Posts tonen met het label artikelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label artikelen. Alle posts tonen

vrijdag 2 december 2011

Eerst op zoek naar identiteit, dan pas missionair

Dit verslag is vandaag verschenen in het Friesch Dagblad.

Iedere kerk heeft een eigen identiteit, een specifieke roeping. Pas als je die hebt ontdekt, kun je als gemeente echt missionair zijn. Dat stelt kerkstichter Matthijs Vlaardingerbroek.

Stel, je bent een gemeenteleider, voorganger, of predikant. Je hebt een zieltogende gemeente. Een kerk die niet groeit, maar enkel krimpt. Waar meer mensen sterven dan dat er mensen bij komen. De vraag bekruipt je of er nog hoop is voor deze gemeente.
Dan lees je een advertentie van een bekende missionair werker, Matthijs Vlaardingerbroek, die in Den Haag uit het niets een nieuwe gemeente is begonnen. Wellicht kun je iets leren van deze werker, denk je.

Niet iedereen die deze week naar de conferentie Grensverleggend Missionair: Buiten winnen is binnen beginnen ging zal die motivatie hebben gehad, maar de verwachting was in elk geval groot. De conferentie was een initiatief van uitgeverij Medema, rond het verschijnen van het boek Grensverleggend. Hoe de kerk opnieuw missionair kan zijn van Vlaardingerbroek.

De kerkplanter, inmiddels ook bekend als buikspreker met zijn pop Henkie, deed zijn creatieve roem eer aan door de pop meteen aan het begin met een goocheltruc door midden te zagen. Henkies hoofd en de benen werden van elkaar gescheiden, ter illustratie van hoe wij van God zijn gescheiden. Henkie dook zijn koffer weer in, de afgezaagde benen achterlatend op het blok. Achter die benen toverde Matthijs een andere pop tevoorschijn, die de van God afgesneden mens symboliseerde. De buurman die God niet kent, noemde Matthijs hem. Waar kan hij God vinden? In de koffer van Henkie? Nee, want die vertrouwt hij niet. De kerk, plaats van Gods heerlijkheid, wordt gewantrouwd door de gemiddelde burger. De vraag is daarom: kunnen wij niet beter naar de ander toe gaan, in plaats van te wachten tot hij of zij naar ons als kerk toekomt?

Aan de hand van het verhaal uit de Bijbel over de mannen die hun verlamde vriend bij Jezus brachten (Lucas 5: 17-26), ontvouwde Matthijs Vlaardingerbroek zijn visie voor missionair werk. Hij haalde een aantal principes uit het verhaal.

De vrienden hadden een krachtige ideologie: als onze vriend bij Jezus komt, komt het goed. Ze blijken een heldere visie te hebben: getroffen door de pijn van hun vriend, zijn huidige situatie, willen ze dat Jezus hem van die pijn geneest.

Mensen zijn net als de verlamde vriend, vervolgde Vlaardingerbroek. Ze kunnen niet zelf de deur openen. Ze zijn geestelijk verlamd. Ze kunnen niet naar de kerk toe komen. Wij moeten naar hen toe gaan. Wij moeten een ze ,,haalbare belofte” geven. Net zoals de vrienden: ‘Wij brengen jou bij Jezus.’

De vrienden hadden ook een unieke kracht. Ze zagen wegen die er eigenlijk niet waren. Ze konden niet door de deur, ze konden niet door het raam. Daarom klommen ze het dak op, om van daaruit hun vriend bij Jezus te brengen.
En ze hebben een hoopvolle ambitie: ze verwachten dat Jezus tegen hun vriend zegt dat hij moet opstaan en lopen.
Identiteit

Belangrijk in Vlaardingerbroeks boodschap is de identiteit van de gemeente. Die kent verschillende aspecten: ‘De gewenste identiteit, de huidige identiteit en de door God gegeven identiteit.’ De vraag is op welke identiteit wij onze pijlen richten. We moeten zoeken naar de parel die God ons heeft gegeven: de identiteit die we als gemeente van God hebben gekregen, stelde Vlaardingerbroek. Die is vaak verstopt. ,,De vraag is of we bereid zijn die parel te zoeken, ook als het ons alles kost.”
Als die identiteit eenmaal is gevonden, kunnen we hem gaan inzetten. Niet alleen binnen de gemeente, maar ook voor ‘buiten’. Om de identiteit van je gemeente daadwerkelijk te gebruiken is een heldere visie onmisbaar, betoogde Vlaardingerbroek. Daarvoor is een start nodig (wat zie jij en wat doet je pijn?). En een finish (Wat zou ik willen zien? Wat geeft mij hoop?). Als je die twee hebt vastgesteld, wordt een route zichtbaar die je van start naar finish brengt.
Vlaardingerbroek ziet veel gemeenten met de visie: wij willen er zijn voor iedereen. Bij zo’n vage visie dreigt echter het gevaar, dat je er voor niemand bent. Daarom is de beginvraag ‘wie zie jij?’ belangrijk. Wie zijn de mensen die God op jouw hart legt?
Achterstandswijken

Na zijn gepassioneerde betoog overhandigde Matthijs Vlaardingerbroek zijn boek aan Oeds Blok, voorzitter van Urban Expression, een beweging die gemeentes sticht in de achterstandswijken. Vlaardingerbroek wil met zijn boek hoop bieden aan bestaande kerken, vanuit liefde voor de kerk.
Naast lovende woorden past ook een pas op de plaats. Mijn grote vraag is of de kerk vernieuwd kan worden door een methode te omarmen die is gebaseerd op identiteitsmarketing. In hoeverre is dit weer een nieuwe methode voor kerken, die er geld en tijd in moeten steken? Om er wellicht na enkele jaren achter te komen dat de methode het vuur niet heeft kunnen aanwakkeren waar we zo naar verlangen. De tijd zal het uitwijzen. Aan de passie van Matthijs Vlaardingerbroek zal het niet liggen.

donderdag 17 november 2011

Mission Possible? Ja, ook in Nederland

Dit artikel is vandaag gepubliceerd in het Friesch Dagblad.

De Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE) laten zich niet gek maken door de secularisatie. Leiders uit de VPE confereerden juist over missie en kansen. Rick Jansen was er bij.

Bunnik | ‘Hoe wil Christus dat de gemeente van vandaag Zijn missie volbrengt? Waar wil God dat we mee bezig zijn als gemeente? Wat is jouw missie? Welke uitdagingen moet je als gemeente aangaan om missionair te zijn?‘
Het waren vragen die werden gesteld op de speciale website van de leiderschapsconferentie VPE onder de titel ‘Mission possible? De uitdaging van missionair gemeente zijn’.
‘Daar moet ik bij zijn, zeker omdat ik ook nog eens lid van de VPE ben’, dacht ik en daarom toog ik afgelopen weekend naar de conferentie die dit jaar in Bunnik werd gehouden. Hoofdsprekers over het onderwerp waren Theo Visser (International Church Plants) en Ruben Flach (secretaris van de VPE). Alton Garrisson (vicevoorzitter van de Assemblies of God in de Verenigde Staten) hield een tweetal inspirationals om de bezoekende geestelijke leiders te bemoedigen in hun persoonlijke leven en in hun bediening. In dit artikel beperk ik me tot het antwoord van Visser en Flach op de vraag van de conferentie, die donderdag en vrijdag gemiddeld tweehonderd bezoekers trok

Beweging
Theo Visser beet het spits af. Hij heeft jarenlange ervaring als gemeentestichter in Rotterdam. Hij vertelde dat de door hem gestarte beweging werkt vanuit het motto ‘Passion for God, compassion for the world’. Doel is, vanuit een gerichtheid op God, zoveel mogelijk mensen uit de wereld bereiken. ,,De beweging wil geen mensen uit andere gemeentes trekken en we hebben dit ook opgenomen in de visie voor ons werk.’’
Volgens Visser biedt kerkplanting veel missionaire kansen. Hoofdreden daarvoor is dat God zelf een missionaire God is. ,,Die God woont in ons en zendt ons uit naar deze wereld.’’
Als antwoord op de vraag hoe dat te doen, haalde Visser een vraag aan van een moslim die vaak in zijn gemeente komt: ,,‘De wereld is een slagveld. Hoe komt het dat de kerk, die zichzelf ziet als een geestelijk Amsterdam Medisch Centrum, niet ambulances af en aan laten rijden naar het slagveld en dat daar geen veldhospitalen zijn, zodat AMC en veldhospitalen samen de wereld kunnen redden?’.’’ Kortom: waar zijn de kerken als het gaat om het redden van levens.

Achterdeur en voordeur
Nieuwe gemeentes zijn het meest effectief in hun eigen omgeving en zouden goed kunnen samenwerken met bestaande gemeentes, aldus Visser. Gemeentes hebben een ,,goede voordeur en een goede achterdeur’’ nodig, is zijn idee. De voordeur is volgens Visser tweeledig. Hij is incarnational: net zoals Jezus uitgaan en ons vereenzelvigen met mensen, onze veilige gebieden (comfort zone) verlaten en de wijken intrekken. En Hij is attractional: samenkomsten zijn afgestemd op mensen die van buiten komen.
Aan de achterdeur staan gemeenschap en discipelschap: mensen blijven als een gemeenschap ‘24/7 ‘op elkaar betrokken is en zorgt voor discipelschapscursussen en mentoren die mensen opvangen.

Ruben Flach nam de congresgangers mee naar de situatie van zending anno nu, in Nederland. Het blijkt dat in ons land 42 procent van de inwoners zich niet kerkelijk noemt. In de hele wereld is het opvallend dat 3575 bevolkingsgroepen niet in beeld zijn bij de christelijke zending, terwijl in 6672 bevolkingsgroepen minder dan 2 procent christen is.

Flach ziet enkele trends in ons land. Zo is er steeds meer visie voor missionair werk in de vorm van kerkplanting en revitalisering van gemeenten.
Het groeiend aantal gebedsbewegingen is een andere opvallende trend. Short time zending - voor enkele weken of maanden het zendingsveld in - is een derde interessante trend. Jongeren staan bij tientallen kramen van zendingsorganisaties om te vragen waar zij hun vakantie of periode na het afstuderen zinvol kunnen besteden.

Daaraan verbond Flach het belang van coachen van jongeren die een zendingservaring hebben gehad. Ten slotte vroeg hij aandacht voor vernieuwende initiatieven zoals de onlangs uitgekomen straatbijbel, de Torri van Mattie. Deze initiatieven worden helaas, onterecht, bekritiseerd.
Met de vraag ‘Wat is onze werkelijkheid?’ hield Flach de aanwezige leiders een spiegel voor. Hij werkte dat uit door hen de vraag voor te leggen of hun gemeentes daadwerkelijk actief bezig mensen die ‘buiten zijn’ te bereiken, of dat ze naar binnen gericht zijn, omdat ze ‘het zo goed met elkaar hebben’. En zijn gemeentes eigenlijk wel betrokken bij de nood in de wereld of ‘alleen bezig met onze eigen problemen, bezig om te overleven’.
,,Zending is niet de opdracht, maar de identiteit van de gemeente. Zending hoort bij het wezen van de gemeente’’, aldus Flach.

De vraag Mission possible? werd door op de twee conferentiedagen positief beantwoord. Door gemeentes te stichten, door daarin de leiding van God te zoeken en te beseffen dat zending deel is van de identiteit van gemeentes.

Het bestuur van de VPE gaat ondersteuning bieden om de aangeboden principes in daden om te zetten.

woensdag 23 december 2009

Artikelen in Parakleet

De afgelopen periode heb ik twee artikelen geschreven over Kerk-zijn in de 21e eeuw. Deze artikelen zijn gepubliceerd in Parakleet, het officiële orgaan van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten, het kerkverband waar ik persoonlijk lid van ben.

Download hieronder de artikelen:

Deel 1, verschenen in Parakleet 111 (3e kwartaal 2009)
Ontwikkelingen in onze samenleving die het kerk-zijn beïnvloeden.

Deel 2, verschenen in Parakleet 112 (4e kwartaal 2009)
Nieuwe wegen in een postmoderne en postchristelijke wereld.

Ik ben benieuwd wat je ervan vindt.

dinsdag 1 december 2009

Column Friesch Dagblad 14: Droom wordt werkelijkheid

Mijn nieuwste column in het Friesch Dagblad is vandaag verschenen. Zie de tekst hieronder.

Komt er nog wat van’, lijken sommige lezers van mijn weblog ‘Missionair in Arnhem’ te zeggen. En ook al zeggen ze het niet, ik voel het zelf soms wel zo. Ik probeer daar regelmatig iets te schrijven over ons leven in de wijk. Maar soms moet ik keuzes maken. Als ik dan kies tussen werken in de wijk of schrijven daarover, is de keuze snel gemaakt.

Vier jaar geleden begon Villa Klarendal officieel. De tweede zondag van oktober 2005 zaten we tijdens die eerste brunch en viering (laatst door ons lokale sufferdje kernachtig samengevat als ‘maaltijdviering’) vol spanning te wachten op wie er zou komen. Er kwamen vijf mensen. We wisten dat een van onze oudere zussen in Nederland, In de Praktijk in de Haagse Spoorwijk, er een jaar over had gedaan om de eerste bezoekers te mogen ontvangen. Dus werden de vijf vol vreugde ontvangen.

De periode daarna verwelkomden we veel nieuwe bezoekers. Velen waren enthousiast over het nieuwe initiatief onder de vlag van Youth for Christ. De brunch was warm en gezellig. Ik hoor nog een opmerking van een bezoekertje of we dit niet elke dag kunnen doen. Want het was er zo rustig en zonder ruzie. Ook de viering vonden velen prachtig. Ze genoten er zichtbaar van. Alleen zagen we wel een verschil tussen mensen. Sommigen vonden het mooi, maar we zagen geen verandering in hun leven. Na de viering ging hun leven verder als altijd. Soms kwamen we ze in de stad tegen als ze met een groepje de gokhal binnen gingen. Anderen wilden het gehoorde in hun leven integreren en gingen, zonder het zelf zo te benoemen, de weg van discipelschap.

De wekelijkse maaltijdviering ging door. Soms zat het boordevol. Op andere momenten, vooral in de zomerperiode, was het heel erg rustig. Voor de eerste Kerstmis vroegen we of we iets met Kerst moesten organiseren. Dat hoefde niet, want iedereen ging naar eigen familie of naar de kerk waar ze weleens met Kerst naar toe gingen.
Na enkele jaren kwam de klad in het bezoekersaantal. ‘Oppassen in Amsterdam’, ‘genieten en oppassen op het pasgeboren kleinkind’, ‘studeren en stage doen om weer werk te krijgen’. De gelijkenis van Jezus over het zaad en de zaaier zagen we voor onze ogen werkelijkheid worden.

Teleurstelling alom. ‘Waar doen we het voor?’, was een veelgehoorde vraag. We zagen echter ook groei in de kleine groep die wel bleef komen. Taken werden van ons overgenomen: de wekelijkse boodschappen, de voedselbank in de wijk, dekken van de tafels, uitdelen van overgebleven brood van de lokale grootgrutter. Met een huisgroep delen we ons leven en praten we samen over de Bijbel.

Die veranderingen leiden tot versterking van de onderlinge gemeenschap. Een ontroostbare bezoeker wordt zichtbaar getroost. Een verjaardag van een ander wordt uitbundig gevierd. Deze zomer zaten de wekelijkse maaltijdvieringen vol. Er werd enthousiast gereageerd op onze vraag of we iets op de komende Eerste Kerstdag zullen doen.

Dit biedt ons interessante vragen. 1. Wat is belangrijker: de statistische groei van het aantal bezoekers of de onmeetbare groei in levens van mensen? 2. Bouwen we op menselijk zand of op goddelijke rots? 3. Hoe bouwen we daarop voort? 4. En last but not least: wie zijn de kundige bouwmeesters om dit mogelijk te maken?

Het vinden van antwoorden op die vragen en de omgang met mensen die zichtbaar Jezus willen volgen vergen veel tijd. Zo veel tijd dat nogal eens de klad komt in het schrijven aan mijn weblog. Maar eerlijk waar: ik maak liever concreet al die ervaringen mee dan dat ik er in mijn studeerkamer alleen maar over droom. Zo af en toe schrijf ik dan toch weer eens over de droom die wel werkelijkheid werd. En die is geen bedrog.

maandag 30 november 2009

Contacten in de wijk… hoe doe je dat?

Deze week is een artikel van mij verschenen in Zout Magazine, het magazine van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk over evangelisatie.

Hieronder volgt de inhoud.

Kerken en christenen verlangen ernaar om meer te doen in de wijk. Veel van hen lopen rond met de vraag hoe ze in contact kunnen komen met mensen om hen heen. Op basis van zijn ervaringen in Klarendal wil Rick hen in dit artikel daarbij te hulp komen.

Een bekende driedeling binnen het missionaire werkveld is ‘belong-believe-behave’; bij een christelijke gemeenschap horen, geloven in Christus en leven als christen. Over de vraag of deze woorden in een bepaalde volgorde horen te staan, en zo ja in welke, is veel discussie. Bij Villa Klarendal mogen mensen zich allereerst thuis voelen (belonging) en zodoende steeds meer van ons geloof leren kennen. Wij kunnen mensen leren kennen door ze te vragen ons te helpen. We zijn afgestapt van het idee dat mensen eerst een bepaalde christelijke groei moeten hebben doorgemaakt (believe) om iets voor ons te doen (behave). We hebben onze buren gevraagd ons praktisch te helpen met koken en boodschappen doen. Een islamitische wijkgenoot is ons als stagiaire komen helpen bij het uitdelen van het brood en bij de moslimmeiden en -meisjesclubs.

Het principe van ‘belonging’ (je eerst thuis voelen) geldt ook omgekeerd voor christenen die in de wijk wonen. Zo lang wij als christenen aan de buitenkant staan en niet meedoen, worden we gezien als buitenstaanders. We horen er niet bij. Van buitenstaanders moeten we bekenden worden. Toen ik een tijd geleden nadacht over werken in de wijk, ben ik lid geworden van een werkgroep voor de wijk. We bepraatten de problemen die in de wijk speelden en hoe we dat konden oplossen. Na afloop hingen we aan de bar met een glas bier. Daar begonnen langzamerhand steeds diepere gesprekken te ontstaan. Door te laten zien dat de wijk ons menens is, werden we opgenomen in de groep. Daardoor werden we gekend en ontstond een sfeer van ons-kent-ons. Een drempel naar persoonlijke gesprekken en vriendschappen was weggehaald. Mijn eerste vraag in de wijk is daarom niet: wat kan de kerk doen? Maar: waar kan ik als christelijke wijkbewoner bij aansluiten? Zodoende zijn we computerdocenten geworden, lid geworden van een creatieve club en zijn we gaan helpen bij het uitdeelpunt van de Voedselbank. Tijdens computerlessen, knutselmiddagen en koffiegesprekken na het ophalen van het voedselpakket leerden we mensen beter en persoonlijker kennen.

Een ander belangrijk punt is onze eigen denkwijze. Christenen die in een wijk contacten leggen, doen dat vaak vanuit een vooropgezet plan. We komen met mensen in contact zodat we iets van het evangelie kunnen delen. Daarmee wordt het werk dat we doen een springplank voor wat we echt belangrijk vinden. Ik heb gemerkt dat mensen met wie we in contact komen het merken als wij dit met een achterliggend doel doen. Daarom is het van belang om te beseffen dat het werk dat we doen even belangrijk is als het verkondigen van het evangelie. Een vrouw die ik een tijd geleden bij de voedselbank ontmoette, haalde de eerste tijd haar pakket alleen maar op. Het was onze taak om haar dat pakket te geven. Na enkele maanden had ze een probleem. Ze kwam direct bij ons met haar probleem. Ze gaf aan dat ze bij ons kwam, omdat ze ons vertrouwde. Ze had de kat uit de boom gekeken en gemerkt dat wij er geen dubbele agenda op na hielden. Het is ook belangrijk mensen te accepteren zoals ze zijn. Wij doen vaak alsof zij een probleem hebben en wij de oplossing: wij bieden daarom onze hulp aan en zij aanvaarden die van harte. Dat er vervolgens weinig verandert komt voor een deel doordat werkers geen deel van het geheel worden. Het blijft ‘ver van mijn bed’. Voor mensen in de wijk is het van belang dat we hen accepteren zoals ze zijn. Met hun voorliefde voor bepaalde muziek, met hun directe omgangsvormen, met hun andere manier van leven. De liefde van God voor de mens die Hij heeft gemaakt mogen we op die manier aan hen doorgeven.

woensdag 11 november 2009

Column Friesch Dagblad 13: Evangeliserende atheïsten

Ik kwam onlangs tijdens het zappen terecht bij de laatste woorden van schrijver Kluun in het programma Pauw & Witteman. De schrijver, bekend om zijn roman Komt een vrouw bij de dokter heeft in het kader van de Maand van de Spiritualiteit een essay geschreven onder de titel God is gek. In het boekwerkje beschrijft hij de zendingsdrang van de moderne godsongelovigen en een behoefte om van christenen een eendimensionaal en karikaturaal beeld te schetsen en om creationisten af te schilderen als dogmatici die Darwin niet hebben begrepen.

Pauw & Witteman vlogen er snel op in. Of hij toch niet kon bewijzen dat hij gelijk had. Hij zat direct in het beklaagdenbankje. Zijn pleidooi om gelovigen in de media en de pers niet steeds zodanig het vuur aan de schenen te leggen, dat zij zich almaar moeten verdedigen, werd gepareerd met het kenmerkende cynisme waar vooral Pauw zich in interviews gemakkelijk aan overgeeft.

Kluuns constatering is terecht; ik heb dat zelf ook op veel momenten zo ervaren. ChristenUnie in de regering? Dat zal een super-christelijke regering worden, waarin het hele leven naar christelijk-ethische normen wordt hervormd. Een betuttelende regering, zo lazen we in de media. Youth for Christ haalt een aanbesteding voor algemeen jongerenwerk binnen in het stadsdeel De Baarsjes? Dan gaan ze vast en zeker evangeliseren. Zieltjes winnen voor de eigen religie. Dat kan niet, want ons land is een liberaal land, waarin jongerenwerk neutraal wordt aangeboden. Aanbieders van jongerenwerk mogen vooral geen zending uit gemeenschapsgeld bekostigen, aldus de vereniging van jongerenwerkers. Een subsidie van het Scharlaken Koord in Haarlem werd om diezelfde reden op de helling gezet.

Alleen christenen brengen hun goede nieuws en willen anderen daarvan overtuigen. Zij zijn eerst en vooral bezig om hun eigen ideologie op de voorgrond te plaatsen en moeten daarvan worden weerhouden.

Wat doen we nu met al die andere ideologieën, die vinden dat zij de waarheid in pacht hebben? Ik zou zo zeggen: op dezelfde manier behandelen. Maar dat blijkt toch van een andere orde. Een korte Google-zoektocht naar subsidiëring van yoga-cursussen levert een fraai overzicht op van een groot aantal plekken waarin het evangelie van de hindoes wordt verkondigd. Dat is niet het geval, zal de subsidiegever antwoorden. Zij scheiden de cursussen van de religie. Dat deze stellingname in de praktijk niet juist is, blijkt uit een cursus Aikido die mij als gemeenteambtenaar enkele jaren geleden op het werk werd aangeboden. Een groot deel van de cursus bestond uit een theoretische verhandeling over nut en noodzaak van de cursus. Een half dagdeel hindoeïstische evangelisatie. Betaald van gemeenschapsgeld.

Neutraal welzijnswerk in een achterstandswijk, ontdaan van alle religieuze achtergronden. Dat is de wens van het overwegend (links- of rechts-) liberale volksdeel in De Baarsjes. Neutraal omroepwerk, dat is de wens die veel werd gehoord in de tijd dat datzelfde volksdeel de paarse coalitie bemande. Dat zijn prachtige voorbeelden van de tunnelvisie die moderne atheïsten tentoonspreiden. Er is maar één waarheid en dat is de eigen waarheid. Wie zich niet aan die waarheid houdt, moet daar vooral door overtuigd worden. In de brede zin van het woord is dit niet anders dan ‘evangeliseren’: atheïsten vertellen anderen de goede boodschap van de god-loze boodschap in het openbare leven. En dat toch veelal op kosten van de gemeenschap.

De richting die de laatste tijd wordt ingeslagen, is dat iedereen zich te allen tijde moet conformeren aan de waarheid die op dit moment in het merendeel van ons land wordt beleden. Daarmee komen we in ons land in de gevarenzone van de ondertitel van het boek van Kluun: ‘Dictatuur van het atheïsme’.

zondag 11 oktober 2009

Column Friesch Dagblad 12: kerkelijke landschapsontwikkeling

Afgelopen week waren mijn vrouw en ik voor het eerst sinds 25 jaar weer op het waddeneiland Vlieland om ons zilveren jubileum te vieren met een tweede huwelijksreis.

Wie naar zo’n eiland gaat, gaat daar vooral om de natuur naar toe. Een beetje eilandganger verdiept zich ook een beetje in de achtergrond van het eiland. Zo kwam ik erachter dat pas begin vorige eeuw een begin is gemaakt met de aanleg van bossen. Daarvoor was het eiland volledig natuurlijk (organisch) ontstaan en ontwikkeld tot hoe het er op dat moment uitzag. Het was een eiland midden in zee, temidden van de natuur van wind, zee en regen en overgeleverd aan die schepping. Het eiland werd regelmatig overspoeld door de zee tijdens zware stormen. Zelfs een heel dorp werd opgeslokt door de zee.

Om het eiland te redden en een toekomst te geven, werd besloten menselijk in te grijpen. Bomen werden geplant om het eiland houvast tegeven, dammen en ribben werden aangelegd om de zee tegen te houden, verharde wegen en fietspaden werden aangelegd om vervoer op het eiland te verbeteren.

Dit deed mij denken aan de kerk van vroeger, van nu en in de toekomst. De kerk is organisch ontstaan. Door de Heilige Geest ontstond iets geheel nieuws. In het bijbelboek Handelingen zien we hoe die kerk zich organisch verder ontwikkelt. Er gebeuren dingen, de apostelen herkennen de hand van God, waarop zij verder kunnen werken. Tegelijkertijd is er sprake van menselijk ingrijpen. Als mensen in de eerste kerk klagen, wordt er door de leiders van die kerk ingegrepen en gezocht naar diakenen die een deel van de dienst van de apostelen kunnen overnemen.

In de kerk van tegenwoordig komen we dezelfde vragen tegen. In sommige kerken staat het menselijk ingrijpen centraal. Beslissingen worden genomen op basis van rationele en financiële afwegingen. De toekomst moet met beleid gemaakt worden. En zo af en toe wordt er ook nog wel gebeden daarvoor. In andere kerken voelt men veel meer voor de organische ontwikkeling. Er wordt tot God gebeden en gezocht naar Gods wil voor de eigen kerk. Er wordt geen beslissing genomen vooraleer men zeker weet dat die beslissing overeenkomt met die wil van God. Beleid en menselijk ingrijpen wordt in tegenstelling gezien met het geloof in God en het vertrouwen dat Hij ons leven leidt.

Wie door het kerkelijke landschap loopt, moet kunnen genieten van de prachtige wildernis die onder invloed van God zelf, maar ook van onvoorziene omstandigheden zijn ontstaan. Het werk van God zelf moet er te proeven zijn. De echtheid van het geloof moet er worden ervaren. Het ideaal van een dusdanig menselijk ingrijpen in de kerk, dat God wordt ervaren en er toch richting wordt gegeven aan de toekomst is prachtig, maar niet altijd haalbaar. Hier en daar zien we dat voorbij is gegaan aan de menselijke en goddelijke maat. Er is een landschap ontstaan dat is ontsierd door verbodsborden.

Geestelijke hoogbouw
In andere gevallen kan er niet meer van de natuurlijke werking worden genoten, omdat er allemaal geestelijke hoogbouw is gepleegd. Het moest het allemaal groots zijn en geweldig. Er zijn ook landschappen die worden overwoekerd door de natuur. De gedachte God alleen zijn werk te laten doen en zelf de handen ervan af te houden, zorgt voor een ongestructureerd kerklandschap. Wie de bijbel doorleest ziet, dat God te allen tijde wil samenwerken met zijn bouwmeesters aan de grond, zodat er iets moois wordt opgebouwd.

Kan er een landschap ontstaan waarin het mooie van Gods natuurlijk ingrijpen en kundig menselijk ingrijpen kan samengaan? Ik hoop het van harte. Niet door al die andere landschappen af te schaffen. Daarin voelen mensen zich thuis. Maar wellicht door nieuwe biotopen te laten ontwikkelen waar meer van die samenwerking kan ontstaan.

dinsdag 8 september 2009

Column Friesch Dagblad 11: Midlifecrisis en Abraham zien

Deze week staat in de NCRV-gids een interview met mij (in de rubriek ‘Samen op de wereld’ op pagina 15). Bij de persoonlijke beschrijving staat het kort en krachtig: Rick Jansen (50).

Op het moment van het interview drie weken geleden was ik negenenveertig, maar inmiddels ben ik een leeftijdsgrens overgegaan waarbij ik iets met Abraham heb. Een grens waar veel aandacht aan wordt geschonken. Een groot feest (niet voor mij). Een pop voor het huis (dus ook niet voor mij). Mijn dochter vroeg me of ik al iets van een midlifecrisis begon te voelen.

Mijn antwoord was ontkennend. Afgelopen week vertelde ik in een groep mijn levensverhaal. Het duurde drie kwartier. Dan had ik nog grote stukken overgeslagen. Daarna had mijn vrouw (een jaar jonger dan ik) dezelfde tijd nodig om haar verhaal, met bijna vijfentwintig jaar samen leven, te vertellen. Veel gedaan, vaak veranderd, veel meegemaakt. Veel toppen, veel dalen. In zware armoede, in veel zegeningen. Dromen waargemaakt, maar ook veel teleurstellingen tegengekomen. Een enerverend leven volgens de toehoorders.

Mensen met een midlifecrisis kijken terug en vragen zichzelf af of dit nu alles is. Het leven lijkt leeg en de bereikte dingen weinig zeggend. In die zin heb ik geen midlifecrisis nodig, omdat ik tussendoor genoeg crises heb gehad. Tijdens jarenlange werkloosheid mezelf afvragend of ik nog wel aan betaald werk zou komen. Tijdens een langdurige zoektocht na afloop van een theologische studie tegen een blok van afwijzingen aanlopend bij alle sollicitaties in wat wel geestelijk werk wordt genoemd. Alle mensen om me heen maatschappelijke carrière zien maken, terwijl ik met mijn gezin met vijf kinderen elk dubbeltje moest omdraaien.

Tegenover dergelijke crises stonden momenten van vreugde en blijdschap. Ik was baanloos, niet werkloos. In allerlei werk in kerk en in evangelisatiewerk (omringd met veel complimenten, maar onbezoldigd) kon ik ervaring opdoen. Nieuw werk opzetten, relaties opbouwen met moslims, leiding geven in besturen, nieuwe kerken beginnen. Terugkijkend zie ik hoe God mijn leven leidde ten tijde van werkloosheid, mij op tijd werk gaf toen mijn oudste kind naar de basisschool ging en een duurdere tijd aanbrak en ons een nieuw huis gaf in een wijk waar wij door Hem gebruikt konden worden.

Mijn ervaring met werkloosheid en armoede bemoedigen nu afnemers bij de Voedselbank als ik hen dat vertel (...als jij eruit bent gekomen...). Mijn ervaring met leiding geven en nieuwe dingen opzetten, komt nu goed van pas in het werk wat ik (nog steeds onbezoldigd) in de wijk doe. De ervaring in de omgang met moslims kan ik nu inzetten voor het wijkwerk waarin we veelvuldig moslims tegenkomen.

Ik kijk dus met een gerust hart terug op mijn leven tot nu toe. Ook op de dingen die schijnbaar missers waren. De scheve schaatsen, de teleurstellingen, de pijn en moeite in mijn leven hebben mij gevormd tot de persoon die ik nu ben. Daardoor kan ik het leven nu aan. Daardoor kan ik situaties doorzien. Daardoor kan ik met mensen samenwerken die mijn kinderen konden zijn.

Tevreden met verleden en heden blik ik vooruit. Ik hoef geen ander werk. Ik hoef geen andere, jongere, uitvoering van mijn huidige spetter, omdat de rimpels de uiterlijke schoonheid vervagen. Ik hoef mij niet onnatuurlijk jong te gedragen of te kleden. Ik ben tevreden met hoe ik eruit zie (ook al moet ik het aanbod van mijn werkgever voor goedkope fitness nu eens snel ter hand gaan nemen).

Ik weet dat mijn enerverende leven tot nu toe in de toekomst niet anders zal verlopen. Er zullen weer veranderingen komen, weer teleurstellingen. Ik zie ze met een gerust hart tegemoet. Deze Abraham blikt met een Jacobitische uitspraak terug op zijn leven: ‘tot hiertoe heeft de Here mij geholpen’. En gaat weer vrolijk verder met zijn leven.

dinsdag 11 augustus 2009

Friesch Dagblad column 10: De trein van het leven die doordendert

Kwart over tien ‘s ochtends. Ik zit in de trein van Nijmegen naar Roosendaal. Zojuist heb ik de snelbus vanuit Arnhem naar Nijmegen moeten nemen vanwege werkzaamheden op het spoor. U raadt het al, ik ben onderweg naar een vakantieadres. Na Roosendaal is het overstappen op de trein richting Vlissingen. Overstappen in Goes op een bus naar Terneuzen en vandaar uit naar eindbestemming Sas van Gent. Genoeg ruimte en tijd om een column te schrijven met dank aan allerlei nieuwigheden als een minilaptop en mobiel internet.

Vakantie is altijd een mooie tijd voor wat ik mijmeren noem. Rustig nadenken en mijn gedachten laten gaan over van alles en nog wat. Ik mijmer over wat er is geweest het afgelopen jaar. In onze wijk is weer veel gebeurd. Van een man die in het ziekenhuis moest worden opgenomen, waardoor ik nog meer als dominee werd ingezet. Een gesprek met diezelfde man een halfjaar later aan de vooravond van een zware operatie aan de aorta om met hem na te gaan wat er moest gebeuren als hij niet levend uit de operatie zou komen.

Maar ook leuke momenten van mensen die genieten van elke zondagse activiteit die we organiseren. Of een gasfornuis-ruil van een echtpaar dat een nieuw fornuis kreeg, waardoor wij hun tweedehands konden overnemen en wij vervolgens weer een ander gelukkig konden maken die al drie jaar niet meer had kunnen koken. Het geluk vooral van de laatste die enkele dagen later verrukt belde dat ze elke dag kon koken.
Mensen die we nieuw mochten begroeten. En voor het eerst zit onze zondagse brunch en viering ook in de zomer vol. Mooie nieuwe ontwikkelingen.

Heden
De trein rijdt Oss binnen en ik denk aan alle dingen die ik nu hoor. Voor de media is de zomer een welwillend moment om allerlei vage informatie breeduit te behandelen. Van zielige militairen waarvan we niet weten hoeveel van hen er tengevolge van uitzendingen ziek zijn geworden. Tot de breed uitgemeten scoop over het nieuwe programma van de EO Loopt een man over het water..., wat eerst met man en macht door directie en makers werd verdedigd, maar vervolgens na wel heel veel kritiek en lidmaatschapsopzeggingen werd gestopt. Caberetier Guido Weijers in alle staten in allerlei programma’s zichtbaar.
Presentator Arie Boomsma in minder staten, maar wel in vertwijfeling of de EO nu de juiste plek is om zijn toekomst, dromen en ideeën uit te voeren.

Zomer is ook het moment om persoonlijk eens rustig te acclimatiseren en uit te rusten van de drukte van het afgelopen jaar. Het kostte mij ruim een week om in de gewilde zomerstemming terecht te komen vanwege allerlei laatste vergaderingen en afspraken die ik moest nakomen. Maar ook lichamelijk moest ik toch even afkicken.

Toekomst
Ik nader Den Bosch. Hoe zal het in de komende tijd gaan. Er staat veel te gebeuren. Ik besef zelf dat ik op een kruispunt sta. Moet ik gemeenteambtenaar blijven? Of moet ik al mijn werkbare leven inzetten voor het wijkwerk, wat langzamerhand ook kerkenwerk aan het worden is? Of moet ik de frequentie van mijn columns-schrijven vergroten?

Drie van mijn kinderen gaan iets heel anders ondernemen. Een vierde zit op uitzending in Afganistan. Hoe zal het met ze verder gaan?

Ik zit in de trein met eindbestemming Roosendaal. Dat is niet mijn uiteindelijke eindbestemming. Daarvoor moet ik nog drie keer overstappen. Zo is het ook in mijn leven. Een tijdlang ben ik met mensen op reis in een bepaald werk, maar na verloop van tijd moet ik weer overstappen. Moet ik dit jaar de overstap wagen? Ik moet denken aan een lied van Guus Meeuwis dat ik heb vertaald, Kedeng, kedeng. Hij heeft het over een trein die richting zijn geliefde gaat. Ik heb het over het leven dat net een spoor lijkt. Je stapt op de trein en het dendert maar door. De trein van het leven gaat ook steeds maar door. Als je niet uitstapt, bewust geniet van het zicht ondertussen, nader je op een gegeven moment je eindbestemming en vraag je jezelf af wat je leven heeft gebracht. Sommigen schrikken daarvan en vragen zich af waarom ze niet vaker uitgestapt zijn om te genieten van de omgeving van de trein.

Hoe zat dat ook al weer met die spreuk dat God ons geen kalme reis, maar wel een behouden aankomst heeft beloofd?

woensdag 15 juli 2009

Friesch Dagblad Column 9: Wie hoort er bij?

Lees mijn nieuwste column onder de titel "Wie hoort er bij?" op de website van het Friesch Dagblad.

Hieronder cursief de letterlijke tekst.

Een van de belangrijke speerpunten die wij bij Villa Klarendal in Arnhem hanteren, is dat bezoekers zich bij ons thuis mogen voelen. Daarvoor hebben we allerlei barrières die dat in de weg staan zo veel mogelijk proberen weg te nemen.
De liederen die we zingen hebben we zo veel mogelijk aangepast aan de sfeer en smaak die in onze wijk bekend is. Maar ook de inhoud van die liederen moet niet al te veel vragen opleveren en is dus aangepast aan de taal en spraak in onze wijk.

Als mensen met ons willen meewerken, gaan we niet eerst een hele lijst van eisen en wensen af om te kijken of ze wel geschikt genoeg zijn. Wijkbewoners mogen met ons meedoen en soms hebben we hen laten deelnemen terwijl ze het nog niet helemaal eens zijn met wat wij verkondigen. De koffie smaakt er niet minder om.

Geen bekeringsdrang
Onlangs hadden we een vrijwilligersavond. Ik keek om me heen en zag dat er mensen van allerlei slag bij zaten. Religieus gezien zaten er naast mensen met een christelijke achtergrond ook mensen met een hindoestaanse, islamitische of religieloze achtergrond. Ze voelen zich zo bij ons thuis dat ze bereid zijn een deel van hun tijd te geven aan ons werk in de wijk. Ze zijn door hun andere achtergrond wat ons betreft niet minder dan andere vrijwilligers. Terwijl ze weten dat wij het werk vanuit een christelijke inspiratie doen, zijn ze bereid met ons mee te werken. En wij zijn bereid hen niet telkens te bestoken met een bekeringsdrang, omdat ze wat ons betreft rustig mogen meedoen, meedraaien en meeluisteren. Dan zal God vanzelf wel in hun leven werken.

Doordat mensen zich thuis voelen, ontstaat er op een natuurlijke manier een nieuwe vorm van gemeenschap. Mensen zijn op elkaar betrokken, vullen elkaar aan, zorgen voor elkaar en dragen daadwerkelijke zorg voor de ander. Een gemeentelid dat in het ziekenhuis ligt, krijgt vrijwel dagelijks bezoek van andere leden. En elke keer als ik weer een gemeentelid tegenkom, willen ze graag weten hoe het met het medelid gaat.

Doordat mensen zich thuis voelen wordt gemeenschap soms breder ervaren dan wij van nature als christenen gewend zijn. De niet- of nog-niet-zo-gelovige bezoekers zijn net zo betrokken op de anderen als de gelovige bezoekers. Dat stelt ons voor interessante vragen als: wanneer is er sprake van christelijke gemeenschap? Wie hoort erbij en wie niet? Moeten we met lidmaatschap beginnen of juist niet?

Drempel
Dat ik deze vragen stel, laat zien dat ik geen antwoord heb op deze vragen. In sommige kerken is lidmaatschap heel duidelijk. Er zijn regels opgesteld voor wie wel en wie niet tot de gemeenschap behoren. Daarmee worden potentiële leden nog even buitengehouden totdat ze ‘zo ver’ zijn dat ze wel kunnen toetreden. Daarmee is duidelijkheid geschapen voor wie binnen en wie buiten zijn. Dat kan een drempel vormen voor mensen die zich graag willen aansluiten, maar nog niet zo ver zijn.

Als ik dan kijk naar Jezus’ gemeenschap met zijn discipelen, vraag ik mij af welk model het dichtst daarbij nadert. Hij nodigde mensen van divers allooi uit. Van vrome gelovigen tot zware heidenen. Die gingen met elkaar op pad om Jezus te volgen. Gedurende hun reis kwamen ze zichzelf regelmatig tegen. Af en toe was er een geweldige gelovige uitspraak, waarbij Jezus ongetwijfeld figuurlijk een sprong in de lucht deed. Waarna hij vervolgens weer met een plof op aarde kon terugkeren, of - nog dieper - hem de moed in de schoenen zonk, door een uitspraak, een vraag of een handeling van een geheel andere aard.

Is dat misschien wat Jezus bedoelde met het onkruid en het koren dat samen opgroeit? Het zou kunnen. Ik heb in ieder geval, om maar met diezelfde vergelijking door te gaan, wel in de afgelopen jaren veel vermeend onkruid zien veranderen in bruikbaar koren. God verandert mensen. Niet doordat wij eraan trekken, maar doordat mensen zich eerst bij ons thuis voelen en daarna bij Hem thuis komen.

dinsdag 16 juni 2009

Friesch Dagblad Column 8: Humor

Mijn volgende column is te bewonderen in het Friesch Dagblad vandaag. Maar natuurlijk gewoontegetrouw ook hier door te lezen.

Humor is een geweldig en door christenen te veel vergeten middel

'Lachen is gezond', ‘Een vrolijk hart brengt een lach op het gezicht, een verdrietig hart pijnigt de geest’ en ‘Een vrolijk hart bevordert een goede gezondheid, een sombere geest verzwakt het lichaam’.

Drie spreuken die gaan over het belang van lachen en humor. Om ons heen is het soms kommer en kwel en lijkt het alsof iedereen problemen heeft. De kredietcrisis grijpt om zich heen en het Journaal pepert het ons allemaal nog even extra in. Het is een moeilijke tijd en daar moeten we vooral van doordrongen zijn.

Juist in deze tijd zoeken mensen naar enige ontspanning uit de druk van de tijd. Ze kijken op televisie vooral naar ontspannende programma’s. Er komen nieuwe tv-kanalen als Comedy Channel bij. We hebben even tijd voor de noodzakelijke verlichting nodig en komen tot rust bij die lachwekkende programma’s.

Wijsvinger
Christenen vragen zich soms af waarom hun medelanders nu juist naar dat soort afleiding zoeken en niet verder zoeken dan hun afleidende neus lang is. Met een figuurlijke priemende wijsvinger spreken ze smalend over ‘het volk dat alleen brood en spelen wil’. Om vervolgens de games, de spelletjes, de kluchten of de showprogramma’s af te doen als nietszeggend en onnuttig.

Gelovigen wijzen echter op een splinter, terwijl ze een balk in het eigen oog hebben als hen een humoristische spiegel wordt voor gehouden. Dan is alles ach en wee. Want die ongelovigen spreken beledigend over het eigen geloof. Om vervolgens al verdedigend tot aan de hoogste rechter het eigen gelijk over het recht om beledigd te mogen zijn te behalen.

Wat is Theo van Gogh toen hij nog leefde vaak door christenen verguisd om zijn afschuwwekkende uitspraken over Jezus. Hoezeer hebben christenen zich geërgerd over toneelstukken waarin God als een ezel werd voorgesteld. Om dan maar niet te spreken over spotprenten waarin de christelijke religie openlijk werd bespot.

Is humor niet juist een geweldig en door christenen te veel vergeten middel? Om anderen iets te leren. Maar ook om onszelf een spiegel voor te houden. Sommige geloven staan bekend om hun kunst van zelfspot. Sommige joodse groepen kennen een geweldige humor waarin het eigen leven van een lachwekkend randje wordt voorzien. Een gezond en volwassen geloof is het geloof dat zichzelf van een afstandje durft te bezien en daarvan de humor inziet.

Luisteren naar de spot en satire over het geloof is van zoveel meer waarde. Want over
het algemeen heeft die spot niet de kern van het geloof op het oog, maar de uitingen daarvan. De menselijke kant van de religie, waar helaas, naast veel goeds, heel veel kwaads uit is voort gekomen.

Synodes
De positie van pastores en dominees, kerkenraden en synodes, of de behandeling van vraagstukken die zover van de vragen van deze tijd af staan dat een buitenstaander niet anders kan doen dan er met grote vraagtekens een spottende satire over te houden.

Tegenover een volwassen geloof dat zichzelf met humor van een afstandje kan bezien, staat een angstig, onzeker, naar emancipatie smachtend geloof dat door achterstand allerlei wegen aangrijpt om maar te bewijzen dat het eigen geloof het enig ware geloof is. Waarin men ter verdediging al snel in fundamentalisme vervalt, dat alleen maar hamert, eist, verwacht, of in het slechtste geval terroriseert, zonder ook maar een vleugje van zelfspot.

Dan denken we al snel aan die terroristen die er alles voor over hebben om hun gelijk te halen, zelfs hun eigen leven. Want die zijn fanatiek en eng. Nu zie ik christenen niet als terroristen, maar een geloof waarin de humor wordt uitgebannen als een nietszeggende of onnodige bezigheid, loopt al snel het gevaar een enghartige religie te worden.

‘Een vrolijk hart bevordert een goede gezondheid’. Wat zou er gebeuren als christenen het vrolijke hart niet alleen met de mond - als zondaar met hele noten of handuitstrekkend met praise - belijden, maar daadwerkelijk gaan beleven en uitleven in het leven rondom hen heen. Ik zou zo zeggen: ‘Laat ze eens lachen!’ En lach dan vooral om uzelf!

woensdag 27 mei 2009

Artikel Friesch Dagblad over conferentie Urban Expression

Vorige week woensdag was ik op de conferentie van Urban Expression waarin Stuart Murray sprak onder andere sprak over "Relatie bestaande kerken en de Emerging Church (en andere nieuwe vormen van kerk-zijn)". Aangezien ik toch met een laptop aanwezig was, heb ik het een en ander uit zijn mond opgetekend en verwoord in een artikel dat vandaag in het Friesch Dagblad is gepubliceerd.

Hieronder de tekst van het artikel

______________________________________

Stuart Murray op conferentie van Urban Expression over nieuwe kerkvormen:

Gevestigde kerken spelen vaak thuiswedstrijd

Arnhem - Gevestigde kerken stralen vaak uit: kom maar naar ons. Buitenstaanders moeten maar naar de zondagse dienst komen en zich aanpassen. Deze kerken kunnen leren van nieuwe kerken, stelde Stuart Murray op een conferentie van Urban Expression. Maar de gevestigde kerken hebben nieuwere kerken óók wat te zeggen.

Urban Expression is een organisatie die teams werft en toerust voor zending in de stad. Hierbij richt zij zich op zichzelf financierende teams die pionieren in creatieve en relevante uitdrukkingen van de christelijke gemeente in stedelijke gebieden met weinig of geen kerkelijke presentie. Voor een conferentie die onlangs werd gehouden, was de Britse theoloog Stuart Murray uitgenodigd. Hij zoomde in op wat bestaande kerken en nieuwe kerken voor elkaar kunnen betekenen.

Murray vergeleek bestaande kerken met een sportteam. "Het is algemeen bekend dat een uitwedstrijd intimiderend is voor het bezoekende team. De entourage is onbekend, het publiek op de hand van de ander. Daarom wint een thuisteam vaak."
Nieuwe kerken hebben ontdekt dat de kerk altijd een thuiswedstrijd heeft gespeeld, aldus Murray. "Dat was niet zo erg in een tijd waarin iedereen zich vertrouwd voelde bij de cultuur die een kerkdienst uitstraalde. Tegenwoordig leven we echter in een cultuur waarin het kerkgebouw bijna als buitenaards wordt ervaren, waardoor bezoekers zich daar niet comfortabel voelen." Daarom gaan nieuwe kerken een andere weg: ze proberen dichtbij mensen te komen. "Net zoals Jezus mens werd en naar ons toe kwam (incarnatie)."

Bereik
Binnen gevestigde kerken, vooral bij pinkster- en evangelische gemeenten, heerst het idee dat men iedereen bereikt, zei Murray. "Uit allerlei onderzoeken in Groot-Brittannië blijkt dat dit niet zo is, en dat men slechts een klein deel van de samenleving bereikt." Doordat nieuwere kerken nieuwe groepen bereiken, kan dat gevestigde kerken aan het nadenken zetten over wie zij niet bereiken.
Sommige nieuwe kerken groeien ook door overloop uit de gevestigde kerken. Die mensen voelen zich in de bestaande kerk niet meer thuis, maar voelen zich wel aangetrokken tot een nieuwe kerkvorm. "Het lijkt erop dat gevestigde kerken moeite hebben om mensen die geestelijk volwassen zijn geworden verder te helpen", aldus Murray. In de emerging church-beweging zijn ook mensen welkom die lastige vragen stellen. Zo schrijft bijvoorbeeld iemand dat hij werd achtervolgd door vragen als ‘Waarom is Jezus zo boeiend en de kerk zo suf?’, ‘Waarom is Jezus progressief en laat Hij veel stof opwaaien, en is de kerk vaak conservatief en irrelevant?’, of: ‘Waarom staan christenen bekend om geen-seks-voor-het-huwelijk en SGP-politiek, en niet om liefde en genade?’

Mensen met lastige vragen worden in hun eigen kerken - met name in de evangelische en pinkstergemeenten - vaak niet begrepen. Dat komt omdat deze kerken meer geïnteresseerd zijn in het geven van heldere antwoorden, zonder vragen te stellen, stelde Murray. ‘Emergers’ lijken daarentegen alleen vragen te stellen, zonder antwoorden te verwachten. Daarin kunnen ze volgens Murray van elkaar leren.
Vanuit nieuwe kerkvormen klinkt kritiek op de gevestigde kerken dat er te weinig ruimte zou zijn voor vriendschappen, als gevolg van een teveel aan activiteiten. Nieuwe kerken zetten in op vriendschappen voor het leven. Leven is voor hen de basis van het werk, niet de organisatie. Voor sommige gevestigde kerken lijkt ‘kerk-doen’ belangrijker dan ‘kerk-zijn’, stelde Murray.

Netwerken
Er wordt in Nederland veel nagedacht over samenwerking tussen verschillende kerken. Die samenwerking is grotendeels gestoeld op theologie. In nieuwere kerken komen christenen juist op een organische manier bijeen. Het gaat hen niet in de eerste instantie om de juiste theologie. Voor hen is netwerken belangrijker dan organisatie. "Daarin sluiten ze aan bij de maatschappij, die veel meer een netwerkmaatschappij is geworden en waar instituties sterk aan waarde verloren hebben. In die zin leren nieuwe kerken de bestaande kerken wat het betekent om post-denominationeel te zijn. Er wordt samengewerkt over de institutionele kerkmuren heen."

Murray benadrukte dat nieuwe kerken ook kunnen leren van de gevestigde kerken. Het gevaar bestaat anders dat de nieuwe gemeenschappen arrogant worden, de waarheid in pacht denken te hebben en anderen niet nodig menen te hebben, stelde de theoloog. Vooral als de nieuwe gemeenschappen gaan groeien, blijkt dat er nog veel te leren valt van de gevestigde kerken. Op dit moment is de emerging church-beweging nog deels een tegendraadse beweging. Als de beweging gaat groeien, zal ze tot de conclusie komen dat niet alles in de gevestigde kerk verkeerd is, aldus Murray. De gevestigde kerken bieden stabiliteit en een schat aan tradities rondom aanbidding, bijbellezen en samenkomen. Nieuwe gemeenschappen stellen daar kritische vragen bij en zijn steeds op zoek naar nieuwe manieren en vormen. De gevestigde kerken bieden een rijke schakering aan bronnen op gebied van theologie, pastoraat en kerkgeschiedenis. De emerging church is tenslotte niet de eerste vernieuwende beweging in de kerk, zei Murray.

Het is volgens Murray ook belangrijk dat de gevestigde kerken de emerging church kritisch bevragen. Een belangrijke vraag is hoe die gemeenschappen een balans vinden tussen culturele aanpassing en cultuurkritiek. Veel mensen binnen de emerging church willen (de uitingen van) het geloof aanpassen aan de huidige, postmoderne cultuur: de kerk moet een plaats zijn waar mensen zich thuis voelen.
Het geloof biedt echter ook een uitdaging aan de cultuur, aldus Murray. "Daarbij zal ook de vraag moeten worden gesteld wat binnen de cultuur verkeerd is, en bevraagd moet worden. Anders lopen nieuwere kerken het gevaar om volledig door de postmoderne cultuur te worden opgeslokt."

Ook op het gebied van geloofsoverdracht en leiderschap kunnen nieuwe kerken leren van de gevestigde kerken, volgens Murray. Leiderschap is in veel nieuwe gemeenschappen gericht op vriendschap. Structuren zijn vooral organisch van aard. De vraag is hoe dit gaat verlopen als de kleine groep gaat groeien. Dan moet worden nagedacht over het voorkomen van machtsmisbruik en manipulatie, en over een verantwoordingsstructuur.

Samenwerking
Hoe kan het gesprek tussen gevestigde kerken en nieuwe gemeenschappen het beste worden vormgegeven, vroeg Murray zich af. Hij benadrukte het belang van het vinden van wegen om elkaar open te bevragen. Murray voelt veel voor "gezonde vormen van partnerschap" tussen beide groepen, op zowel lokaal als regionaal niveau. Partnerschappen waarbij de ‘betalende partij’ geen invloed gaat opeisen voor de richting van de nieuwe gemeenschap. Maar waar juist volop ruimte wordt geboden om een eigen richting in te gaan.
De basis daarvoor ligt volgens Murray in de erkenning dat we ons bevinden in een veranderende cultuur en dat we de problemen daarvan aan den lijve ondervinden. "Belangrijk is ook dat nieuwe gemeenschappen en gevestigde kerken erkennen dat ze uiteindelijk toch veel gemeen hebben. Erkennen dat Gods kerk verscheidenheid kent, maakt daar deel van uit. Dan ontstaat er onderlinge ruimte, waarin kerken elkaar kunnen bevestigen, in plaats van elkaar bekritiseren."

woensdag 20 mei 2009

Friesch Dagblad Column 7: Eenzaamheid/gemeenschap

Het is er weer tijd voor...

Vandaag in de krant van het hoge noorden.

Ik werd dit weekend getroffen door een krantenkop in het Nederlands Dagblad. ‘Eenzaamheid in kerk komt hard aan’. Diaconaal consulent Dirk-Albert Prins van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) wordt geciteerd tijdens een afgelopen vrijdag gehouden afscheidssymposium. Volgens de scheidende consulent is in kerkdiensten de ontmoeting met God te strak geregisseerd, terwijl de ontmoeting tussen mensen te weinig wordt georganiseerd.

Het krantenbericht slaat volgens mij de pijnlijke spijker op de kerkelijke kop. Twee weken geleden was ik in mijn eigen pinkstergemeente en afgelopen zondag was ik in een kerkdienst van een gereformeerde gezindte. De stijl is anders, maar de organisatie is vergelijkbaar. Iedereen zit in rijtjes achter elkaar. Gericht op een podium waarop alles gebeurt. De dominee of voorganger, de zang(aanbiddings)leider als extra persoon. Het orgel, de piano of de band. Het samen zingen geeft een zeker gevoel van saamhorigheid. Maar in beide gevallen zit ik op een stoel tussen anderen in. Als ik een vreemde was, zou ik niet weten wie er naast mij zit. De gereformeerde dienst is tot in de puntjes geregeld. Die van de pinkstergemeente ook. En ik weet dat daar zelfs de vrijheid georkestreerd is. In beide gevallen ga ik op in de massa en word anoniem binnen een groter geheel. Dat kan het gevoel van eenzaamheid versterken.

De sterke gerichtheid op het podium heeft onder andere te maken met ons, vaak onbewuste, verlangen om de diensten attractief te maken. Dat mensen wat er gebeurt als mooi ervaren. Een behoorlijk deel van de begroting van kerken en gemeenten gaat op aan de versterking van de attractie. Het podium moet mooi bekleed worden, de versterking moet prachtig klinken, de muziekinstrumenten moeten fraai in het gehoor liggen, de band moet goed op elkaar ingespeeld zijn, de bloemen moeten mooi geschikt zijn, de muurbekleding moet het gevoel geven dat men welkom is.

In die attractie van de kerkdiensten is de kerk onbewust aan het concurreren met andere delen van onze samenleving. Wat is een kerkdienst anders dan een theater waar mensen binnen komen en meekijken naar wat er op het podium wordt gespeeld? Goed, er is iets meer interactiviteit in de kerk. Maar als een spreker een vraag stelt aan de zaal, zal de zaal reageren als een theaterpubliek. Het wordt stil en iedereen kijkt elkaar aan: ‘Heeft-ie het nou tegen ons?’ De kerk legt het qua attractie af tegen het echte theater, omdat veel dingen die in de kerk gebeuren goed bedoeld, maar amateuristisch zijn. En het materieel is over het algemeen niet zo gemakkelijk als in een theater.

Waar ontmoette Jezus zijn mensen? Niet in grote gebouwen of in rijtjes stoelen achter elkaar. Hij kwam ze op straat tegen, nodigde zichzelf uit om bij hen te eten. Veel gemeenschapsaspecten vonden plaats in de huiselijke sfeer. Spontane momenten waarin hij mensen ontmoette en waarin hij met zijn discipelen tot een dieper gesprek kwam. Maaltijden organiseren lijkt daarom het nieuwe modewoord. Dat doen wijzelf ook in ons project. Maar ook daar kan organisatie de bovenhand krijgen boven gemeenschap. Als de organisatie van die maaltijd gaat lijken op die van een restaurant met obers, die al klaar staan om af te ruimen als ik mijn laatste hap naar binnen werk, is de gemeenschap ver te zoeken.

Daadwerkelijke belangstelling is volgens mij de crux. Echt geïnteresseerd zijn in de ander. Mijn eigen gedachten en interesses opzij zetten voor hem of haar. Ruimte geven aan de ander om er te mogen zijn. Te laten merken dat de ander bij ons welkom is.
Daarmee geef ik geen oplossing voor de vorm. Wel voor de inhoud. Want waar organisatie ondergeschikt wordt aan relatie, zullen mensen zich op hun plek voelen en weten dat zij daar thuis mogen zijn.

dinsdag 21 april 2009

Friesch Dagblad Column 6: Nieuwe wegen voor de kerk

Voor je het weet is er al weer een maand voorbij. Dus weer tijd voor een nieuwe column. Ditmaal over mijn ervaringen en gedachten bij het weekend van het Emerging Netwerk.

Het was de afgelopen weken nogal in het nieuws. Een paar weken geleden werden twee boeken ter doop gehouden (kinderdoop wel te verstaan) die veel verbinding met elkaar hebben. Ploeteren en pionieren van het duo Nico-Dirk van Loo en Martijn Vellekoop en De ontdekking van het Koninkrijk van Daniël de Wolf (ook wel bekend van Jezus in de Millinx). Beide boeken gaan over verandering in de kerk van vandaag. De een met de insteek van hoe vijf pioniers de afgelopen jaren geploeterd en gepionierd hebben om te komen tot nieuwe vormen van kerk-zijn. De ander met een persoonlijk verhaal van twijfel en onzekerheid waarin uiteindelijk de ontdekking van de boodschap van het Koninkrijk wordt ontdekt.

Er is de laatste tijd veel aandacht voor die nieuwe vormen. De kerken lopen leeg. Ook de evangelische beweging kent inmiddels zijn eigen achterdeuren die door allerlei oorzaken tot nu toe niet zichtbaar zijn geweest. Sommige mensen die door de achterdeur van de evangelische gemeenten is vertrokken, wilden graag meer betekenen voor onze maatschappij - maar ze hebben het gevoel dat hun gemeente daarin faalt. Met pijn en verdriet hebben ze de deur van de gemeente achter zich dicht gedaan. Zij lijken elkaar te vinden bij een nieuwe beweging die zich situeert rond het Emerging Netwerk.

Afgelopen weekend was ik betrokken bij een bijeenkomst dat door dat netwerk werd georganiseerd. 27 mensen van allerlei achtergrond en leeftijd trokken een weekend met elkaar op om elkaar te steunen, met elkaar mee te denken en nieuwe moed te verzamelen voor nieuwe wegen die in Nederland aan het ontstaan zijn. Nieuwe wegen met veel nieuwe mogelijkheden. Van mensen die een gezellige wijkkerk starten tot zij die met een stel jongeren samen in de eigen buurt op pad gaat. Van theologische vernieuwers tot mensen met een ‘traditionele’ evangelische gedachtegang. Van mensen die hun weg al helemaal lijken te hebben gevonden tot mensen die nog helemaal op zoek zijn naar welke plek ze moeten innemen. Veel weekendgangers zijn op zoek naar medestanders voor de weg die zij lopen. En velen van hen komen maar weinig christenen in de eigen omgeving tegen die begrijpen waar ze mee bezig zijn, waardoor vereenzaming dreigt. Het weekend was daarom voor iedereen een feest van herkenning, een plek waarin mensen elkaar verhalen konden vertellen en ook een moment waarop de eigen pijn en moeite kon worden gedeeld.

Samen nadenken over de toekomst van kerk-zijn in Nederland is geweldig. Nieuwe ideeën ontstaan. Pijn en teleurstelling maken plaats voor hoop en verwachting. Op enkele plekken worden al nieuwe probeersels uitgedacht en uitgewerkt. Dat geeft ook de ‘emerging burger’ die niet zo pioniersgezind is moed om zelf op de eigen plek of in de eigen omgeving te kijken naar nieuwe mogelijkheden.

Maar ook hier kan weer het gevaar ontstaan waar alle kerkelijke bewegingen tot nu toe mee te maken hebben gehad. Het Emerging Netwerk kan een tegenreactie zijn op de misstanden in de gevestigde kerken in Nederland (zowel de protestantse kerken als de evangelische beweging). Na verloop van tijd kan de goed begonnen beweging institutionaliseren. Of opgaan in allerlei sektarisch of buitenkerkelijk geneuzel waar men andere kerken verre van wil houden. Mijn hoop is gevestigd op vormen van samenwerking tussen ‘oude’ kerken en gemeenten en de nieuwe beweging. De geschiedenis leert ons dat de protestantse beweging werd genoodzaakt uit de Rooms-Katholieke Kerk te stappen en een eigen kerk te stichten, waardoor die sterk anti-katholiek werd. Zowel de evangelische beweging als de pinksterbeweging werden op hun beurt genoodzaakt uit de protestants-liberale kerken te stappen, waardoor zij sterk anti-protestants werden. Een samenwerking tussen oud en nieuw kan ons kerkelijke land een nieuwe weg bieden, die ontdaan is van het anti-karakter dat ons kerkelijke landschap zo vaak heeft verdeeld. Een ‘enge weg’ die naar een hoopvolle toekomst leidt.

zaterdag 28 maart 2009

Friesch Dagblad column 5: Make A Difference

Afgelopen dinsdag is mijn column "Make A Difference" in het Friesch Dagblad verschenen. Reactie van de redacteur: Ik vind dat je een mooi aantrekkelijke manier van schrijven hebt, een aanwinst op pagina 2!

Of jij het hiermee eens bent, kun je hieronder zelf beoordelen.

Afgelopen vrijdag en zaterdag was het weer zo ver. De website kondigde het weer groots aan: ‘Zoveel mogelijk mensen doen in heel Nederland één of twee dagen vrijwilligerswerk. Collega’s, klasgenoten, buren, vrijwilligersorganisaties, clubgenoten, vrienden, teamleden, vrijwilligerscentrales; iedereen die iets in zijn omgeving wil aanpakken, kan meedoen.’

Het is lente, dus tijd voor de jaarlijkse vrijwilligersgekte van Make A Difference Day (MADD). Grote namen, variërend van prins Willem-Alexander, prinses Maxima,dj Sander de Heer, zangeres Willeke Alberti, verslaggever soko soko Quintis Ristie en wel negen bewindslieden, gaan de straat op en de tehuizen in om allerlei activiteiten te ondernemen onder de noemer van vrijwilligerswerk.

Een prachtig initiatief om vrijwilligerswerk te promoten. Een dag waarop iedereen zich langzamerhand verplicht gaat voelen om toch vooral mee te gaan doen. Een dag die het gevoel van kerst in de lente terug lijkt te brengen: samen fijn iets moois voor onze medemens doen.

Ik heb dubbele gevoelens bij dergelijke dagen. Het kan inderdaad een promotie zijn om mensen kennis te laten maken met vrijwilligerswerk en met de organisaties die daarin actief zijn. Het kan een stimulans zijn voor mensen om ook eens verder te kijken en zich zinvol in te zetten in ons land. Aan de andere kant kan zo’n dag voor velen die verder niet betrokken zijn bij vrijwilligerswerk een afkoopsom zijn, die het gevoel van schaamte en schuld afkoopt met een of twee dagen hard werken per jaar.

‘Maak-een-verschil-dag’ kan daarmee gemakkelijk worden geïnterpreteerd als ‘maak één dag het verschil’. Dan kan de rest van het jaar weer worden ingevuld met de dingen die we zelf zo graag doen. Even een bonusje teruggeven in een voor de rest van bonussen overladen leven.

Ik kijk om mij heen en zie nog vele lege plekken. Met tranen in de ogen vertelt een buurtgenoot dat een busreis voor ouderen niet meer doorgaat. Ouderen en gehandicapten kwijnen weg, smachtend naar de door de wmo betaalde thuiszorger die dagelijks snel even de noodzakelijke verzorging komt leveren tegen marktconforme prijzen. Prachtige initiatieven rond Internationale Vrouwendag kunnen niet doorgaan, omdat de integratie blijkbaar geslaagd is. ‘Te druk’ hoor ik uit Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse monden. Een succesvolle eetgroep met kinderen uit diverse culturen dreigt ten onder te gaan, omdat een parttime betaalde medewerkster nu eenmaal moeilijk met twee handen negen monden kan voeden. Het zijn vooral ouderen in de leeftijd van mijn ouders die ik tegenkom als er weer eens een vrijwilligersfeestje in de wijk wordt georganiseerd. Als een hongerige leeuw slokken het werkende leven, de huishoudelijke verplichtingen, de verplichte ritjes naar de vrijetijdsactiviteiten van de kinderen en de zo noodzakelijke sportactiviteiten de tijd van ons leven op.

Maak het verschil. Dat is de letterlijke vertaling van de dag. Het zou zomaar uit de bijbel kunnen komen: ‘Gij geheel anders’. Voor mij is de vraag in hoeverre christenen in deze samenleving ook daadwerkelijk het verschil maken. Net even wat anders zijn dan anderen. Of leven zij net zoals ieder ander en sluiten op die ene dag aan om groots uit te pakken met dat vrijwilligerswerk?

Goed, uit onderzoek blijkt dat christenen nog steeds het leeuwendeel van het vrijwilligerswerk in ons land op zich nemen. Daarin maken ze nog steeds verschil. Vraag blijft of dit christenen van alle leeftijden zijn, of dat het vooral gaat om de christenen die door hun vut of pensioen tijd over hebben, geen pensionado’s zijn en daarom hun rijkelijke vrije tijd vullen met zinvol werk. Ook voor jongeren en mensen in het volle leven staan, die het volgen van Jezus serieus willen nemen, gelden de woorden dat we anders mogen zijn. De keuze is aan ons: ‘Make A Difference Day’ of ‘Make A Difference Every Day’.

dinsdag 24 februari 2009

Friesch Dagblad column 4: Feest!

Vandaag is er weer een column geplaatst die ik afgelopen zondag, na afloop van de carnavalsoptocht in onze wijk heb geschreven.

Vrijdagmiddag. Ik zit op het wijkcentrum van onze wijk. Overal gegons van drukke stemmetjes die verraden dat er iets feestelijks in de lucht zit. Dit sinterklaasgevoel gaat gepaard met vrolijke kleren, geschminkte gezichten of grote maskers. De grote verkleedpartij is weer in de wijk. Het carnavalsweekend is ontegenzeggelijk aangebroken.

In deze wijk is het feest niet alleen een kinderfeest, zoals we dat in het gehele land op basisscholen tegenkomen. Het is een feest waaraan veel wijkbewoners lol beleven. Sommigen doordat ze maanden van tevoren aan een praalwagen werken die zondags door de straten rijdt. Anderen doordat ze als prins zijn uitgekozen en hun eigen club mogen vertegenwoordigen.

In die wijk willen wij een gemeenschap van christenen vormen. Toen we daarmee begonnen was een van de vragen hoe we zouden omgaan met dit feest. Aangezien we ervoor kozen om de wijk centraal te zetten en met mensen wilden mee feesten als zij feest vieren, besloten we actief deel te nemen aan dit feest. We hebben daarom voor een carnavalesk alternatief gekozen. Temidden van dit feest, dat gepaard gaat met liters alcohol, zetten we een tafel gereed waarop we (nuchter makende) koffie, thee en frisdrank schonken. Dit ging de eerste jaren gepaard met posters waarop teksten stonden als “heb je het even koud in je carnavalskloffie, drink dan hier hete thee of koffie” of “na een glas of twee, drink je hier lekker koffie of thee”. Zo konden we met een knipoog iets positiefs bijdragen aan dit feest.

Zondagmiddag één uur. We slepen de grootste en meest stevige tafel naar buiten. Er wordt een mooi tafelkleed overheen gedaan. Koffie- en theekannen en karaffen limonade worden naar buiten gesjouwd. De grote soundmachine wordt buiten gezet om een tegenwicht te bieden aan al het mooie carnavalsgezang. We plaatsen onszelf achter de tafel en zijn benieuwd naar wat er gaat gebeuren. Al snel hebben de vele bezoekers die in rijen langs de straat staan wachten op de optocht de gang naar de tafel gevonden. Sommigen leggen geld op de tafel, waarna we uitleggen dat alles gratis is. Een van ons snelt naar binnen om even een A4-tje “gratis” op de tafel te leggen. De CD met Salvador, tot nu toe de enige feestmuziek-achtige christelijke sound die bruikbaar was voor dit soort gelegenheden, is helaas onvindbaar. Kirk Franklin is met zijn R&B muziek natuurlijk niet te vergelijken met de swingende Braziliaans aandoende muziek, maar aanvaardbaar. Onze soundmachine wordt voor deze middag op aanvaardbaar -hoog- niveau aangezet.

De optocht komt langs. Ik wijs regelmatig naar de gratis koffie en thee die klaar staan. De een steekt zijn duim omhoog, de ander zijn flesje bier of kruikje whiskey. Maar ook velen ervaren de kou van de dag en aanvaarden dankbaar de warme drank. Soms moet ik de drank al rennend naast de wagen aanreiken. Ik kom in gesprek met mensen die zich afvragen waarom we dit doen. Als ik het ze uitleg, is de reactie alleen maar positief. Eindelijk christenen die op een positieve manier reageren op waar de wijk van geniet.

Onze activiteit wordt van alle kanten positief gewaardeerd. Het paard in de gang en de balletjes van de koningin worden afgewisseld door de liefde die God geeft. Het wordt gehoord, ook al overstemt de ene boodschap de andere niet. De warmte van de koffie en hopelijk ook de warmte van degenen die het schenken bieden een goed alternatief. Er zijn blijkbaar ook gekke christenen die hun lol niet onder stoelen of banken steken. We hopen dat mensen ervaren dat het hierbij niet gaat om pure lol om de lol te beleven, maar om een vreugde die uit een andere bron afkomstig is. Daarmee kun je een heleboel lol beleven!

dinsdag 27 januari 2009

Friesch Dagblad column 3: Yes, we can!

Yes, we can! Het schalde de afgelopen maanden uit de monden van vele Amerikanen die als een man achter een nieuwe charismatische leider aangingen: Barack Obama. Een droom die een andere charismatische leider veertig jaar geleden uitsprak - ds. Martin Luther King - is afgelopen week uitgekomen tijdens de inauguratie van de eerste, weliswaar gemengde, Afro-Amerikaanse president. De ultieme American dream was uitgekomen.

Een juridisch gelijkwaardige status is echter nog geen volledige gelijkheid. Nog steeds leven meer Afro-Amerikanen onder de armoedegrens dan blanke Amerikanen. En of bevolkingsgroepen ook daadwerkelijk met elkaar leven is maar de vraag.
Datzelfde geldt voor ons eigen land. Wij leven in een land waarin iedereen in staat is om hetzelfde te bereiken. Geen enkel land in ons werelddeel heeft zoveel parlementariërs van vreemde afkomst.

De meeste etnische bevolkingsgroepen leven echter naast elkaar en over het algemeen langs elkaar heen. Een van de grote problemen in de wijk waar wij wonen, de ‘krachtwijk’ Klarendal, is integratie. Het wijkactieplan voor onze wijk schetst dat groepen van verschillende etniciteit (bijvoorbeeld Nederlanders en Turken) sterk langs elkaar heen leven en de neiging hebben zich terug te trekken in de eigen groep. Ontmoetingen zouden nog wel eens tot spanningen kunnen leiden.

Maken christenen hierin het verschil? Ik mag het hopen, maar de vele gesprekken die ik de afgelopen jaren met onze gelovige bevolkingsgroep heb gevoerd doen mij het ergste vrezen. De teneur daarvan lag dicht bij wat Wilders’ PVV in de Kamer verkondigt. Wij moeten immers vrezen voor het grote gevaar van de islam als antichristelijke godsdienst? Opnieuw wordt door de ene groep de andere bestookt vanuit de loopgraven, waardoor de ander slechts doelwit en nauwelijks benaderbaar is.

Dat die vooroordelen er over en weer zijn, hoorde ik afgelopen week tijdens een gesprekje met een Turkse participatiemedewerkster die in onze wijk werkt. Zij vertelde dat Turkse groepen zich in de wijk vooral sterk in eigen kring ophouden. Er is geen aansluiting bij de rest van de Nederlandse cultuur en als dat al wordt geprobeerd, wordt daar afhoudend op gereageerd.

Als christen in de wijk kan ik hier verschillend op reageren. Enerzijds ervaar ik die culturele afstand soms aan den lijve. Als onze kinderen weer eens huilend binnenkomen, omdat de Turkse vriendinnetjes met wie ze eerst gezellig speelden ineens een andere, pesterige, houding kregen op het moment dat er wat andere Turkse vriendinnetjes bijkwamen.

Aan de andere kant geloof ik dat wij als christenen geroepen zijn het verschil te maken. Ging Jezus zelf juist niet over allerlei culturele barrières en vooroordelen heen door zijn omgang met Samaritanen, tollenaars en prostituees?

Toen we enkele maanden geleden op het wijkcentrum met andere vrijwilligers van ons project spraken over de mogelijkheid om samen een reis te maken naar Museumpark Orientalis - het vroegere Bijbels Openluchtmuseum - brak een Turkse vrouw in op ons gesprek. Een Turkse vrouwengroep waar zij deel van uitmaakte, wilde ook graag naar dat museum gaan, maar had er geen geld voor. De volgende week zaten zij en ik samen met een subsidiegever om de tafel en konden we een gezamenlijke reis en verblijf in het museum organiseren. Een groep van ongeveer 35 Turkse, Surinaamse en autochtone Klarendallers werd in drie groepen verdeeld en had een heel gezellige en leerzame dag. De conclusie was dat we er veel van hadden geleerd, dat we elkaar hadden leren kennen en dat het aan de andere kant van de loopgraaf goed toeven en eten was.

Ik heb een droom. Ik verlang dat mensen van allerlei culturele en religieuze achtergronden naast elkaar en met elkaar zullen zitten, lopen en praten, waarbij er geen sprake meer is van angst, afstand of vijandschap, maar van liefde, genegenheid en vriendschap.

Tot degenen die van mening zijn dat dit toch niet mogelijk is, omdat de religieuze en culturele verschillen te groot zijn, zeg ik: yes, we can!

dinsdag 30 december 2008

Friesch Dagblad column 2: Gezonden

Mijn tweede column is vandaag in Friesch Dagblad gepubliceerd onder de titel "Gezonden". Hieronder de tekst.

‘Wat voor werk doe je?’ Dit is een van de standaardvragen die we in Nederland stellen als we iemand willen leren kennen. Over het algemeen is zo’n vraag goed te beantwoorden. Want wij weten wel welk werk we doen.

Lastiger wordt het als je zoals ik full time werk doet in de maatschappij en daarnaast in je vrije tijd bezig bent in de wijk waar ik woon. Hoe benoem je dat dan? Voor de een ben ik een vrijwilliger die zich naast zijn werk zinvol inzet. Voor de ander ben ik de leek, die, weliswaar afgestudeerd, niet-betaald geestelijk werk doet.

Een tijd geleden had ik een leuk gesprekje tijdens het zendingscongres op de Opwekkingsconferentie. Iemand sprak me aan en vroeg me of ik iets met zending heb. Ik dacht even een paar seconden na en kreeg een brainwave, die ik ook gelijk als antwoord gaf. ‘Jazeker, ik ben zendeling in Nederland, een tentenmaker’. Voor de terminologie van zendingswerkers zeer begrijpelijk. Wie naar de zending gaat, kan dat op twee manieren doen. De een gaat en doet zijn zendingswerk full time. De ander gaat als werker in de samenleving waar hij naar toe wordt gestuurd en doet in vrije tijd het geestelijke werk. De laatste wordt een ‘tentenmaker’ genoemd, een uitdrukking die verwijst naar de apostel Paulus die om in zijn levensonderhoud te voorzien tenten maakte.

De reactie van degene met wie ik sprak, was interessant. Eerst fronste zij haar wenkbrauwen en begreep niet helemaal wat ik bedoelde. Enkele seconden later kreeg ze het door. Nederland is een zendingsland geworden, waarin het gros van de inwoners weinig weet meer heeft van het Evangelie. Dan zijn daar ook weer zendelingen nodig die het Evangelie op een manier brengen die begrijpelijk is voor de gewone man.

Aan de andere kant is het de vraag of dat nu echt wel nodig is. Ondanks dat ons land een echt zendingsland is geworden, wonen er nog duizenden christenen die het Evangelie wel kennen en in staat zouden moeten zijn om hun buren, vrienden, kennissen en collega’s te vertellen van het Evangelie. Daar hebben we een probleem te pakken waar veel christenen toch mee kampen. Ze voelen zich onprettig bij de gedachte dat ze ineens het geloof moeten verkondigen.

Dat heeft wellicht te maken met de onnatuurlijke scheiding die we ook in Nederland hebben gemaakt tussen ‘geestelijken’ en ‘leken’. Als we over kennis van de bijbel spreken, kijken we al snel naar de pastoor, de dominee, de voorganger of welke titel we dan ook geven aan de gestudeerde klasse die ons inlicht over hoe we vanuit de bijbel moeten leven.

Naast deze geestelijken is er nog een groep die ‘full time christelijk werk’ doet, veelal onder de vlag van een christelijke organisatie. Zij zijn afgescheiden van de rest van de christenen en het lijkt alsof dit werk zoveel mooier is dan alle andere werk.

In Engeland is onlangs een button uitgebracht met daarop de tekst I am a FTCW: ik ben een full time christelijk werker. Gedachte daarachter is dat we een omslag in ons denken als christenen moeten krijgen. Elke christen is een voltijds christelijk werker. Waar je ook bent, wat je ook doet, overal ben je door God geroepen om licht in deze wereld te zijn.

Juist door dicht bij mensen te staan, kunnen christenen het verschil maken. Als we een levenshouding hebben die tegenovergesteld is aan de graaicultuur die de laatste tijd zo in het nieuws is. Als we ons niet druk maken om onze materiële bezittingen, maar daadwerkelijke interesse tonen in de mensen die we tegenkomen. Dat kleine lichtje in dat kleine hoekje heeft geen opdracht om in dat kleine hoekje te blijven zitten, maar om zijn vuurtje in de eigen omgeving op te lichten, zodat het anderen aansteekt om het Licht van de wereld weer terug in ons land te brengen.

woensdag 17 december 2008

Friesch Dagblad column 1: Tentenmaker

Zoals beloofd, hieronder de column die gisteren is verschenen in Friesch Dagblad onder de titel "Tentenmaker". Wie het over een tijd wil volgen, klikt op de tag linksboven "Column Friesch Dagblad".

Twee motto’s hebben tot nu toe als een rode draad door mijn leven gelopen: ‘zoeken naar nieuwe wegen’ en ‘missionair werk’.

Een zoektocht uit een leven vol fobieën - zoals een grote angst voor de dood en straatvrees - leidde tot een, voor mijn gereformeerd-synodale opvoeding, nieuwe weg van het bezoeken van een bijbelkring van Youth for Christ (YfC).
Hier werd ik getroffen werd door de liefde en acceptatie van de medewerkers. Die ingeslagen weg leidde uiteindelijk tot een geestelijke bevrijding van de dagelijkse angsten gedurende een diaconaal jaar op het hoofdkantoor van Youth for Christ in Driebergen.

Een zoektocht naar een geschikte theologische opleiding bracht mij op weg naar België. Ik zou daar vijf jaar blijven: drie jaar op het Bijbelinstituut België en daarna twee jaar werken bij de Belgische Evangelische Zending (BEZ). De missionaire snaar in mij was geraakt. Ik deed tijdens mijn studie praktisch werk bij het nieuw gestarte YfC-afdeling in Mechelen. Bij de BEZ was de hoofdtaak evangelisatie.

Halverwege het laatste jaar in België begon een nieuwe zoektocht. Die leidde tot mijn verbazing niet tot een nog langer verblijf in het buurland, maar tot een nieuwe woonplaats in het midden van Nederland. Binnen enkele weken vond ik ten tijde van de kamernood een kamer in Utrecht. Opnieuw stond het missionaire werk daar centraal. Nu onder andere gericht op Marokkaanse jongens en hulp bij evangelisatiewerk in de gemeente waar ik mij bij aansloot.

Tijdens mijn tijd in België ontmoette ik mijn vrouw. De zoektocht naar de vraag of we mochten trouwen - we hadden als bevestiging gebeden voor een huis - werd niet lang daarna door God beantwoord. We kregen een huurhuis met drie etages aangeboden. Na ons trouwen werd onze vrije tijd voor een groot deel opgeslokt door werk in de gemeente als werkers in de zondagsschool, het tienerwerk, de evangelisatie, het preken en uiteindelijk ook leidinggeven aan de gemeente. Hierdoor kwam het missionaire aspect in ons leven enigszins op de achtergrond.

Het werd weer groter toen we terechtkwamen in Arnhem. Al snel werden we daar ingeschakeld bij de plaatselijke werkgroep van Gospel for Guests, die zich op moslims richtte. Nieuwe wegen sloegen we in door onder andere met Turkse en Marokkaanse boeken op de plaatselijke rommelmarkt te staan.

Na verloop van enkele jaren verruilde ik het missionaire werk onder moslims voor het werk in de wijk waar onze kerk in stond. Op zoek naar de impact van de pinksterkerk in die omgeving, werd ik lid van een overleggroep in die wijk. Tijdens een bijeenkomst van de gemeente Arnhem over wijkgericht werken gingen mijn ogen open voor het belang van de aanwezigheid van de kerk in de wijken.

Dit versterkte mijn verlangen om ook als gezin meer impact te hebben in de wijk waar we woonden. Daarom verhuisden we uiteindelijk naar de volkswijk Het Broek in een ander deel van Arnhem. Hier kregen we een spoedcursus ‘leven in een volkswijk’. Door anderen bestempeld als ‘achterstandswijk’. Met vallen en opstaan leerden we om als christen te genieten van het leven in een dergelijke wijk, een daadwerkelijk zendingsgebied waar de kerk al lang uit verdwenen is.

Na die cursus van tweeënhalf jaar verhuisden we opnieuw, naar de wijk Klarendal, waar we nu nog steeds wonen. Onze zoektocht om als christen impact te hebben in onze eigen omgeving verliep via ‘bewoner zijn’ en ‘hulp in de wijk’ naar een groeiend verlangen om iets over ons geloof te vertellen in deze wijk. In 2005 startten we daarom onder de vlag van YfC het wijkproject Villa Klarendal.

Wat die zoektocht ons tot nu toe heeft geleerd, de ervaring die ik daarin heb opgedaan en de kennis die ik daardoor hebt gekregen, hoop ik vanaf nu maandelijks in deze column met u te delen.