dinsdag 12 juli 2011

Column Friesch Dagblad 34: Beeld van een christen

Vandaag was ik in het huis van mijn zwager. De corporatie had nog een dag nodig voor de renovatie ervan. Dus sloeg ik twee vliegen in een klap: verder gaan met opruimen en de werkers ontvangen.

Ik was precies op de afgesproken tijd ter plekke, maar zag nog geen werker voor de deur. Daarom liep ik snel naar de onderbuurvrouw om te informeren naar de werkers. Ik stelde mij voor en zij begon direct haar verhaal te vertellen. Hoe jammer ze het vond wat er met mijn zwager was gebeurd. Hoe hij bijna als een kluizenaar op die tiende etage leefde. Hoe ze nauwelijks contact met hem had, behalve over het geluid dat hij tot diep in de nacht maakte door op schoenen met niet al te geluidloze hakken en zolen door het huis heen en weer te lopen. Hoe jammer ze het vond dat hij zich daar niets van aantrok. En dat hij verder geen contact zocht.

Hoe vervelend ze het vond om uit de mond van mijn schoonzus een verwijtend ‘o, u bent de klaagster van beneden’ te horen, terwijl zij het beste met hem voor had. Dat zij had getwijfeld om zijn deur al een dag na zijn vermissing in te laten trappen: dat zou toch inbreuk op zijn privacy zijn. Kortom, een echte Utrechtse met het hart op de tong en ook nog op de goede plaats.

Dit hele voorval gaf mij te denken. Zowel mijn zwager als mijn schoonzus belijden gelovig christen te zijn. Dat wist de buurvrouw waarschijnlijk niet. Wat voor beeld zou zij krijgen als zij dat wel wist? Het zou misschien een bevestiging zijn van het beeld dat veel mensen hebben van gelovigen.

Elke gelovige heeft een zwakke kant, waar hij niet graag mee te koop loopt. Excuseren we ons ervoor en zijn we er open over naar onze buren? Of verbloemen we het en leggen kritiek erover terug bij de ander onder het mom dat die ander lastig, vervelend, een klaagster is of, om het een geestelijk sausje te geven, deel is van onze geestelijke strijd.

Ik stond met mijn mond vol tanden. Stamelde wat. Leuk was het niet. Mijn familie heeft een onuitwisbaar beeld achtergelaten. Welk beeld laten wij achter als christenen? In onze eigen omgeving. Of op vakantie. Ik hoop dat mensen door ons worden aangetrokken. Niet omdat wij het zo goed doen.

Maar omdat er iets is in ons leven wat zij missen en waarnaar ze verlangen.

donderdag 16 juni 2011

Column Friesch Dagblad 33: Terug in de wijk

Vier weken weg uit onze wijk. Zo lang hebben we het de afgelopen twaalf jaar nooit mogen beleven. Van 30 april tot 29 mei waren mijn vrouw en ik op doorreis naar Indonesië. Het was spannend hoe de mensen met wie we in de wijk contact hebben hierop zouden reageren.

Gelukkig is alles meegevallen en blijken wij niet onmisbaar te zijn. Het werk ging door. Onze taken werden overgenomen door de andere teamleden. Goed, er waren momenten dat we even contact moesten hebben. We waren digitaal te bereiken. Dus konden we voicemails die op de telefoon van Villa Klarendal binnenkwamen doorsturen. En op die manier waren we een kwartier na het gebeuren op de hoogte van een binnenbrand in het wijkcentrum waar we heel veel activiteiten in houden.

Maar voor de rest was onze vakantie toch vooral een rustperiode. Veel dingen zien. Veel dingen beleven. Genieten van het andere en vooral het mooie van dat andere.

Aan alles komt een einde, dus ook aan onze vakantie. Zondagochtend 7.00 uur ’s morgens landden we op koud Schiphol. We vertrokken uit Indonesië met de warmte van 28 graden nog in ons lichaam. We kwamen aan op een vliegveld waar het buiten 8 graden was. De afgelopen weken hebben mijn neus en longen geprotesteerd tegen die onmenselijke koudeverschillen.

Kwart over tien waren we thuis. We besloten de wekelijkse Brunch en Viering van Villa Klarendal ditmaal over te slaan. Tweeëneenhalf uur later ging ik toch even naar de bekende plek toe om onze souvenirs uit te delen na afloop van de viering. Vreugde alom. Wat een directe gebedsverhoring, net na hun gebed voor onze veilige terugreis. Ik ging weer snel naar huis. Mijn oor nog dicht van de landing was nu aan het piepen van al het rumoer rondom mij.

De thuiskomst was ook de start van een nieuwe fase in ons leven. Mijn zwager kreeg tijdens onze vakantie een hersenbloeding en zit nu in een revalidatiecentrum. Wij zijn direct bij hem op bezoek gegaan en zijn gestart met het op- en uitruimen van zijn huis. Wij hebben met de familie afgesproken dat hij na de revalidatieperiode bij ons komt wonen.

De zomervakantie begint hier bijna en is voor ons al afgelopen. Terug in de wijk. In een nieuwe fase. Met frisse moed kunnen we die nieuwe periode ingaan.

Culturen in Nederland

Ik was net in Utrecht. Prachtig voorbeeld van de Nederlandse mix van culturen. Eten deden we even bij Charlie Chiu: goed Indonesisch eten in McDonalds outfit.
Naast mij zit een meisje te eten en te studeren. Tussen het eten door observeer ik. Lange blonde krullen. Nagellak. Grote bruine kijkers. Lastig te ontdekken wat de achtergrond van deze knappe dame is. Totdat ze in gesprek komt met een bekende. Ze spreken over vakantie. Ik vang iets op over Marokko en Ramadan. Letterlijk hoor ik de kennis herhalen dat het leuk is om nog net vijf dagen Ramadan mee te pakken tijdens de vakantie naar Marokko. Juist. Waar ik de dame caraibisch inschatte is dit wen moderne, hoofddoekloze Nederlandse van Marokkaanse afkomst. En waarom ik die hoofddoek er nu bij verzin zal wel te maken hebben met mijn eigen bril jegens die bevolkingsgroep.
Andere tafel naast mij. Totaal andere cultuur. Twee studentikoze types die ik zou indelen onder de noemer Nerd. De maaltijd komt, maar het stel gaat volledig op in het uitpakken van zojuist gekochte Magic kaarten. Ze zijn zichtbaar Nederlands maar spreken een totaal andere mix van Engels en onbegrijpelijke taal die te maken heeft met het spel waar ze in beland zijn.
Welkom in Nederland denk ik. Zit ik daar multiculti te eten omringd door dito mensen die ik ofwel niet versta ofwel volledig verkeerd beoordeel op grond van hun uiterlijk. Wat komt mij dat bekend voor.

zaterdag 11 juni 2011

We zijn er weer

Het was me het maandje wel. De hele maand mei heb ik samen met Aneta, mijn oudstr zoon, een broer en een zus van Aneta en een vriend van die zus Indonesie bezocht.
Een hele maand weg van het gewone gebeuren. Geen werk met maandagse avondwerk. Geen Villa Klarendal met doordeweekse en zondagse activiteiten. Alleen maar reizen, kijken, bezoeken, eten, drinken, praten en genieten. Het enige dat bleef was het bloggen. Een uitlaatklep op het moment dat mijn andere reisgenoten in onze persoonlijke bus sliepen. Niet gevolgd en nog eens nalezen? Http://rickinindonesia.blogspot.com.

Maar goed, aan alles komt een eind, dus ook aan deze enerverende tijd. We gaan sparen voor een terugkeer over viereneenhalf jaar. Vorige week was even een terugkomweek. Gelijk na terugkomst verkouden geworden. Twee dagen ons bezig gehouden met de oudste broer van Aneta die thuis was gebleven en gedurende onze vakantie een hersenbloeding had gekregen. Andere thuiskomst dan gewenst. Hij is rechts verlamd en momenteel in een revalidatiekliniek. We hebben samen besloten dat hij na deze periode bij ons thuis komt wonen. Een extra last, dat wel. Maar we geloven dat God ons ook hier kracht voor zal geven.

Deze week zijn we dan ook weer echt begonnen. Met werk, vrijwilligerswerk en de Villa. Tijdens onze reis is er ook brand geweest in het wijkcentrum. Dat heeft veel effect op ons Villawerk. De computerlessen, de Voedselbank, de
Landenkookgroep en de Brunch en Viering van de Villa zijn allemaal daar. Herverdelen dus. Brunch en viering tijdelijk terug bij de Villa. Voedselbank tijdelijk over naar de Villa. Landenkookgroep naar een ander wijkcentrum. En de computerlessen zijn tot de hernieuwde opening het wijkcentrum opgeschort.

Gek om weer terug in gewone doen te komen. Al snel kwamen de vaste mensen ons opzoeken. Anderen kwamen we op straat tegen. Toch weer wennen en tegelijkertijd blij om er weer te zijn. Alle nieuwtjes, mooi en moeilijk, horen. En vooral horen dat alles gewoon is doorgegaan. Hoera: God gaat door. Geweldig, we zijn niet onmisbaar. Ook al zeiden diverse mensen dat ze ons gemist hadden. We gaan er weer voor. Met frisse moed. En de zon nog tussen onze oren. Wachtend op de komende zomer.

Column Friesch Dagblad 32: in Indonesie

Deze maand ben ik op vakantie in Indonesië. Al reizend valt me wel het een en ander op. Een van die dingen is de plek die de kerk inneemt in het land. Kijkend naar de tijd die het christelijk geloof gekregen heeft om in het land te settelen is dat opvallend. De islam is ongeveer in dezelfde tijd aan (ei)land gekomen. Inmiddels wordt het land niet ten onrechte het grootste moslimland ter wereld genoemd. Het percentage christenen is ongeveer 10% van het totaal aantal inwoners. Niet zo slecht voor een moslimland, zou je zo zeggen, maar wel als je beseft dat dit land eigenlijk van oorsprong animistisch en hindoeïstisch was. Het land maakte pas tussen de 13e en 15e eeuw kennis met de islam. Uitgaande van het laatste is dat gelijk met de introductie van het christelijk geloof.

Waarom heeft de islam hier dan wel postgevat en het christelijk geloof niet? Ik ben maar een leek en geen deskundige op dit gebied. Ik lees dat het te maken kan hebben met het handelsbeleid dat de inmiddels islamitisch geworden leiders niet tegen de borst wilde stoten door zending te bedrijven. Het kan ook te maken hebben met de oude manier van zending bedrijven, waarin het kolonialisme en zending hand in hand gingen. Bij zending werd dan geen rekening gehouden met de volksaard, maar werd het christelijk geloof verpakt in westers-culturele uitingsvormen, zoals een stenen gebouw met kerktoren en een kerkklok.

Wat was er gebeurd als het evangelie was verkondigd door middel van Wayang Golek, vraag ik mij af tijdens het bekijken van een Wayangvoorstelling. Het evangelie uitgebeeld in de vorm van Wayangpoppen. We weten het niet, het is niet gebeurd en daarom blijft het gissen.

Met Villa Klarendal, in de culturele omgeving van de volksbuurt Klarendal, willen we met wat we hebben en doen iets laten zien van wat het christelijk geloof betekent. Ik ben hier te gast en kan noch wil een oordeel vellen over hoe het Indonesische christelijke geloof zich heeft ontwikkeld. Ik hoop en bid alleen dat de liefde van God ook hier door mijn geloofsgenoten zal worden uitgedragen.

Hoe moeilijk dat ook kan zijn in een door een ander geloof gedomineerd land.

Column Friesch Dagblad 31: het zondaarsgebed

Zomaar een ochtend bij een van onze activiteiten. Veel bezoekers en een aantal enthousiaste vrijwilligers. Een van die vrijwilligers komt in gesprek met een vaste bezoeker. Na verloop van tijd trekken ze zich terug in een kleiner kamertje. Enige tijd later gaat de deur weer open en stapt een zeer blije vrijwilliger uit het kamertje, gevolg door een sjokkende bezoeker.

Na afloop bij de evaluatie hoor ik het verhaal. Het was een mooi gesprek met deze bezoeker van buitenlandse komaf. De vrijwilliger leidde het gesprek naar de vraag of de bezoeker 'zijn leven aan Jezus wilde geven'. En dat wilde de bezoeker maar al te graag. Dus heeft hij het zondaarsgebed meegebeden. Halleluja! Er is een nieuwe broer bijgekomen. Wij moesten het enthousiasme enigszins temperen. Dit was de vierde of vijfde keer dat de bezoeker telkens door een andere vrijwilliger 'tot de Heer was geleid'.

Dit gefingeerde, maar op de waarheid gebaseerde, verhaal komen we regelmatig tegen in ons werk. Neem een enthousiaste, meestal evangelische, vrijwilliger en een bezoeker die gewillig is te praten en te bidden en er ontstaat een sfeer waarin de een met de ander gaat bidden. U begrijpt, wij zijn iets voorzichtiger geworden met het bidden voor mensen om tot het geloof te komen.

Het zondaarsgebed werd ingevoerd in een tijd waarin mensen nog massaal naar de kerk gingen en dito werden opgevoed. Kerkgaan was de norm, niet-kerkgaan was de uitzondering. Iedereen wist waarover je sprak als iemand het had over zonde en schuld. In die tijd ontstond dit standaardgebed waarin mensen uitspreken dat zij spijt hebben van hun zonden, zich willen overgeven aan Jezus en vanaf nu een nieuw leven willen leiden. Een prachtig hulpmiddel waardoor in de loop van de jaren veel mensen het geloof in Jezus hebben gevonden.

Het gebed is verworden tot een formulier. Tot een hulpmiddel om iemand over de streep te trekken. Tot geloof komen, daar moeten we mensen naar toe trekken. Er worden indrukwekkende preken gegeven. Aan het einde wordt een oproep gedaan om naar voren te komen. De spreker spreekt met de mensen die naar voren zijn gekomen het zondaarsgebed uit. En voilà, in de volgende rondzendbrief van de spreker staat dat die zondag zoveel mensen als naar voren zijn gekomen tot het geloof zijn gekomen. Wat geweldig. Zoveel mensen. God is aan het werk. Het formulier gebruikt als een graadmeter voor eigen succes. Hoe meer mensen tot geloof komen, hoe beter.

Het standaardgebed uit de 19e eeuw kent een instant-gedachte: als je nu maar dit doet, dan lukt het wel. De mens teruggebracht tot een automaat waar je geld in stopt, waarna er uitkomt wat je zo graag wilt hebben. Mensen zijn niet instant, is mijn ervaring. Iedereen heeft in zijn leven zijn eigen ervaringen gehad. Geen enkel leven is hetzelfde. Net zoals elk mens volledig uniek is.

Geloven is een proces. Waarin God met een mens bezig is. De een staat aan het begin van die weg. De ander is al een aardig eindje op weg. In dat proces tussen God en een individueel persoon worden mensen gebruikt om die persoon dingen te leren. Mensen bijstaan op de weg die zij wandelen met God. Dat zie ik als mijn taak in deze tijd. Dat is een andere benadering dan die ander een formulier te laten uitspreken. Oog hebben voor dat proces leert mij ook om mezelf te zien als klein radertje in het grote geheel dat God wil doen in het leven van een persoon. Er komen veel verschillende mensen op ons pad. Die allemaal op hun manier Godzoekend zijn. De een ver weg, de ander dichtbij. Toch komen ze wekelijks bij ons. Omdat het gezellig is. Maar ook om meer over God te leren kennen. “Moeten we niet meer evangeliseren”, is mij wel eens door andere christenen uit ons team gevraagd. Uiteraard vanuit het wereldbeeld van het formulier. “Dat gebeurt al”, was mijn antwoord. We hebben veel contact met deze mensen. Komen ze op straat tegen, bij een doordeweekse activiteit en op zondag. Door met hen ons leven te delen, zien ze wat het betekent om christen te zijn. En gaan ze daar wellicht ook zelf naar verlangen. En tegelijkertijd komen ze met hun dagelijkse vragen bij ons. Waar wij een antwoord op mogen geven, vanuit onze eigen overtuiging. Maar wel met respect voor het pad dat die persoon aan het lopen is.

Soms past zo'n manier van leren geloven bij onze gedachten over hoe iemand tot het geloof moet komen. Iemand kan op dit moment in een new age sfeer zitten. Of nog verstokt katholiek zijn. Wij hebben dan de neiging om die ander te vertellen dat dit niet goed is. Bij ons komen mensen uit beide achtergronden. Sommigen zitten er nog diep in. Anderen beginnen een andere richting op te lopen. Niet veroordelen, maar naast de ander staan. Dat is onze werkwijze. Langzamerhand laat God zien aan die persoon wat hij of zij moet doen.

Samen op weg gaan. Dat is iets anders dan zomaar in het wilde weg het zondaarsgebed met iemand bidden. Het gaat uit van relatie. Het gaat uit van respect voor de ander. Waarbij we de waarheid niet vergeten te vertellen. Maar waarbij we de keuze wat daarmee te doen bij die ander laten.

zondag 24 april 2011

Rick in Indonesia

Nog zes dagen en dan is het zover. Tussen 30 april en 29 mei ga ik een maand op reis naar Indonesie.

Ik zal er het een en ander over schrijven. Volg het op http://Rickinindonesia.blogspot.com.

Missionair of theologisch

Afgelopen donderdag keken wij net als een miljoen andere Nederlanders naar The Passion. Het lijdensverhaal in een modern nederlands jasje met dito artiesten.

We bekeken het met onze tweewekelijkse huisgroep. Prachtig spel, prachtige songs. Maar na afloop keken we elkaar aan en zeiden 'is dit nu alles? Missen we niet wat belangrijke elementen?

Een dag later keken we met wat meer mensen uit Villa Klarendal de Nederlandse vertaling van de film Jesus. Tussendoor spraken we over The Passion. De meesten vonden het een hele mooie vertolking van het lijdensverhaal. Inclusief die liederen die zo meezingbaar waren.

Het zette me weer aan het nadenken. Welke bril zet ik op bij het kijken naar een programma. Theologisch gezien niet geheel zuiver. Missionair gezien zeer aansprekelijk.

donderdag 24 maart 2011

Column Friesch Dagblad 30: Wijk 2.0

Een beetje lezer komt het de laatste tijd tegen. De ambtenaar die nieuw moet werken en al het oude moet afleggen. De school die niet meer ouderwets in de schoolbanken moet zitten met schoolboeken waaruit nog gelezen wordt en schriften waarin nog geschreven wordt. Het werk dat op een andere manier moet worden ingericht aan de normen van de huidige eenentwintigste eeuw. De overheid moet het totaal anders aanpakken en veranderen. Weg met het oude. Op naar het nieuwe. Op naar de toekomst. Op naar 2.0.

Het idealisme van 2010. Alles over naar web 2.0. Weg met oude wegen en structuren. Weg met oude relatievormen. Laat alles nieuw zijn. Laat alles anders zijn. Laat het 2.0 zijn. Het nieuwe leven verbindt mensen langs lijnen van de techniek. Ging het vroeger nog om kennis delen, nu gaat het om relaties. Sociale netwerken. Sociale media. Niet meer het eenrichtingsverkeer van oude media als tv en radio. Op naar de interactiviteit van het nieuwe.

Nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden. Ons ideaal van gelijkheid ingeleid door de kansen van de techniek. Als iedereen toegang heeft tot het web, kan iedereen op gelijke wijze daar gebruik van maken. Nu is het de tijd. Facebook, Hyves. Twitter of Yammer. Ze zorgen voor een nieuw elan dat degenen die ermee werken dolenthousiast maakt. Allerlei toepassingen worden naast elkaar gebruikt om het ons maar zo makkelijk mogelijk te maken. De echte man of vrouw die 2.0 is, is te herkennen aan het smartphoontje dat bijna constant in de hand is en waar constant mee wordt getypt. Niet meer aan het oor, maar aan het scherm.

Alles wordt nieuw. Een bijna utopisch vooruitzicht. Er komt een betere tijd. Die is 2.0. Daar moeten we vooral aan meedoen. Eenzaamheid opgelost. Iedereen achter de interactieve tv waar men de ander kan ontmoeten. Een prachtig voorbeeld zag ik in een zorgprogramma. De verpleegster in het verpleeghuis komt niet meer langs, maar zit in de een studio, waar ze contact onderhoudt met de cliënt. De cliënt heeft een vraag, zet de tv aan op een bepaald kanaal en heeft direct contact met de verpleegster. Met een beweegbare camera kan zij de situatie verkennen en zien hoe de patiënt er bij zit of ligt. Prachtige kansen in een nieuwe tijd.

Ook voor werken in de wijk zijn er nieuwe 2.0 kansen. Glasvezel in de hele wijk en iedereen kan met iedereen contacten. Iedereen zijn eigen website. Hyves gebruiken om met elkaar in contact te komen en zo de sociale cohesie te verbeteren. Een nieuwe manier van leven waarbij je onafhankelijk van tijd of plaats met elkaar in contact bent.

Ik ben er lange tijd enthousiast over geweest. Maar de laatste tijd zie ik ook andere kanten. Wie in een wijk woont en werkt, maakt er van alles mee. Zeker als het om een volksbuurt gaat. Wat drijft mensen om met ons in contact te komen, vroegen wat studenten aan mensen in onze wijk. De wijkbewoners die ons kenden spraken over gezelligheid, warmte en als persoon gerespecteerd worden. Onlangs had ik een eindevaluatie van een stagiaire. Wat hem was opgevallen, was de vraag. Vooral dat er ruimte en respect is. Er wordt gezegd dat je niet hoeft te geloven. En dat wordt in de praktijk gebracht. Dat werd ook bevestigd door een regelmatige bezoeker. Dat spreekt blijkbaar aan. Dat mensen zich gewaardeerd voelen voor wie ze op dat moment zijn. Kan dat ook met moderne middelen? Voor een deel wel. Je kunt uit wat je schrijft, blogt of chat duidelijk maken dat je de ander waardeert.

Maar er is een menselijk aspect dat computers niet kunnen vervangen. Warmte en intimiteit. Een knipoog, een glimlach, een klop op de schouder of een knuffel (een hug). Geen emoticon kan het gevoel daarvan vervangen.

2.0 zal er komen. Als hulpmiddel voor het sociale leven. Techniek kan de sociale verbanden niet vervangen. Anders wordt het uit het scherm, uit het hart.

donderdag 24 februari 2011

Column Friesch Dagblad 29: Waar doe ik het voor?

Waar doe ik het voor?
 
Vrijdagavond tien voor acht loop ik mijn huis uit. Ik neem het boodschappenwagentje mee van de grootgrutter dat bij mijn buurvrouw staat. Met kar en al loop ik richting de supermarkt. Ondertussen kom ik wat mensen tegen die me meewarig dan wel verbaasd aankijken. Bij de supermarkt hoor ik de cassiere aankondigen dat de zaak gaat sluiten. Ik plaats de kar bij het overgebleven brood. De brooddame knikt dat ik het brood kan overhevelen naar mijn kar. Elke week is de lading weer anders. Ditmaal een volledig volle kar. Met die kar vol loop ik al slingerend door de straten. Hij wil niet altijd doen wat ik wil, waardoor ik behoorlijk moet bijsturen. Zo kom ik bij de plaats waar ik een deel van het brood aflever. Voor de zondag is ons kostje gekocht (of beter gezegd: ontvangen). Het brood voor de brunch is binnen. De rest wordt verdeeld onder bekenden in de wijk. Prachtige momenten met zo’n volle kar. Maar er zijn van die momenten dat het anders is. Als er zoals in december volop sneeuw ligt en de kar met geen mogelijkheid door de sneeuw en gladheid komt. Als de ophaaldienst gelijk loopt met de finale van al die talentenshows die de afgelopen vijfeneenhalf jaar het licht zagen aanbreekt. Als het grote pijpenstelen regent en ikzelf met het brood behoorlijk nat regen. Op dat soort momenten schiet er een zinnetje door mijn hoofd: “Waar doe ik het voor?”
 
Eens in de zoveel weken sta ik in de keuken van Villa Klarendal. Dan is het mijn beurt voor het praktisch werk. ’s Ochtends om kwart voor tien paraat om samen de ochtend te beginnen. Daarna is het aanpoten om alles gereed te krijgen. Tafels sjouwen. Borden en bestek plaatsen. Brood klaarzetten. Beleg uit de (koel)kast halen en op tafel zetten. Koffie en thee zetten. De zaal inrichten voor de viering. Meestal is het werk stipt om elf uur klaar en zijn de bezoekers inmiddels al binnengestroomd. De gastheer verwelkomt de gasten, vertelt wie de praktische mensen zijn en gaat voor in een maaltijdgebed. Iedereen valt aan op het lekkers dat op tafel staat. Ik haal de pan eieren die inmiddels al lang zijn gekookt van het vuur en deel ze stuk voor stuk uit. Over het algemeen tevredenheid. Maar na verloop van tijd wil de ene tafel graag wat meer brood. De andere tafel heeft te weinig kaas (wat wil je als je dat driedubbeldik op je boterham doet). Van de honger gaat men over op de dorst, dus is het ook bijschenken zodat men ook van het natje is voorzien (wat gelukkig in ons nieuwe gebouw selfsevice is geworden). Dan volgt de tijd van de afruiming. De borden wordt gestapeld. Ik sta in de spoelkeuken om de vele borden en het bestek te herplaatsen in de bakken voor de afwasmachine. De eerste bak gaat in de machine en terwijl die zijn noodzakelijke werk doet, gaat de volgende lading in de volgende bak. Gelukkig is de machine zo heet dat het na afloop van de afwas twee minuten wachten is voordat de borden en het bestek al weer droog kunnen worden teruggeplaatst. Ik sta daar samen met een ander te zwoegen. Er lopen mensen langs die wat minder van het werken zijn. Ze maken een ‘lollige’ opmerking. Of ik wel even oppas met die lading borden. Op dat soort momenten schiet het even door me heen: “Waar doe ik het voor?”
 
Het is zo’n mooi zinnetje waar je zoveel mee zegt. Je hele doen en laten wordt er even door stil gezet. Alles gerelativeerd waar je mee bezig bent. Het zinnetje dat door je heen schiet als je na een hele avond kijken om elf uur de presentatoren van The Voice of Holland hoort afkondigen dat het weer een geweldige avond was en tot volgende week. Het is het gevoel van de man die op mijn sportschool na afloop van de zware krachttraining nog even voor de spiegel staat uit te hijgen om te zien of er al iets aan spieren is aangegroeid. Het is ook voor mijzelf op die sportschool de gedachte die door mij heen gaat als ik na zware weken weer eens op de weegschaal ga staan om te concluderen dat er niets is veranderd.
 
De relativering maakt soms plaats voor bemoediging. Een vrouw die naar me toe komt om te laten weten hoe zeer ze het waardeert dat ze wekelijks dat brood in handen krijgt. De buurman die laat weten hoe blij hij is met mijn aanwezigheid als ik weer een tijdje bij hem langs ben geweest. De vrouw die na een avond praten over de bijbel zegt te genieten van deze avond. Hoezeer God haar die avond heeft aangeraakt.
 
Als het me zo aanvliegt denk dan aan onze Grote Herder hangend aan het kruis. Hij hoorde zeker het zinnetje in zijn hoofd toen hij bespot en beschimpt werd. Maar hij ging onvermoeibaar door. Hij had momenten waarop het duister werd om hem heen. Hij liet zich niet van de wijs brengen. Die leidsman wil ik volgen. Ja, daar doe ik het voor!

maandag 31 januari 2011

Column Friesch Dagblad 28: Ik ben zo arm...

Een vrouw komt met een zielig gezicht bij ons binnen. Wekelijks krijgen we van de plaatselijke bakker het brood dat over is van de afgelopen dag. We mogen dat uitdelen aan mensen die het wat minder hebben in onze wijk. Daarvoor gebruiken we de “Arnhem Card” als richtsnoer: een kaart die iedereen krijgt leeft van een inkomen op het minimumniveau.

Mensen proberen het maar wat graag. Uitproberen in hoeverre wij kunnen worden verleid tot het geven van brood. Het zielige gezicht. Een brekende stem. Een reactie in het Nederlands die erop wijst dat mevrouw in het geheel geen Nederlands spreekt of verstaat. Ons zo benaderen dat we ons bijna schuldig voelen als we haar niets geven.

Gelukkig hebben we wat vrijwilligers die bekend zijn met de persoon in kwestie. En die ook nog van dezelfde afkomst zijn. ‘Ik schaam me voor je’ zegt een van hen tegen deze vrouw. In de woordenvloed die volgt blijkt dat mevrouw wel degelijk bijna vloeiend onze landstaal spreekt, dat ze een goed inkomen heeft en daarom het brood absoluut niet nodig heeft. 'Weet je wel…', zo vervolgt de vrijwilliger haar preek in het Nederlands, ‘dat deze mensen hun vrije tijd opofferen voor mensen die heel weinig geld hebben. Dat ze dat belangeloos doen. En jij maakt daar misbruik van! Zij laten hun geloof spreken in daden. Jij bent geen voorbeeld daarin!’ Beschaamd verdwijnt de vrouw het gebouw uit.

Helaas is dit geen uitzondering in ons werk. Dat geeft ons te denken. Hoe ga je daar nou mee om? Er zijn partijen in den lande die het wel weten. Scheer ze over een kam. De fout van de een is het probleem van ieder ander. Het bewijs dat die hele groep onbetrouwbaar is. Als je een stel mensen uit dezelfde cultuurgroep hetzelfde ziet doen, ben je geneigd het te gaan geloven. Denk aan de uitspraak van die voormalig wethouder over de Marokkaanse jongens. Zet er een woord voor en ze zijn gestigmatiseerd. Gedemoniseerd zouden anderen zeggen.

Wij kiezen er niet voor om op die manier mensen te benaderen. Alhoewel het wel verleidelijk is. We zien steeds vaker dat mensen van allerlei komaf bij ons komen. Om allerlei redenen. Ze zijn eenzaam. Ze zijn op zoek naar warmte. Willen aanspraak hebben. Zoeken naar hoop in dit leven. Ze mogen bij ons komen. Wij benaderen hen niet als de tegenstander, maar als mens. Wij willen dat mensen bij ons weer tot zichzelf komen. Dat we hen accepteren betekent niet, dat we alles zomaar toestaan. We willen de mensen nemen zoals ze zijn, maar de verkeerde kanten (zonde zo je wilt) daarvan niet accepteren.

Dan kom je soms toch tot veralgemenisering van groepen. Want ik constateer wel op dat de ene cultuurgroep is gevoeliger voor de ene zonde, de andere voor een andere. Dat wordt interessant als die groepen bij elkaar komen. Wie is opgevoed in een cultuur die zuinigheid voor alles plaatst, ziet met lede ogen aan dat mensen de helft van hun eten weggooien. Met hetzelfde gemak wordt vervolgens een heel roddelcircuit opgezet over degene die dat doet. Een spiegel voorhouden aan degene die uit een roddelgevoelige cultuur komt doet pijn. En wordt niet altijd begrepen. Want die verspilling is toch een grotere fout dan over anderen praten?

Is dat het misschien waarom Paulus regelmatig tegen de lezers van zijn brieven vraagt om elkaar te verdragen? Niet erop los meppen met de hand of met de mond. Naast elkaar staan en proberen elkaar te begrijpen. En als dat niet helemaal lukt, komt dat andere moeilijke woord om de hoek kijken. Dan komt het aan op elkaar vergeven. Dat willen we nog wel doen met die mensen die ons makkelijk liggen. Maar de mensen die ons dwars zitten, daar gaan we liever een blokje voor om. Liever praten over dan praten met die persoon.

Als we in echt contact komen met de ander, is dit de uitdaging. Begrijpen doen we elkaar waarschijnlijk nooit ten volle. Maar dat geldt ook voor mensen die uit dezelfde cultuur komen. Samen leven is elkaar accepteren. De meerderheid die de minderheid liefheeft. En omgekeerd. Dat is andere taal dan de huidige sfeer in de samenleving. Niet alleen een geregelde samenleving, maar ook een met een hart erin. Zodat iedereen die hier woont tot zijn recht komt.

Suc6

Ik ben het deze dagen een aantal keren tegengekomen. Daar moet ik toch een keer iets over schrijven.

Ik las een artikel over de verhouding van succes en vrucht dragen. Wij leven in een samenleving die gericht is op succes. Pas als jij in staat bent tot grootse dingen, ben je iets en heb je het gemaakt. Dat soort verhalen haalt de voorpagina en krijgt een lintje. Dat zijn onze helden.

Vrucht dragen is heel anders. Dat heb je zelf niet geheel in de hand. Goed, in geval van een 'menselijke vrucht' gaat er iets lekkers aan vooraf en heb je er een zekere hand in (en toch vooral wat andere lichaamsdelen waar we over het algemeen maar onterecht wat lacherig en schaamtevol mee omgaan). Maar goed, hoe de vrucht dan groeit, hoe het er uitziet, welke vorm het heeft, het is allemaal niet erg maakbaar. Vruchtbaarheid gaat wel om bereid te zijn jezelf te geven. Die vrucht is niet maakbaar. Die is niet te plannen. Er is geen methode om de beste vrucht voort tr brengen. Behalve (en dat geldt dan weer in de plantenwereld) die van het snoeien en soms kort houden. Dat soort leven is niet zo populair en leidt zeker niet tot het bordes bij de koningin.

Succes komt snel op. Het is er ineens. Sommigen krijgen het succes in de schoot geworpen. Dat heeft niets met duurzaamheid te maken. Dat soort succesnummers zijn van korte duur. Eendagsvliegen in de muziek. X-factor, Idols of Popstar sterretjes die opkomen en met dezelfde vaart weer terugvliegen naar de onbekendheid. Ze hebben er soms een tweede talentenjacht voor nodig om weer in de picture terecht te komen, zoals onlangs gebeurde met Rafaella, Dewi en Sharon Kips. Wie opkomt vanuit een duurzame achtergrond maakt het en is blijvend. Zoals de jarenlange opbouw waar de talentenjacht de doorbraak gaf die blijvend was in het leven van Marco Borsato, René Froger en Hind. Met dat besef zullen de nieuwbakken winnaars van de laatste talentenshows, Ben en Dean Saunders, een langer leven beschoren zijn.

Succes wordt vaak gerelateerd aan dito methodes. Wie in de wereld van de subsidies terecht komt, wordt overspoeld door methodes die hun werking hebben gehad. Ze zijn succesvol en worden ook verkocht. Het had succes in Enschede. Probeer het ook uit in Middelburg.
Weer een artikel dat ik vandaag las constateerde dat evangelischen zijn verwereldlijkt. Het gaat om succes, grote getallen, de beste zijn en natuurlijk: de methodes. Wie in een werelddeel succes heeft met een bepaalde manier van werken, kan de rest van zijn leven slijten aan het verkopen van zijn methode all over the world totdat de hype van de nieuwe methode zich aandient.

Afgelopen vrijdag had ik een gesprek met een stel christenen die wilde leren van wat wij hadden meegemaakt. Zij stonden nog aan het begin, wij waren al veel verder. Wat voor advies kon ik hen geven. De kern van mijn verhaal is dat er geen succesformule bestaat. Ga je Gods werk vangen in een technische methode, dan is het maar de vraag of dat de zegen van God bevordert of tegenhoudt. Wij hebben ons bereid verklaard ons aan God te geven. Wij hebben geprobeerd te luisteren naar zijn stem. Wij zijn bereid geweest om de lange tijd van bevruchting en bevalling mee te maken. Dus als er al een methode is, is het die van de lange adem, de pijn van de bevalling, de moeite van de opvoeding, de blijdschap van de langzame loskoppeling en volwassenwording. Niet een methode in afgemeten Amerikaanse 10-stappenplannen tot succes. Geen kortdurende succesvolle groeiversnellers die zo snel gaan dat we er aan kapot gaan. Geen eendagsvliegen die snel opkomen en weer omlaag duikelen. Geen nadruk op cijfers en aantallen. Samenleven uit liefde voor God en mensen. Om Hem en die mensen te dienen. Niet meer en niet minder dan dat. En als er dan 'succes' komt, die ook weer teruggeven waar die hoort. Bij Degene die het alles is begonnen. Hem de eer te geven, niet onze eigen inbreng.

Ik geloof dat we dan tot onze bestemming komen. Dat is zoveel belangrijker dan het kortdurende succes. Kijk maar naar alle succesnummers in de muziekwereld, de politiek of de zakenwereld. Op een gegeven moment is hun 'momentum' voorbij. Balkenende ging via de achterdeur. Wat waren die Backstreet Boys? Hoezo Bill Gates, geef mij maar een Appletje voor de dorst (liefst in de vorm van die lekkere IPad). Wie succes nastreeft, zal na verloop van tijd zijn tijd hebben gehad. Wie God navolgt en verlangt vrucht te dragen komt tot zijn doel. En kan na verloop van tijd zijn leven weer op een andere plek voortzetten.

Weinig succes? Nou en...! Zo lang je verlangt God te dienen, kom je tot je doel. Dat is niet afhankelijk van geld (ook al verklaren mensen mij voor gek dat ik mijn talenten niet heb 'vermarkt', maar vooral inzet voor niet-rijk-makend-vrijwilligerswerk), een mooi huis (ik kan je zeggen: je kunt gelukkig zijn in een eenvoudig huurhuis), of een goede carrière (ooit wel eens afgevraagd welke carrière God voor jou heeft weggelegd?).

Ik hoop dat jij tot jouw doel komt!

zondag 16 januari 2011

Ik blog dus ik ben - hij blogt niet meer dus...

Dat zou je toch bijna denken als je mijn blog van de laatste maanden leest. Ik kan de lezer gerust stellen. Er is nog leven in Klarendal. En hoe!

Een paar maanden geleden liep onze brunch en viering helemaal vol. Er kon ook werkelijk niemand meer bij. Als haringen zaten we in een vat. We hoorden van mensen die graag wilden komen, maar niet durfden of konden vanwege de drukte of de overkill aan geluid. Enthousiast pratende mensen. Huilende kinderen. En dat in een gebouw met een geweldige akoestiek.

We hadden er in september in onze nieuwsbrief nog gebed voor gevraagd. God geef ons een gebouw hiervoor. Waar we ruimte krijgen om te groeien en tot rust te komen. Toen diverse mensen gebedsverhoringen kregen en daar heel enthousiast over waren, herhaalden we het in onze eigen brunch en viering. Laten we bidden voor een ander gebouw op zondag.

Het kan verkeren. In tijd van twee weken was daar een nieuw gebouw. Wat wij absoluut niet hadden verwacht. Ik sprak met de beheerder van ons wijkcentrum (waar wijzelf heel vaak komen). Vertelde tussen neus en lippen door van onze problemen op zondag. Dat is toch geen probleem, antwoordde hij. Dan kom je gewoon hier. Dat was niet tegen dovemansoren gesproken. We maakten een contract, spraken het door met ons team en op 5 december (wat een geschenk!) zaten we in het wijkcentrum. De kleine zaal werd vervangen door drie zalen. Een voor brunch en volwassen-viering. Een voor de crèche. En een voor de nieuw in het leven geroepen kinderbijbelclub.

Wat zal het brengen? Komen de mensen wel? Een gevoel van ruim vijf jaar geleden maakte zich van ons meester. En keken uit naar de bezoekers. En of ze kwamen. Sowieso al een hele nieuwe groep kinderen die we al wel op woensdag in de eetclub tegenkwamen, kwam met z'n allen buurten. En zijn sindsdien niet meer weggeweest. En meer mensen uit onze doordeweekse buurtactiviteiten zat klaar om de overgang te vieren. De week daarop keken we helemaal onze ogen uit. Onze gewillige ogen telden dat er zestig mensen aan tafel zaten! Wauw! Geweldig! Waar gaat dat heen?

Dat gevoel begon ons te versterken toen we traditioneel alweer voor het vijfde jaar kestpakketten mochten uitdelen. Iedereen enthousiast. Wat mooi dat we dit deden. Iedereen werd voor de kerstviering uitgenodigd. De gretige ogen van sommige teamleden zagen in hun droom al een kerstviering van 100 tot 120 mensen. Daar moest aan gewerkt worden. De grote zaal waar de kinderen normaal zaten ingericht tot kerstversierde zaal. De eetzaal met voldoende stoelen voor in ieder geval 60 personen. want door de ervaring wijs geworden probeerden mijn vrouw en ik het verwachtingspatroon wat te temperen toen we op kerstavond die zaal inrichtten.

We kwamen met zijn allen weer met de voeten op de grond toen de kerstviering zo'n veertig mensen trok. We hadden ons iets meer rijk gerekend met al die mensen die al eens binnen waren geweest (en die vooral zouden komen) en al die anderen die onder invloed van het rijke kerstpakketten hadden toegezegd te zullen komen. Toch veel mensen die nooit in die andere kleine zaal hadden gepast. Maar terug bij af bij die prachtige getallen van een paar weken eerder.

Een prachtig nieuw gebouw. Geen probleem meer om mensen uit te leggen waar het is. Mensen die in de wacht zaten, kwamen weer. De kinderclub weer van start. Een afwasmachine die na 2 minuten in plaats van 2 uur klaar is. Bezoekers die zichtbaar genieten van de rust die de ruimte met zich mee brengt.

Zegeningen die we in het licht van de getallen al snel vergeten waren. Let vooral op die kleine dingen heet het dan. Absoluut. Want denk je dat wij het erom doen als ik spontaan met de beheerder sprak? Natuurlijk niet. En zijn reactie 'voor jullie wil ik dit wel doen, jullie doen zoveel voor de wijk' kwam ook spontaan. Dan word je stil. Want daar deden we het niet voor, om die erkenning te krijgen. Maar als die erkenning dergelijke gevolgen heeft, kan ik daar alleen maar stil en blij van worden.

Ja, daar word ik stil van. En door de drukte van die afgelopen tijd is die stilte doorgedrongen op het web. Niet omdat ik niet meer leef, of dat Villa Klarendal op sterven na dood is. We leven. God dank! En als er dan zoveel gebeurt onder de hand van een kleiner team met vrijwilligers om ons te ondersteunen, kan dat wel eens stilte op een ander niveau tot gevolg hebben. Het woord uit de mond van Jezus wordt waarheid in Klarendal: de oogst is groot! Bidt u met ons voor meer arbeiders?

zaterdag 1 januari 2011

Oud en nieuw in de wijk

Het was weer een ouderwetse oudejaarsavond. Voor het eerst in enkele jaren verbleven we weer thuis, omringd door vier van onze vijf kinderen. Natuurlijk doen wij dat anders dan anderen. Daar ben je pionier voor. Dus geen oliebollen of appelflappen, maar wel lekkere andere hapjes. Onze zoons namen twee vrienden mee.

We hadden wat mensen uitgenodigd, maar die kwamen niet vanwege de gladheid. Maakt niet uit. Gezelligheid hangt niet af van het aantal mensen dat er is. Twaalf uur. Even kussen en gelijk naar buiten. Onze zoons hadden vuurwerk gekocht. De honderdvijftigduizendklapper was een klapper. Hij bleef maar doorgaan. Halfeen was de tijd voor het mooiste vuurwerk. Een kwartier lang kijken naar mooie stralen en dito knallers.

Een halfuur later, nadat veel knallers en siervuurwerk de lucht in waren gegaan en zelfs de brandweer eraan te pas moest komen wegens een auto die uitbrandde, werd er aangebeld. Twee meisjes stonden aan de deur. Ze liepen enigszins waggelend van iets teveel ingenomen flesjes bier en wodka naar binnen. Twee meisjes uit de tijd dat onze kinderen nog echt kind waren. Een van hen woonde in onze buurt en samen met haar zus speelde ze vroeger veel met onze kinderen. Na enkele jaren scheidden haar ouders. Haar moeder ging wonen bij haar nieuwe vriendin waar ze later mee trouwde. En nam de kinderen mee, de vader werd alleen achter gelaten. We verloren ze een beetje uit het oog. De laatste tijd zien we de oudste zus weer wat vaker op straat, als ze met man en dochter bij haar vader of opa en oma op bezoek gaat.

De twee zouden maar even blijven. Ze waren komen lopen vanuit de meest ver weg liggende wijk in het noorden van Arnhem. Drie uur waren ze uiteindelijk onderweg geweest. Nu gingen ze even bij bekenden langs, nadat ze een tijd bij opa en oma waren geweest. Het even werden al snel drie uurtjes. Het was ook zo gezellig. De cola in plaats van weer een slok alcohol deed ook wel wat. En in het lijf dat op de dag te weinig had gegeten en teveel had gedronken deden de klaarstaande snacks en kipvleugeltjes hun noodzakelijke ontnuchterende werk. De meest bekende van de twee zei tussen neus en lippen door dat zij vergeten was hoe gezellig en warm het hier was. Om vervolgens weer door te praten over alles wat haar bezig hield. Af en toe vallend over haar woorden door een welbekende oorzaak.

Telefoonnummers werden met de kinderen uitgewisseld. Want ze moesten maar eens met hen meeegaan als ze gingen stappen. En het zou zo leuk zijn om weer eens vaker langs te komen. Geen probleem, de deur staat altijd voor ze open. Op een onverklaarbare manier begon de ander over een kruisje dat zij om haar nek had hangen. Dat was de Here Jezus waar ze zo zielsveel van hield. Prachtig. We gingen er niet verder op in. We voelden aan dat het daar niet de tijd voor was. Maar onthouden doen we het wel. Wie weet houden ze zich aan hun belofte en komen ze weer vaker langs.

Kijk, zo eindigde ook deze oud en nieuw op de ons welbekende manier. Altijd bereid rekening te geven van de hoop die in ons is. Altijd bereid om een op het bot koud lichaam warmte te bieden. Altijd bereid te luisteren naar nieuwe wegen die God ons biedt. Ik zwaaide ze uit. Waarschuwde ze voor de gladheid. Waggelend vervolgden ze hun weg. Op weg naar huis. Op weg naar het bed waar ze deze nachten samen in sliepen (maar we zijn niet....) om hun roes uit te slapen. Ik hoop dat het ze goed gaat.

woensdag 29 december 2010

Column Friesch Dagblad 27: Kerst in de wijk

Al snel na Sinterklaas werd het zichtbaar. Huizen die versierd werden met lampjes. Kaarsen voor de ramen. Kerstmannen, arresleeën of andere verlichte of gekleurde pracht en praal in de tuin. Het was weer aanstaande. De tijd van Kerst was aangebroken.
Het leven is koud. Alles speelt zich af achter de warmte van de huizen waarin wijkbewoners zich verkneukelen in gezelligheid rondom een boom en wat verlichting.

Iedereen is al bezig geweest met de voorbereidingen. Ook bij Villa Klarendal hadden we de prettige last van de Kerst. Wij krijgen jaarlijks kerstpakketten die we mogen uitdelen aan mensen in onze wijk. Dus was onze eerste activiteit direct na Kerst het binnensjouwen van grote en kleine pakketten. Daarna ging het in rap tempo. Bekijken welke mensen we een pakket geven. Lijsten samenstellen met al die mensen. Kijken of er geen dubbelingen in voor komen. Mooie kaartjes maken met informatie over wat we doen en een uitnodiging voor de kerstviering.

De dinsdag en woensdag voor Kerst was gereserveerd voor de ophaalservice. Ons hele gebouw werd grondig in kerstsferen gebracht. Tafels werden aangekleed met gezellige kleedjes die verwezen naar het mooie feest. Kaarsen op tafel, zodat de felle lampen de sfeer niet zouden bederven. Lekkers op tafels dat je alleen met Kerst op tafel zet. Chocolademelk schenken waar we normaal limonade uitgeven. Mensen kwamen binnen. De een bleef twee, drie uur zitten om zijn of haar levensverhaal te vertellen. De ander verlangde in de kou zo naar zijn thuis dat ’ie snel het pakket ophaalde en weer wegging.

In twee dagen werden op die manier 199 pakketten weggewerkt. Allemaal richting mensen die wel iets meer konden gebruiken in deze tijd (en ook in de tijd daarna natuurlijk, maar daarvoor worden -met uitzondering van de voedselbank - nu eenmaal geen pakketten geleverd). Wat een verschil in reacties ook. De een blij verrast en overdonderd door het geheel, wat in alle vormen werd uitgedrukt. De ander met uitspraken als ‘het wordt ook steeds minder’, ‘mag ik twee pakketten in plaats van een’ en non-verbaal uitdrukkend dat zij hij toch wat minder vond. De dankbaarheid en tevredenheid van de een en de hebberigheid en ontevredenheid van de ander.

Met dit soort dagen en bij dit soort gelegenheden komen we de ware mens tegen. Hoezeer je het ook verpakt in gezelligheid, warmte of knusheid. Als het om ontvangen gaat, komt de ware aard al snel boven tafel. Wat is het dan lastig om mensen vriendelijk te woord te staan. ‘Alstublieft, hier is uw mooie pakketje!’ ‘Hm, mooi, het kan er ook niet van af, hè?’ ‘Tja mevrouw, een gegeven paard mogen wij niet in de bek kijken. Wij hebben het ook maar gekregen. Geniet er maar van.’ Waarop de ander met een gebrom het pakketje uit de handen weggriste, snel wegbenend naar de uitgang.

Wie dat meemaakt heeft al snel de neiging het bijltje erbij neer te gooien. Wat een ondankbare mensen. En als die mensen ook nog een bepaalde culturele achtergrond hebben, willen we ook nog het zelfstandig naamwoord voor het land van herkomst erbij noemen. Waar doe je het dan voor, was mijn vraag. Om zelf dankbaarheid terug te krijgen? Wat leuk, fijn, mooi dat jullie dat doen! Of om te geven zonder terug te verwachten? Dat zijn lastige vragen. Want dan blijkt dat niet alleen bij de ontvangers de ware aard naar boven komt, maar ook bij de (door)gevers. Dan blijkt dat ‘oog om oog tand om tand’ makkelijker boven komt drijven dan het moeilijker ‘heb hen onvoorwaardelijk lief’.

En dan zijn wij niet eens in een stal geboren, in een familie afkomstig uit een achterlijke streek, met de vinger nagewezen omdat onze moeder nog voor haar trouwen zwanger was.

zaterdag 4 december 2010

Reactie op mijn column: Bethelkerk als ‘moloch’ is kritiek die geen hout snijdt

De column die ik dinsdag schreef en publiceerde heeft in het noorden van het land veel vragen en kritiek opgeleverd. Een van die reacties is afgelopen donderdag in het Friesch Dagblad als opniniestuk verschenen. Om de lezer een eerlijk beeld te geven hieronder de tekst van deze reactie.

Columnist Rick Jansen schreef kritisch over mensen die hun plaatselijke gemeente verwisselen voor ,,een grote moloch waarvoor ze een half uur moeten rijden”. Grote woorden, vindt Douwe Hellinga, lid van de Bethel in Drachten. Hij richt zich tot Jansen.

Beste meneer Rick Jansen,

U schrijft in het Friesch Dagblad over de vraag of een stervende kerk vrucht voortbrengt. Feitelijk komt u aan het slot tot de conclusie dat er alleen hoop is voor de kerk als de gelovigen bereid zijn alle uiterlijkheden, wetten, knellende regels of prachtige diensten en grootse samenkomsten af te leggen. Terug naar de kern. Terug naar de opstanding. Een stervende zwaan als synoniem van een stervende kerk is hopeloos verloren.
Mooi gesproken. Maar waarom bekruipt me nu toch dat onaardige gevoel dat u met die stervende zwaan onder meer de megakerk in het noorden des lands bedoelt? Is dat nu mijn altijd (veel te?) kritische geest?
Ja, u hebt gelijk. Ik behoor bij de mensen die afscheid hebben genomen van de plaatselijke protestantse gemeente. En elke zondag rijd ik niet een half uur maar zelfs drie kwartier (enkele reis) naar de grote moloch (!). Weliswaar in een superzuinig en belastingvrij dieseltje, maar inderdaad, ook daaruit komen onwelriekende, milieuvervuilende dampen. En ja, we worden op het parkeerterrein naar de plek gewezen door professionele parkeerwachten. We genieten van mooie diensten en geweldige toespraken. En zeker, we worden opgebouwd.
Ik heb op internet gelezen dat u leiding geeft aan een missionaire wijkgemeenschap in Arnhem.

Fijn, dat u dat doet voor de Heer. Ik heb de Heer daarvoor bedankt.
Maar waarom die kritiek, beste broeder? Kent u de door u beschreven megakerk? Bent u in de diensten geweest? U mag kritiek hebben natuurlijk, maar vindt u het nu echt noodzakelijk deze kerk te vergelijken met een moloch? U moet toch weten wat er in de Bijbel bedoeld wordt met deze afschuwelijke afgod?

U zet vraagtekens bij mij en alle andere mensen die naar deze kerk rijden. Want u schrijft, ik citeer: ‘Maar is het juist daar niet dat het sterven van de kerk zich ten volle openbaart?’ Daaruit moet ik wel opmaken dat u deze kerk ziet als een stervende zwaan waar niets goeds uit kan voorkomen.

Grote woorden. Misschien kunt u zich eens wat beter laten informeren over het reilen en zeilen van deze megakerk. Dan kunt u meteen worden geïnformeerd over de honderden kinderen in de wekelijkse jeugddiensten, over de honderden vrijwilligers, over de ondersteuningscursussen. En - niet vergeten - de aanpak van de armoedebestrijding. Of horen hoeveel mensen tot levend geloof komen en zich laten dopen. Dat is werkelijke groei!

i Douwe Hellinga is (onbezoldigd) lid van de Vrije Baptistengemeente Bethel in Drachten en woont in St. Annaparochie. Reageren: douwe1@telfort.nl.

dinsdag 30 november 2010

Column Friesch Dagblad 26: Is de kerk stervende?

De kerk is dood, leve de Koning’. ‘Laten we zwijgen over de kerk en het weer over God hebben’. Onderzoeken laten de gestage teruggang zien van leden van de katholieke kerk en de grote protestantse fusiekerk, waarin men de PvdA-truc hanteert om minder verlies dan verwacht als winst te omarmen (‘Het ledenverlies neemt de afgelopen jaren licht af!’) Als ik kijk naar de kerkgebouwen die worden afgebroken of worden ingericht als kantoor, woonruimte of gezellige buurtruimte, dan bekruipt mij het gevoel dat ze gelijk hebben. Het loopt af met het geloof. Er zijn meer afhakers dan aanhakers.

Aan de andere kant zijn er prachtige diensten, geweldige samenkomsten, heerlijke grote, volle zalen, kampeermanifestaties met hoge bezoekerscijfers en bijbehorende juichende recensies. Wie dat ziet en meemaakt, krijgt niet het gevoel dat er iets ergs aan de hand is. Cijfers lijken erop te wijzen dat orthodox-gereformeerde kerken, de pinksterkerken en de evangelische gemeenten tegen de tijdgeest in blijven groeien. Daar zijn nog megakerken te vinden van honderden tot duizenden kerkleden. Wie er in zit wordt meegezogen met het positivisme dat de beweging, organisatie of kerk uitstraalt.

Toch ook hier een maar. Een boek dat is uitgekomen met interviews van gemeenteleden die de evangelische gemeenten via de achterdeur hebben verlaten. Mensen die ‘ooit evangelisch’ zijn, zich post-evangelisch noemen, traumatisch zijn van het evangelisch evangelie of uitgekotst zijn door het amateuristisch hogere management dat deze beweging kenmerkt. Bovendien is in de Geestvervulde beweging van geen statistiek sprake, waardoor cijfers slechts giswerk zijn. Daar waar ze wel zijn becijferd of onderzocht komen we een hoog overgangsgeloof tegen. Protestantse kerkleden lopen over naar het meer vrijere evangelie. Er is nauwelijks sprake van gelovigen die uit het niets zich bij de nieuwe kerken aansluiten.

Wat betreft de orthodoxe kerken is ’s lands Grootste Gereformeerde Krant (afgekort ND) zeer happig op verhalen van mensen die aanschoppen tegen de kerk van herkomst, zeker waar het de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt betreft. Deze week nog werden woorden getrokken uit de mond van een kritische, spraakmakende jonge dominee uit die kerk. ‘De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt zijn ten dode opgeschreven’, horen we hem verklaren. Niet het geloof is ten dode opgeschreven, maar het systeem dat er van is gemaakt.

De kerk is dood. Het is een vervreemdende uitspraak voor wie midden op de Biblebelt zich bevindt tussen de duizenden gelovigen die dit smaldeel in Nederland kenmerkt. Het roept vraagtekens op voor de Drachtenaren of degene die tientallen kilometers rijden om zich te laten vermaken in de megakerk in het noorden des lands. Maar is het juist daar niet dat het sterven van de kerk zich ten volle openbaart? Ik hoor van kleine kerken die het hoofd nauwelijks boven het water kunnen houden. Leden besluiten het kleine kuddeke te verwisselen voor een grote moloch waar ze een half uur voor moeten rijden. Ze worden er meer opgebouwd, ze genieten van de mooie diensten, de geweldige toespraken. En rijden weer terug naar de plaats van herkomst, opgebouwd zodat ze er weer een week tegen kunnen.

De kerk als gemeenschap. Een boek dat prijkt in mijn boekenkast. Waar is die nog te vinden? Een kerk waar mensen om elkaar geven. Waar het budget niet grotendeels wordt opgeslokt door het mooie podium, de entourage, de filmcamera’s, de beamer of de techniek. Maar door armoedebestrijding, onderlinge zorg, cursussen om elkaar te ondersteunen. Waar het milieu niet wordt vervuild getuige de honderden auto’s die door goed opgeleide parkeerwachten professioneel worden binnengeleid. Maar waar mensen worden opgeleid om elkaar te ondersteunen in hun dagelijkse zorgen en noden.

De kerk is stervende. Maar is het een stervende zwaan of een achtergelaten graankorrel in de grond? De eerste is hopeloos verloren en kunnen we nog met een prachtig requiem, gezang ten grave brengen. Afgelopen. Voorbij. Einde verhaal. De tweede biedt hoop. Een stervende kerk die vrucht voortbrengt. Een kerk die bereid is zijn opgebouwde privileges af te leggen voor een hoopvolle toekomst. De schil van uiterlijkheden, knellende regels en wetten of prachtige diensten en grootse samenkomsten, afgelegd om weer tot de kern te komen van wat de werkelijke groei betekent. Leven uit de dood. De opstanding van de kerk.

zaterdag 13 november 2010

Artikel over nieuwe kerken in Elsevier

In de Elsevier van komende week wordt aandacht geschonken aan verschillende nieuwe kerken. ‘t Is een korte en treffende schets van ontwikkelingen op het vlak van nieuwe kerkvormen. Ondermeer Stars (Eindhoven), Villa Klarendal (Arnhem), Via Nova (Amsterdam), Zingeving op de Zuidas (Amsterdam) en In de praktijk (Den Haag) komen kort aan bod.

zaterdag 6 november 2010

Dualisme of holisme

Ik kom nog even terug op mijn ervaringen van afgelopen woensdag. Ik vond het namelijk een prachtig voorbeeld van dualisme versus holisme. Om dat te begrijpen eerst even een uitleg van deze begrippen.

Sinds de Verlichting is in de westerse kerk een dualistisch denken ingeslopen ten opzichte van het leven in onze samenleving. Het leven in de kerk, het geestelijke leven staat daarbij centraal, maar ook tegenover het leven in deze wereld. God is te vinden in het geestelijke domein. Alles wat daar niet mee te maken heeft, is verdacht, ongeestelijk en kan maar beter worden gemeden.

Daar tegenover staat een nieuwe beweging die in deze wereld het geloof wil uitspreken over alle aspecten van deze wereld. Christenen hebben een taak in deze wereld, die niet alleen beperkt is tot het geestelijke domein. Hun taak is om in de seculiere, niet gelovige, wereld christen te zijn en de principes van het evangelie daarin te laten doordringen. Er is geen tegenstelling tussen de wereld waarin men met het geloof bezig is (het sacrale) en de wereld die helemaal van God los is (het seculiere). Deze wereld is een geheel (holistisch) en mensen moeten als zodanig worden benaderd.

Mijn ervaringen met de twee verhuisdames is een voorbeeld van het laatste. De twee waren beide op zoek naar een huis. Ik kom langs en kan de twee aan elkaar verbinden. Daar zie ik een werking van God in. Hij heeft mij geleid om in de materiële behoeften te voldoen. In dualistische denktermen zou dit een prachtige manier zijn om de twee van het hoofddoel te overtuigen: het evangelie van Jezus. Het gebeuren op zich is minder belangrijk, want het gaat om behoeften in deze wereld. We kunnen maar beter uitzien naar wat gaat komen en ons bezig houden met ons 'zielen'-leven. In holistisch denken is ook de eerste scheppingsopdracht van belang. God schiep ons niet alleen om met Hem te leven, maar ook om met elkaar te leven, met behoeften aan materiële zaken, eten, een positie in de samenleving, gemeenschap met anderen, seksualiteit. Wij zijn geroepen om daar gehoor aan te geven. Als we dat doen, doen we net zozeer Gods wil als wij het evangelie brengen.

Mijn ervaringen in de avond waren een voorbeeld van het dualistische denken. Een geweldige aanbiddingsdienst, waar op zich niets mis mee was. Maar waar wel opmerkingen werden gemaakt, dat we nu God wilden ontmoeten. Die ontmoeting, met andere woorden, kon plaatsvinden door vooral samen te aanbidden (wat dan bedoeld wordt als: samen zingen en bidden). Terwijl ik dat hoorde, bedacht ik me dat ik God die dag in alle aspecten die ik deed al had ontmoet. Tijdens de OR-bijeenkomst, de ontmoeting met de dame, de computerles, het coachingsgesprek en ook nu tijdens deze avond. Maar er werd het gevoel gegeven dat nu de tijd was om God te ontmoeten. In het vervolg van de avond was er een moment waarop mensen voor zich konden laten bidden. Waarin ze de zegen van God mochten ontvangen. Over enkele mensen hadden de leiders een speciaal woord. Ik kreeg het gevoel dat dit DE manier is waarop God werkt. En als Hij bij ons niet zo werkt, er iets mis bij ons was. Maar terwijl ik buiten stond te praten met de rokende dame, was er net zozeer de aanwezigheid van God als binnen. Dat de sfeer deze vrouw niet aansprak was niet erg. Want in mijn ogen werkt God op diverse manieren. Op de manier die op dat moment binnen gaande was. Maar ook op de manier van gesprekken tijdens het roken.

God gaat overal met ons mee en wil ons daar gebruiken. Er hoeft geen heilig gebouw, geweldige sfeer of mooie liederen aan te pas komen vooraleer hij gaat werken. Hij vraagt ons als gelovige in deze wereld te leven. En Hij gebruikt ons ook zonder grote manifestaties of spontane ontmoetingen. Ook als we trouw ons werk doen en dat integer doen. Zonder dat we het weten, stralen we daardoor een beeld uit van wat een christen is. Soms merken we daarvan na verloop van tijd de resultaten. Vaak ook helemaal niet. Toch geloof ik dat zo'n holistisch leven gewenst is. Christenen horen niet alleen in de kerk. Ze moeten naar buiten om daar hun licht uit te stralen en zout te zijn.

donderdag 4 november 2010

Zomaar een 'vrije' dag

Vandaag had ik een vrije dag. Althans, dat dacht ik. Tussen negen en elf zat ik bij een vergadering van de Ondernemingsraad van de gemeente Arnhem. Er komt weer een grootscheepse organisatieverandering aan en daar moet de medezeggenschap bovenop zitten. Dus had ik een deel van mijn dag ingeruimd voor deze voorbereidende vergadering. Na afloop sprak ik nog wat na met enkele collega's.

De genuttigde koppen koffie werkten op mijn blaas, waardoor ik niet rechtstreeks naar de uitgang liep om naar mijn sportschool te gaan die op het opvolgende to-do-lijstje stond, maar naar het toilet. In de grote ontmoetingsruimte op weg naar die plek zag ik een goede bekende van Villa Klarendal zitten die een tijd lang uit beeld was. Of ik er niet even bij wil komen zitten. Wat ik na de noodzakelijke ontlading deed. Ze vertelde me haar verhaal, dat voor hier privé blijft. Een vraag kwam boven: ze wilde graag van huis ruilen. Of ik niemand wist die een appartement wilde ruilen voor een benedenwoning. Na enige creatieve hoofdbrekens drong bij me door dat een sporadische bezoeker van de Villa al tijden op zoek is naar iemand die haar appartement wil betrekken in ruil voor een benedenwoning. Dus belde ik die persoon en gaf mijn telefoon door aan de ander. Er werd om een uur een afspraak gepland en omdat de straat onbekend was, sprak ik af om rond die tijd als wegwijzer te fungeren.

Drie kwartier later dan gepland reed ik naar de fitnessruimte om een beperkter dan gepland programma af te werken. Na afloop was ik met de fiets net op tijd om mevrouw het adres te tonen. De twee bleken elkaar toch al te kennen.

Na een beleefd afslaan van de koffie racete ik naar huis om daar aangekomen even een werktaak uit te voeren. Niet voor lang, omdat het alweer tijd was om naar mijn computerleerlingen in het wijkcentrum te gaan. Daar aangekomen werd ik in een bezettingsdiscussie gezogen, omdat aan een andere gebruiker van het wijkcentrum onze computerruimte op deze dag permanent was toegezegd. Prachtige discussie wie nu wanneer voorrang had. Uiteindelijk werd voor de andere groep een nieuwe ruimte gevonden waar ze terecht kunnen als wij bij de computers moeten zijn. Dan waren de standaard plichtplegingen van koffie en thee gereed zetten aan de beurt die ik vervolgens naar de zaal bracht.

Een cursist zat al netjes te wachten, die ik volgens afspraak een eindtoets bezorgde waar hij de rest van de les zoet mee was. Ondertussen was ook een nieuwe persoon de zaal binnengekomen, die me vroeg naar de vervolgcursussen. Na een korte uitleg wilde ze zich inschrijven en vulde ze het inschrijfformulier in. Vrijdag zal ze het inschrijfgeld komen betalen en dinsdag start ze de cursus bij twee andere collega-vrijwillige-docenten. Dan hadden de inmiddels tot drie uitgegroeide computerstudenten mijn volle aandacht. Vragen over Excel 2007 wisselden zich af met die over de rekenmachine, het kladblok en het downloaden van MP3-bestanden van internet. Tussendoor nog snel een afspraak verzetten die ik om halfvijf had gepland met de opbouwwerker. En een enthousiast bedanktelefoontje van een van de ruildames die me meldde dat de ruil een feit was. Met dit alles werd het alweer snel halfvier, einde van de les.

De volgende gast diende zich aan. Tussen halfvier en halfvijf stond een coachingsgesprek met de stagiaire van Villa Klarendal gepland. Gesprekken over hoe hij het werk in de wijk ervaart. Veel vragen van zijn kant over het hoe en waarom van bepaalde manieren van werken. Na afloop werden de niet genuttigde koffie en thee en de leeggedronken kopjes van de computerles in de daartoe bestemde plekken achtergelaten. Tijd voor mijzelf. Tijd voor een maaltijd in een leeg huis vanwege een reünie, een dansles en werk van de andere huisgenoten.

Stipt halfacht stond een bezoeker van de Villa aan de deur met wie ik naar een speciale zendingsavond in onze oude kerk zou gaan. Ze zag er enigszins anders uit en al snel zag ik dat ze haar gebit niet in had. Ik vroeg haar of ze niet iets miste, waarop ze verschrikt naar haar mond greep en meldde dat hij thuis nog in de Steradent stond om lekker fris voor de dag te komen. Volgens mij was de gebitsloosheid geen groot probleem, maar ze stond erop om gebitsvol te verschijnen. Dus gingen we om tien voor acht met mijn zoon en het gebit inmiddels weer in de mond op weg naar de avond. Een prachtige avond met veel zingen en aanbidden in een stijl waar mijn gast op een gegeven ogenblik helemaal genoeg van kreeg. Geen nood. Ik kende het gebouw van haver tot gort en leidde haar onopvallend naar de uitgang, waar we een kwartier konden bijkomen met sigaret, frisse lucht en een ontspannen gesprek. Dat deed goed en daarna was de informatie uit Mongolië voor haar niet zo dodelijk vermoeiend als het voorgaande en zaten we met gloeiende oortjes te horen en te kijken naar wat God in dat verre land aan het doen was. De laatste sessie van samen God zoeken was voor mijn gast weer een brug te ver. Ze had behoefte aan rust en een kroket en ik geleidde haar naar buiten, waarna ik de sessie vervolgde.

Elf uur kwamen we thuis. En zo lig ik nu op de bank, terwijl we de nieuwtjes van de dag hebben uitgewisseld en ondertussen wat films hebben bekeken.

Zomaar een 'vrije' dag. Wie aan 'vrij' denkt, denkt aan een lekker-lui-languit-liggen-en-niets-doen. Hier niet dus. Althans, niet vandaag. Maar wel zo'n dag waarvan je achteraf zegt dat 'ie zinvol is besteed. Datzelfde geldt voor de afgelopen dagen als ik zo terug kijk. Leven met Jezus, missionair werk, 'tentenmaker' in Nederland: never a dull moment. Het is een groot avontuur, met elke dag weer iets nieuws.