echter om dat iemand gedurende zijn hele leven leert om een christen te zijn. Dat gaat veel verder dan het moment van bekering, onze doop of belijdenis, of het moment waarop de Geest voor het eerst over ons kwam. Discipelschap leren we door het leven heen en niet door een boekje voor onze neus te hebben waar we de regeltjes uit leren.
Dat we allemaal nog behept zijn door de regeltjes, merkte ik laatst nog. De Alphacursus is daar redelijk van doorspekt. En zoals te doen gewoonlijk gaven we de deelnemers de kans zichzelf zodanig over te geven aan de Geest dat Hij in hen kon gaan werken. En toen werd het stil. Bleef het stil. Na de afsluiting dacht ik: gaat het nu om het momentum aan mensen op te dringen, of werkt de Geest zoals Hij wil? Ik moest erkennen dat het laatste het geval is. Niet wij kunnen mensen dwingen of dringen zich aan de Geest over te geven. Dat doet Hijzelf!
Als wij relationeel willen werken zoals Jezus deed, moeten we leren om te stoppen te denken in van die speciale momenten. De Geest leidt mensen. Hij geeft ze ruimte om dicht bij ons te komen, het evangelie te horen, het aan te nemen en daarin verder te groeien. Maar laat dat een organisch proces zijn en geen menselijk spel waarin mensen een bepaalde richting op gemanipuleerd worden. God werkt toch wel door. Als wij het maar voorleven en vertellen.
woensdag 23 mei 2007
Waar word je blij van?
Met de krant zou ook een uitnodiging worden gedrukt om op 12 mei te kunnen langskomen bij een van de Pinksterkerken in de stad of regio. Mijn zoon ging op de bewuste dag helpen. Ze zouden gaan jammen met de muziekband en zo de bezoekers van een prettig achtergrondje voorzien. Thuisgekomen was er geen sprake van een hoeramoment. Er was op de middag zeggen en schrijven een persoon geweest. En die is al redelijk bekend met kerkelijk Arnhem.
Op dezelfde dag hadden we een Alphacursus met zeven vrouwen in Het Broek, een van de "probleemwijken" in Arnhem. We hadden deze vrouwen niet gevraagd naar onze "kerk" of "club" toe te komen. We hadden een paar leren kennen, doordat ze met vriendinnen meekwamen naar Villa Klarendal. Daar voelden ze zich thuis en bleven komen. Door omstandigheden lukte het niet meer te komen. Maar ze wilden wel graag een "Alphacursus-aan-huis" doen. We beginnen met samen eten en ons leven delen en daarna nemen we een hoofdstuk van de Alphacursus door.
Hier kan een hoeramoment op zijn plaats zijn. Want waar is het mogelijk zomaar zeven vrouwen uit niet-meer-zo-kerkelijke achtergrond samen te brengen rondom Gods Woord. Toch willen we er nuchter onder blijven. Als God het huis niet bouwt...
Twee manieren van werken. De een niet slechter dan de ander. Wellicht is de een meer gericht op de "oude manier" van werken: nodig mensen uit via de krant en ze komen wel naar je toe... De ander is onder mensen en nodigt ze uit om samen dingen te doen, waaronder het lezen van de bijbel... Bij de een leggen we veel geld op tafel om toch maar zoveel mogelijk mensen te bereiken, waardoor uiteindelijk... één goed bekend staande christen langskomt... Bij de ander kookt telkens een van de groep van eigen geld een maaltijd waar we allemaal van genieten...
Ik denk niet dat ik hoef uit te leggen waar ik blij van word...
zaterdag 19 mei 2007
Hoe kijken christenen naar hun ongelovige omgeving?
We hebben zo weinig contact met onze buren. Hoe komt dat toch? Waarom gaan onze buren niet mee naar de kerk? Waarom komt het dat christenen zo weinig effectief zijn in het bereiken van hun naaste buren? Hoe kijken christenen naar hun ongelovige omgeving?
Klik hier om mijn gedachten hierover te lezen
Klik hier om mijn gedachten hierover te lezen
Abonneren op:
Posts (Atom)