”Ik wil graag bij Villa Klarendal meehelpen als vrijwilliger. Kan dat?” Een vraag die we de laatste tijd vaker gesteld krijgen. Hoe gaan wij daarmee om als kerk in de wijk? Aan de hand van enkele voorbeelden zal ik duidelijk maken hoe wij de vraag beantwoorden.
Na een uitvoerig gesprek met een vrouw in haar kerk is ze enthousiast. Ze wil graag iets voor de wijk doen en vindt de werkwijze van Villa Klarendal geweldig. Ze komt een keer naar onze brunch en viering om de sfeer te proeven. Daarna nodig ik haar uit voor een bijeenkomst van de landenkookgroep (ook omdat zij Zimbabwaanse is). Ze komt daar en heeft contact met haar tafelgenoten. Na afloop breng ik haar in contact met de opbouwwerker en met een contactpersoon van het vrouwenwerk in de wijk.
Die contacten zijn hartelijk. Al snel is ze een vaste deelnemer aan het vrouwennetwerk. Onlangs heeft ze samen met andere Afrikaanse vrouwen voor het eerst Zimbabwaans en Ghanees gekookt.
Ander voorbeeld. Een man mailt mij over de mogelijkheden voor vrijwilligerswerk in de wijk. We maken een afspraak. Ik vertel hem welke mogelijkheden er zijn binnen Villa Klarendal. En dat we breder kijken dan alleen binnen onze eigen muren. Tijdens de afspraak komt een coördinator van een andere wijkorganisatie binnen. Ik laat de twee met elkaar kennismaken en ze maken een afspraak. De opleiding van de man in de landbouw matcht met een nieuw plan voor stadstuinbouw in de wijk.
Gewoonlijk, als iemand bij ons komt om als vrijwilliger ingezet te worden, denken we eerst binnen de grenzen van onze eigen organisatie of kerk. Daar komt een persoon het beste tot zijn recht, denken wij. Maar omdat Villa Klarendal zich inzet voor de bloei van de wijk denken wij ook verder; over onze eigen Villamuren heen. Voor ons is het belangrijk dat een vrijwilliger tot zijn recht komt maar ook dat de wijk er iets aan heeft. Daardoor kan het gebeuren dat een potentiële vrijwilliger van Villa Klarendal een plek gaat innemen in de wijk,zonder dat hij iets voor de Villa zelf doet.
Wij willen meehelpen de leefbaarheid van de wijk te bevorderen. Wij willen dat niet verengen tot de muren van de eigen organisatie. Kom bij ons en leer de wijk kennen. Leer de wijk kennen en kom in contact met andere organisaties. Ga met hen samenwerken zodat we over en weer waarderen wat er in de wijk gebeurt. Met Villa Klarendal. Maar ook zonder.
Blog van Rick Jansen over leven en werken als kerkelijk pionier in een achterstandswijk
woensdag 14 mei 2014
zaterdag 19 april 2014
The Passion - de stille tocht in lijdenstijd
Lovende koppen. Enthousiaste reacties. Een wow-ervaring. Er keken 3,2 miljoen mensen naar. Zet die maar in een kerk!
The Passion heeft weer veel tongen losgemaakt. En evenzovele pennenvruchten opgeleverd. Van allerlei kanten. Verbazing vanuit de seculiere, zeker niet gelovige, media. Hoe kan het dat in een tijd van vergaande secularisering, waarbij religie naar de krochten van de samenleving is weggeduwd, zoveel mensen kijken en meedoen met een moderne passie?
En vanuit de christelijke media kritiek. Een oppervlakkige vertolking van het diepe evangelie. Zet een stel bekende Nederlanders die over het algemeen niet gelovig zijn bij elkaar. Zoek mooie bekende Nederlandstalige popliedjes bij elkaar. En vermeng dat met het paasverhaal. En iedereen kan er iets uit halen.
De meeste christenen zullen de kritieken in christelijke media tot zich hebben kunnen nemen. Ik heb die uit de seculiere media gehoord. Meest duidelijke reactie was in De Volkskrant een recensent die The Passion zag als een moderne vorm van aflaat voor het gewone volk. De elite gaat in deze tijd naar de Matthäus Passion. Het gewone volk heeft zijn eigen Passion gevonden. Het komt op hetzelfde neer. We geloven niet meer zo. We weten niet wat we met Pasen aan moeten. En komen dan bij oude en nieuwe vormen van beleven, waarbij mensen het gezamenlijke en het massale als mooi beleven. Een event die je toch een keer in je leven moet meemaken. Dus loop je fysiek of virtueel mee.
Ikzelf heb er zo mijn bedenkingen bij. In zowel positieve als negatieve bewoordingen. De eerste Passion heb ik thuis gezien met wat mensen van Villa Klarendal. Na afloop zeiden we tegen elkaar "was dat alles?". De vertelling van het passieverhaal vanaf Gethsemane tot aan kruisiging. En daarna mogen mensen het zelf uitzoeken.
Aan de andere kant spelen EO en RKK goed in op het moderne levensgevoel en op nieuw ontstane rituelen. Wat gebeurt er als er iets heel ergs gebeurt in een stad of dorp? Dan organiseren nabestaanden en betrokkenen een stille tocht om de omgekomene(n) te herdenken. Uitmuntend in een herdenkingsplek op de plek waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden. In die zin komen de uitzendgemachtigden dichtbij dat gevoel. Jezus stierf en wij willen uitdrukking geven aan ons gevoel daarover. Met het symbool dat daarin centraal staat, het kruis, als middelpunt.
Ik zie The Passion dan ook niet als middel om mensen de boodschap van het lijden en sterven van Jezus te verkondigen. Maar veeleer als een culturele uitdrukking van het geloof dat ons land eeuwenlang heeft verbonden. We voelen ons betrokken in de gezamenlijke treurnis over de gebeurtenis van zo lang geleden. En ieder heeft weer een eigen invulling. De een herdenkt het mooie verhaal als een symbool voor hedendaagse mensen. De ander ziet het als kern voor zijn persoonlijk beleefde geloof waaraan hij in grotere kring uitdrukking wil geven.
The Passion kan een aanleiding zijn voor mensen om eens dieper in te gaan op de boodschap van het evangelie. Een soort kerkdeur die je opent, waarna je de kerk of kerkdienst inkomt en ineens geraakt kunt worden door de boodschap die daarin gebracht wordt. De kerkdeur is hier de knop op de afstandsbediening. Geen zwaar houten deur met orgelklanken van ver vervlogen eeuwen. Maar een open programma met herkenbare riten en muziek die we direct kunnen meeneuriën en in de meeste gevallen kunnen meezingen.
"Een muziekfestival op het plein" vergeleek de recensent. Ik zou eerder zeggen een uiting van het geloof in die specifieke vorm. Zodat het geloof niet ver is weggestopt in voor ons vreemde beelden. Maar direct bij ons binnenkomt in beeld, geluid, muziek en gevoel.
Op dezelfde avond kreeg ik via Facebook een persoonlijk bericht van een bekende in de wijk of zij een bijbel van mij kon lenen. Zij wilde die eens lezen. Was er nieuwsgierig naar. Ik heb er niet naar gevraagd. Maar ik zou me niet verbazen als die nieuwsgierigheid is gewekt door The Passion. En zo komen het onpersoonlijke mediaspektakel en het ons-kent-ons in de wijk ineens in het verlengde van elkaar te liggen.
woensdag 9 april 2014
Column Friesch Dagblad 68: Een leven van aanbidding
Wauw! Ik heb God ervaren. Hij was echt aanwezig vandaag. Ik ging gewoon uit mijn dak. Het was in een woord: gewéldig.” Misschien heb je zo’n zin wel eens gehoord na een dienst in een pinkstergemeente, een grote opwekkingsbijeenkomst of een andere christelijke happening. Vaak kreeg ik van dezelfde persoon vervolgens een bericht over ‘the day after’: de kater na de wauw-ervaring. ,,Weer thuis... van de hemel teruggevallen op aarde.”
Ik heb er zo mijn gedachten bij. Niet dat ik dit veroordeel. Want wie ben ik om de Godservaring van een ander neer te sabelen. Maar ik vraag me af of dit de aanbidding is die God wil.
Ik las gisteren een blog van aanbiddingsleider Vicky Beecham op Compassion-blog. Zij vertelt dat ze een aantal jaar geleden behoorlijk ziek was. Ze belde een vriendin en vroeg of ze haar kon helpen door haar antibiotica op te halen bij de apotheek en die naar haar te brengen. De vriendin wilde dit doen en kwam niet zo lang daarna bij haar thuis. Ze was de medicijnen vergeten. Maar ze had wel een ‘beterschapskaartje’ meegenomen waar muziek uitkwam. Ze liep de kamer binnen terwijl ze meezong met de muziek. Ze vertelde Vicky hoe erg ze het voor haar vond en dat ze hoopte dat zij zich beter zou voelen door het kaartje. Na een paar minuten moest ze weer weg. De medicijnen heeft ze nooit gebracht. De conclusie van Beecham: ‘Wij kunnen ons soms inbeelden dat onze evenementen, samenkomsten en liederen Gods hart raken. De aanbidding die hij zoekt is meer dan vrolijke liederen en inspirerende samenkomsten. Het gaat erom dat we er zijn voor de armen, degenen die onze hulp nodig hebben en dat we gerechtigheid brengen op plekken en in situaties van ongerechtigheid.’
Daar bovenop kwam gisteren het trieste nieuws gisteren dat pater Frans van der Lugt in de Syrische stad Homs is vermoord. Hij weigerde zijn woon- en werkplaats in het klooster van de jezuïeten te verlaten. Hij had het opengesteld voor christenen en moslims die de stad niet konden ontvluchten. Hij ging in tegen de gewone mores: als het ergens moeilijk wordt, vluchten we naar veiliger oorden. Zijn plek was daar. Want waar moesten de mensen anders naar toe?
Dat is toewijding die bij mij binnenkomt. Een rots in een zichzelf vernietigende wereld. Die bereid was zichzelf te geven als mens ten dienste van de ander omdat hij geloofde in barmhartigheid en gerechtigheid. Een dergelijke houding gun ik de steden en dorpen in Nederland
dinsdag 11 maart 2014
Column Friesch Dagblad 67: Komen zoals je bent
'We mogen weer gaan stemmen.’ ‘Politiek, het is allemaal helemaal niets! We hebben een slechte regering!’ ‘Ik weet niet wat ik moet stemmen.’
Een paar uitspraken tijdens de brunch bij Villa Klarendal zondag. En echt: ik had het niet aangezwengeld. Aan mijn tafel ging het gesprek er ook over. Over de moeite en last van de politiek. En van de onduidelijkheid over wat te kiezen. De een weet het echt niet meer. De ander vindt de regering helemaal niets. Als ik hem vraag wat hij landelijk heeft gestemd, antwoordt hij ‘PvdA’. Waarop ik antwoord dat hij het dus aan zichzelf heeft te danken, deze regering. Het gesprek gaat verder. Is het echt zo dat hij de regering te danken heeft aan zijn stem? Hij had op de PvdA gestemd vanwege de mooie linkse beloften.
Kan hij er wat aan doen dat die partij het na de verkiezingen over een andere boeg gooide door in zee te gaan met de partij die tijdens de campagne nog de grootste tegenstander was? ,,Dan doe ik maar niets en stem ik niet meer”, reageert weer een ander. Maar ja, is dat een oplossing? Dan heb je zelf helemaal niets ingebracht en laat je de regering helemaal over aan wie wel de moeite heeft genomen te stemmen.
'Wat stem jij dan op 19 maart?', is een logische vervolgvraag aan mij, als ik kritisch al deze bekende stemmen pareer. Tja, nu moet ik met de billen bloot. Maar gelukkig heb ik een objectief gegeven. De dame op wie ik heb gestemd, van de partij die met een C begint, is door de lokale krant uitgeroepen tot het beste gemeenteraadslid van de stad. Daarom stem ik op kwaliteit.
‘Je mag komen zoals je bent’, is onze Villa Klarendal-cultuurleus. Maar tot hoever gaat dat? In een van de activiteiten komen we wekelijks in contact met een dame die zich actief verkiesbaar heeft gesteld voor de Gelderse Centrumdemocraten. Ik ben het niet eens met de standpunten van deze partij en persoon. Maar met de mens achter de te verkiezen politicus wil ik contact hebben. Daarom gaat de politiek over tafel. Want dat hoort bij het leven van alledag. In dat leven moeten mensen allerlei keuzes maken. En ik vind het geweldig als mensen de moeite van die keuze zo open op tafel leggen. Mensen durven inderdaad zichzelf te zijn.
Een gebedsverzoek van een bezoeker tijdens de viering bevestigt dat. Hij zal de gemeenteraad komende maandag toespreken. Ik bid voor hem, terwijl ik niet weet of ik zijn standpunt ondersteun.
Een paar uitspraken tijdens de brunch bij Villa Klarendal zondag. En echt: ik had het niet aangezwengeld. Aan mijn tafel ging het gesprek er ook over. Over de moeite en last van de politiek. En van de onduidelijkheid over wat te kiezen. De een weet het echt niet meer. De ander vindt de regering helemaal niets. Als ik hem vraag wat hij landelijk heeft gestemd, antwoordt hij ‘PvdA’. Waarop ik antwoord dat hij het dus aan zichzelf heeft te danken, deze regering. Het gesprek gaat verder. Is het echt zo dat hij de regering te danken heeft aan zijn stem? Hij had op de PvdA gestemd vanwege de mooie linkse beloften.
Kan hij er wat aan doen dat die partij het na de verkiezingen over een andere boeg gooide door in zee te gaan met de partij die tijdens de campagne nog de grootste tegenstander was? ,,Dan doe ik maar niets en stem ik niet meer”, reageert weer een ander. Maar ja, is dat een oplossing? Dan heb je zelf helemaal niets ingebracht en laat je de regering helemaal over aan wie wel de moeite heeft genomen te stemmen.
'Wat stem jij dan op 19 maart?', is een logische vervolgvraag aan mij, als ik kritisch al deze bekende stemmen pareer. Tja, nu moet ik met de billen bloot. Maar gelukkig heb ik een objectief gegeven. De dame op wie ik heb gestemd, van de partij die met een C begint, is door de lokale krant uitgeroepen tot het beste gemeenteraadslid van de stad. Daarom stem ik op kwaliteit.
‘Je mag komen zoals je bent’, is onze Villa Klarendal-cultuurleus. Maar tot hoever gaat dat? In een van de activiteiten komen we wekelijks in contact met een dame die zich actief verkiesbaar heeft gesteld voor de Gelderse Centrumdemocraten. Ik ben het niet eens met de standpunten van deze partij en persoon. Maar met de mens achter de te verkiezen politicus wil ik contact hebben. Daarom gaat de politiek over tafel. Want dat hoort bij het leven van alledag. In dat leven moeten mensen allerlei keuzes maken. En ik vind het geweldig als mensen de moeite van die keuze zo open op tafel leggen. Mensen durven inderdaad zichzelf te zijn.
Een gebedsverzoek van een bezoeker tijdens de viering bevestigt dat. Hij zal de gemeenteraad komende maandag toespreken. Ik bid voor hem, terwijl ik niet weet of ik zijn standpunt ondersteun.
dinsdag 25 februari 2014
Column Friesch Dagblad 66: Kerk in het wijkgebouw
Ik loop het wijkplein op. Ik kijk tussen twee pilaren door, en zie een groot plein, waar ik een oude kazerne tegemoet loop, met aan de rechterkant een oud militair gebouwtje en aan de linkerkant een modern uitziend gebouw, drie hoog.
Enkele meters verder is de ingang van het grote gebouw. MFC Klarendal staat hoog bovenop de pui van het gebouw. MFC staat voor multifunctioneel centrum. En dat is het. De receptie bemenst door mannen en vrouwen van het wijkwerkpalet verzorgen de ontvangst en de faciliteiten van het centrum. Links zie ik achter een deur de grote sportzaal waar heel veel kinderen aan het sporten zijn en waar het Sportpunt Klarendal zijn intrek heeft genomen.
Daar moet ik niet zijn, dus ik loop de andere kant op. Voor mij zie ik twee ruimtes, de multifunctionele ruimtes, die door iedereen gebruikt kunnen worden, als je het maar van tevoren doorgeeft. Achter een van de ruimtes is een grote keuken met twaalf pitten en twee ovens. In het MFC wordt gekookt voor en met wijkbewoners, dus daar moet voldoende ruimte voor zijn.
Iets voorbij de multifunctionele ruimtes kom ik het consultatiebureau tegen. Links daarvan, veilig achter gesloten deuren en ramen zitten links de ruimtes van de peuterspeelzalen en rechts de gezellige ruimtes van de kinderopvang.
Speluitleen en flexplekken
Via een oranje trap ga ik naar de eerste etage, waar ik een rondje kan lopen. Ik ga rechtsaf en en zie aan mijn linkerhand een knutselruimte, waar iedereen die dat wil zich creatief kan uiten. Een ruimte verderop een glazen wand met daarachter zes kleinere ruimtes. Dit is de eerste verdieping van de wijkbasisschool. Die zit nog niet helemaal vol, daarom is één lokaal is ingenomen door de speluitleen en twee daarachter liggende lokalen door het hoofdkantoor van de ouderenwelzijnsorganisatie.
Ik loop op de gang verder door en kom de ruimtes tegen van de gehandicaptenorganisatie en die van de participatiecoaches. Iets verderop kom ik bij de ruimtes die voor het kinderwerk van de welzijnsorganisatie gebruikt worden. En tenslotte loop ik iets verderop tegen de flexplekken aan waar onder andere de buurtopbouwwerker en de wijkregisseur werken.
De trap op naar de tweede etage. De tweede etage van de basisschool. Daarnaast de ruimte voor de logopedisten. En helemaal achteraan de kickboxschool.
Waarom deze opsomming? In die wirwar van organisaties en mensen heeft ook Villa Klarendal zijn plek gekregen. Elke zondag komen we samen in de multifunctionele ruimte met gebruik van de keuken.
Elke vrijdag helpen Villa-vrijwilligers er bij het uitdeelpunt van de Voedselbank. Zo zijn er al afspraken gemaakt tussen een participatiecoach en een afnemer van de Voedselbank. En kunnen we een klaslokaal gebruiken voor een cursus Zoom in op je relatie. Door te ‘wonen’ in het mfc staan we dichter bij alles wat er in de wijk gebeurt. En maken we deel uit van het overleg van gebruikers. Geen eigen ruimte of kerkgebouw. Wél aanwezig en bereikbaar op de plek waar de hele wijk dagelijks komt.
Enkele meters verder is de ingang van het grote gebouw. MFC Klarendal staat hoog bovenop de pui van het gebouw. MFC staat voor multifunctioneel centrum. En dat is het. De receptie bemenst door mannen en vrouwen van het wijkwerkpalet verzorgen de ontvangst en de faciliteiten van het centrum. Links zie ik achter een deur de grote sportzaal waar heel veel kinderen aan het sporten zijn en waar het Sportpunt Klarendal zijn intrek heeft genomen.
Daar moet ik niet zijn, dus ik loop de andere kant op. Voor mij zie ik twee ruimtes, de multifunctionele ruimtes, die door iedereen gebruikt kunnen worden, als je het maar van tevoren doorgeeft. Achter een van de ruimtes is een grote keuken met twaalf pitten en twee ovens. In het MFC wordt gekookt voor en met wijkbewoners, dus daar moet voldoende ruimte voor zijn.
Iets voorbij de multifunctionele ruimtes kom ik het consultatiebureau tegen. Links daarvan, veilig achter gesloten deuren en ramen zitten links de ruimtes van de peuterspeelzalen en rechts de gezellige ruimtes van de kinderopvang.
Speluitleen en flexplekken
Via een oranje trap ga ik naar de eerste etage, waar ik een rondje kan lopen. Ik ga rechtsaf en en zie aan mijn linkerhand een knutselruimte, waar iedereen die dat wil zich creatief kan uiten. Een ruimte verderop een glazen wand met daarachter zes kleinere ruimtes. Dit is de eerste verdieping van de wijkbasisschool. Die zit nog niet helemaal vol, daarom is één lokaal is ingenomen door de speluitleen en twee daarachter liggende lokalen door het hoofdkantoor van de ouderenwelzijnsorganisatie.
Ik loop op de gang verder door en kom de ruimtes tegen van de gehandicaptenorganisatie en die van de participatiecoaches. Iets verderop kom ik bij de ruimtes die voor het kinderwerk van de welzijnsorganisatie gebruikt worden. En tenslotte loop ik iets verderop tegen de flexplekken aan waar onder andere de buurtopbouwwerker en de wijkregisseur werken.
De trap op naar de tweede etage. De tweede etage van de basisschool. Daarnaast de ruimte voor de logopedisten. En helemaal achteraan de kickboxschool.
Waarom deze opsomming? In die wirwar van organisaties en mensen heeft ook Villa Klarendal zijn plek gekregen. Elke zondag komen we samen in de multifunctionele ruimte met gebruik van de keuken.
Elke vrijdag helpen Villa-vrijwilligers er bij het uitdeelpunt van de Voedselbank. Zo zijn er al afspraken gemaakt tussen een participatiecoach en een afnemer van de Voedselbank. En kunnen we een klaslokaal gebruiken voor een cursus Zoom in op je relatie. Door te ‘wonen’ in het mfc staan we dichter bij alles wat er in de wijk gebeurt. En maken we deel uit van het overleg van gebruikers. Geen eigen ruimte of kerkgebouw. Wél aanwezig en bereikbaar op de plek waar de hele wijk dagelijks komt.
woensdag 15 januari 2014
Column Friesch Dagblad 65: Leven als broers en zussen
Je hoort het soms van echtparen. We leven als broer en zus. Wat bedoelen ze? Ze leven nauw met elkaar onder een dak. Ze kennen elkaar door en door. Ze vormen een familie en hebben daardoor een band. Maar de passie is verdwenen. De seksuele aantrekkingskracht is er niet meer.
Leven in een christelijke gemeenschap kan worden vergeleken met de manier waarop mensen in een huwelijk met elkaar omgaan. In Villa Klarendal zoeken we er naar dat mensen elkaar als broer en zus aanvaarden. Daarom gaan we verder dan alleen een samenkomst en eten we met elkaar.
Een gezinsrelatie is prachtig, maar kan ook flink schuren. Dicht bij elkaar leven en elkaar daardoor leren kennen, betekent ook dat je elkaars nare kanten leert kennen. Daardoor ontstaan soms irritaties die tot behoorlijke ruzies kunnen leiden.
Afgelopen zondag kwam ik terecht in zo’n irritatiezone tussen twee vrouwen in onze gemeenschap. Het ging over het koken van eten voor de maandelijkse maaltijd. De een, van Antilliaanse afkomst, vertelde hoe ze natuurlijk veel eten maakt, zodat iedereen genoeg heeft. Dat is toch normaal! De ander, van Nederlandse afkomst, vertelde dat ze zoveel meeneemt als zij gezinsleden heeft. Meer hoeft niet, want iedereen neemt toch iets mee. Dat is toch normaal! Er ontstond een geïrriteerd gesprek tussen de twee. Kern daarvan was wat in de eigen ogen ‘normaal’ is. Normaal in de ogen van de een was, dat je zoveel mogelijk mensen laat genieten van jouw kookkunst. Normaal in de ogen van de ander was, dat je niet meer meeneemt dan wat nodig is. Het gesprek eindigde met de constatering van een van de twee dat wat de ander deed ‘niet normaal’ was.
Ik vond het een prachtig voorbeeld van christelijk gezin zijn. We zijn elkaar zo dicht genaderd, dat we elkaars gewoonten en manieren leren kennen. Waar dat gebeurt, worden we gevraagd verder te gaan dan langs elkaar te leven. We moeten leren mét elkaar te leven. Met de goede kanten van de ander. Maar ook met de kanten waar we meer moeite mee hebben.
In plaats van zwart-wit te denken in goed en verkeerd, is er een derde weg. Zoals ik van een zendeling hoorde: ‘Het is niet goed, het is niet slecht, het is anders.’ De vraag is dan, of we echt willen kiezen voor gemeenschap. De ander aanvaarden zoals hij of zij is. In gesprek gaan en de liefde van Vader God voor de ander voorrang geven boven onze eigen gewoonten. Daadwerkelijk missionair in verdraagzaamheid met elkaar leven.
dinsdag 10 december 2013
Column Friesch Dagblad 64: Gods vervanger op aarde?
Het nieuws kwam met golven over ons heen. Een 95-jarige was overleden. Altijd
gewoond in een ver land op een ander continent. Jarenlang gestreden voor zijn
goede doel. Aanvankelijk geweldloos. En toen dat niet door de tegenpartij werd
opgepakt, pakte hij de wapens op.
Opgepakt. Vele jaren in de gevangenis doorgebracht. Met afgrijzen tegemoet getreden toen hij plotseling werd vrijgelaten. Nu zou het land worden uiteengereten in een bloedige burgeroorlog. Niets van dat alles. De bevrijde gevangene predikte vergeving en verzoening. Verbazing alom. Het werd de basis voor de ontmanteling van het apartheidsregime. Hij en zijn toenmalige partner in vrede Frederik de Klerk kregen de Nobelprijs voor de Vrede.
Een mooi mens. Nelson Mandela. Iemand die stond voor zijn overtuiging en zich daar niet van af liet brengen. Een groot voorbeeld voor de hele wereld. Een vredestichter. Een verzoener. Ja, zelfs de Volkskrant opende zaterdag de voorpagina groots met ‘Gods vervanger op aarde?’
Dat zet aan het denken. Mensen willen graag voorbeelden zien. Leiders waar zij zich aan op kunnen trekken. Die doen waar ze zelf niet aan toe komen. Wat ze niet durven te doen. Uitkomen waarvoor je staat, ook al brengt dat je tot gevangenschap. Je leven zozeer geven voor een ander waarbij je jezelf vergeet. We vinden het prachtig wat die ander doet. We zetten die ander op een voetstuk. Die zo groot wordt, dat het voor ons onbereikbaar wordt. Waardoor wij een reden hebben om ons te verontschuldigen waarom wij niet zo leven.
Schrijver Shaine Claiborne schreef dat wij helden nodig hebben om ons te vrijwaren voor een vergelijkbaar leven. Met hem wil ik stellen dat gelovigen vaak de weg van de minste weerstand kiezen. Wie de andere weg kiest, is aanvankelijk lastig en onbegrepen. En wordt later, als hij of zij laat zien dat de moeilijke weg tot zegen leidt, op het voetstuk van de held, de geweldige pionier of de unieke leider gehesen.
Had de voorpagina van de Volkskrant niet een foto van een grote groep gelovigen moeten tonen in plaats van die van een man? Gods vervanger op aarde. Er zijn mensen zoals hij, die leven naar hun overtuiging. Maar veel meer christenen willen geen moeilijke keuze maken. Ze leven liever veilig dan risicovol. Ze nemen hun kruis op en steken hem diep onder de grond. De held is zo groot dat hij en zijn leven onbereikbaar blijven. Haal het voetstuk van de held neer.
Iedereen kan zo’n leven leiden. Het Grootste Voorbeeld belooft u daarvoor Zijn kracht te geven.
Opgepakt. Vele jaren in de gevangenis doorgebracht. Met afgrijzen tegemoet getreden toen hij plotseling werd vrijgelaten. Nu zou het land worden uiteengereten in een bloedige burgeroorlog. Niets van dat alles. De bevrijde gevangene predikte vergeving en verzoening. Verbazing alom. Het werd de basis voor de ontmanteling van het apartheidsregime. Hij en zijn toenmalige partner in vrede Frederik de Klerk kregen de Nobelprijs voor de Vrede.
Een mooi mens. Nelson Mandela. Iemand die stond voor zijn overtuiging en zich daar niet van af liet brengen. Een groot voorbeeld voor de hele wereld. Een vredestichter. Een verzoener. Ja, zelfs de Volkskrant opende zaterdag de voorpagina groots met ‘Gods vervanger op aarde?’
Dat zet aan het denken. Mensen willen graag voorbeelden zien. Leiders waar zij zich aan op kunnen trekken. Die doen waar ze zelf niet aan toe komen. Wat ze niet durven te doen. Uitkomen waarvoor je staat, ook al brengt dat je tot gevangenschap. Je leven zozeer geven voor een ander waarbij je jezelf vergeet. We vinden het prachtig wat die ander doet. We zetten die ander op een voetstuk. Die zo groot wordt, dat het voor ons onbereikbaar wordt. Waardoor wij een reden hebben om ons te verontschuldigen waarom wij niet zo leven.
Schrijver Shaine Claiborne schreef dat wij helden nodig hebben om ons te vrijwaren voor een vergelijkbaar leven. Met hem wil ik stellen dat gelovigen vaak de weg van de minste weerstand kiezen. Wie de andere weg kiest, is aanvankelijk lastig en onbegrepen. En wordt later, als hij of zij laat zien dat de moeilijke weg tot zegen leidt, op het voetstuk van de held, de geweldige pionier of de unieke leider gehesen.
Had de voorpagina van de Volkskrant niet een foto van een grote groep gelovigen moeten tonen in plaats van die van een man? Gods vervanger op aarde. Er zijn mensen zoals hij, die leven naar hun overtuiging. Maar veel meer christenen willen geen moeilijke keuze maken. Ze leven liever veilig dan risicovol. Ze nemen hun kruis op en steken hem diep onder de grond. De held is zo groot dat hij en zijn leven onbereikbaar blijven. Haal het voetstuk van de held neer.
Iedereen kan zo’n leven leiden. Het Grootste Voorbeeld belooft u daarvoor Zijn kracht te geven.
dinsdag 19 november 2013
Column Friesch Dagblad 63: de brede en smalle weg
Ik kan me nog heel goed dat overbekende schilderij herinneren waarop de brede en smalle weg worden uitgebeeld. De brede weg liep langs allerlei moois en lekkers naar de hel. De smalle weg langs allerlei moeiten uiteindelijk naar de hemel.
Als ik nadenk over gemeente-stichting, denk ik soms ook aan de brede weg. Niet als eeuwig levensbedreigend. Maar wel een met grote gevolgen. Die brede weg is de eenvoudige weg. Je hoeft er niet zo over na te denken. Je doet het gewoon. Je gaat met een club mensen uit de moederkerk naar een nieuw gebied en begint daar met samenkomsten.
De samenkomsten zijn in vorm gelijk aan die van de moederkerk. Natuurlijk zal de entourage anders zijn: het gebouw, de omgeving, de aanbiddingsband. Maar voor de rest is het voor de kerkgangers in de nieuwe gemeente herkenbaar. Over het algemeen zal door de brede-weg-nieuwe-gemeente folders worden uitgedeeld in de nieuwe wijk om mensen te enthousiasmeren naar de nieuwe kerk te komen. Want daar is het zo fijn.
De smalle weg kent meer beren op de weg; valkuilen en blokkades die moeten worden genomen. In die gemeentestichting gaat het startend team naar de nieuwe omgeving. Het probeert er alles aan te doen om de nieuwe wijk te leren kennen. Door erover te lezen. Maar vooral door mensen te leren kennen. Op die smalle weg verlaten de teamleden als Abram hun vertrouwde omgeving om in het onbekende land hun intrek te nemen. Om zo in alles het leven in de nieuwe wijk te kennen en te ervaren.
Meestal begint het team niet met samenkomsten of vieringen, maar gaat het luisteren en proeven hoe de sfeer van de wijk is om zo dicht mogelijk de bewoners te benaderen. En pas na verloop van tijd, als er relaties zijn gelegd en vertrouwen is gewonnen, beginnen de eerste stapjes naar een vorm van viering. Waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de cultuur van de nieuwe wijk.
Het is heel makkelijk van de smalle weg weer terecht te komen op de brede weg. Als men de visie laat verslappen, er niet veel over nadenkt of elkaar er niet op bevraagt, dan vervagen de contacten, wordt de nieuwe gemeente gezellig met elkaar en komt men weer terecht in een bekend, maar breed, spoor.
De smalle weg is duurzaam. In aantallen op het eerste gezicht minder succesvol. Maar ingrijpender in de levens van mensen die erbij betrokken zijn. Als een paar dat ja tegen elkaar zegt en na tien jaar terugkijkt op het feit dat er een mooi, hecht gezin is gesticht.
De samenkomsten zijn in vorm gelijk aan die van de moederkerk. Natuurlijk zal de entourage anders zijn: het gebouw, de omgeving, de aanbiddingsband. Maar voor de rest is het voor de kerkgangers in de nieuwe gemeente herkenbaar. Over het algemeen zal door de brede-weg-nieuwe-gemeente folders worden uitgedeeld in de nieuwe wijk om mensen te enthousiasmeren naar de nieuwe kerk te komen. Want daar is het zo fijn.
De smalle weg kent meer beren op de weg; valkuilen en blokkades die moeten worden genomen. In die gemeentestichting gaat het startend team naar de nieuwe omgeving. Het probeert er alles aan te doen om de nieuwe wijk te leren kennen. Door erover te lezen. Maar vooral door mensen te leren kennen. Op die smalle weg verlaten de teamleden als Abram hun vertrouwde omgeving om in het onbekende land hun intrek te nemen. Om zo in alles het leven in de nieuwe wijk te kennen en te ervaren.
Meestal begint het team niet met samenkomsten of vieringen, maar gaat het luisteren en proeven hoe de sfeer van de wijk is om zo dicht mogelijk de bewoners te benaderen. En pas na verloop van tijd, als er relaties zijn gelegd en vertrouwen is gewonnen, beginnen de eerste stapjes naar een vorm van viering. Waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de cultuur van de nieuwe wijk.
Het is heel makkelijk van de smalle weg weer terecht te komen op de brede weg. Als men de visie laat verslappen, er niet veel over nadenkt of elkaar er niet op bevraagt, dan vervagen de contacten, wordt de nieuwe gemeente gezellig met elkaar en komt men weer terecht in een bekend, maar breed, spoor.
De smalle weg is duurzaam. In aantallen op het eerste gezicht minder succesvol. Maar ingrijpender in de levens van mensen die erbij betrokken zijn. Als een paar dat ja tegen elkaar zegt en na tien jaar terugkijkt op het feit dat er een mooi, hecht gezin is gesticht.
vrijdag 11 oktober 2013
Column Friesch Dagblad 62: van de Quote in de Goot
Vorige week. Een berichtje op mijn smartphone. ‘Jullie staan in de Goot, wist je dat al?’ Ik wist het al. Als abonnee van het blad De Nieuwe Koers had ik de dag ervoor de lijst van de Goot500 doorgelezen en was ik ook op de naam van mij en mijn vrouw gestoten.
De Goot500 is gemaakt door de christelijke hulporganisatie TEAR en bevat 500 ‘rechtbrengers’, als tegenhanger van de jaarlijkse Quote 500, een lijst met de vijfhonderd rijkste Nederlanders. Doel van de lijst is mensen onder de indruk te brengen van wat er in de wereld wordt gedaan ter bestrijding van armoede en oneerlijke praktijken.
In een vlaag van creativiteit schreef ik de schrijver van het berichtje terug ‘al jaren eigenlijk...’ Want al jaren staan we naast mensen die in de goot liggen. Wijzelf liggen al jarenlang niet meer in de goot. En ja, we hebben er wel in gelegen. Maar het mooie van die ervaring is dat je met mensen kunt meeleven.
Ik heb het zelf meegemaakt. De goot is niet afschuwwekkend of iets wat je moet mijden. Voor velen is het iets dat je zomaar kan overkomen. En hij komt in allerlei gedaantes. In de vorm van werkloosheid, schulden, echtscheiding of zware ziekte. Het gevoel dat alles je uit handen is geslagen. Dat er nog maar één plek is waar je die handen kwijt kan: als een hulpeloze schreeuw naar omhoog.
Maar daar lag voor mij het begin van het herstel. ‘Ik kan het niet meer zelf’, schreeuwde ik het uit. Waarna een dag later redding langskwam: een vriend gaf ons een voedselpakket in een nog voedselbankloos tijdperk. Ik krabbelde op uit de goot en kreeg zelfvertrouwen. Niet gebaseerd op eigen kunnen, maar op het besef dat God mij gemaakt en gewild heeft.
Ik ben naar de goot teruggekeerd. Nu lig ik er niet meer in, maar stá ik er in. Niet om degene die erin ligt te veroordelen of nog even een trap na te geven. Maar om hem een hand te geven, zijn hoofd te ondersteunen, of, als hij het helemaal niet meer kan, hem even te dragen naar een plek waar de goot iets minder nat is. Maar wel met het doel dat die ander ook weer gaat staan. Eerst ondersteund. Met knikkende knieën, als een zieke die na een lang ziekbed de zwakke benen weer leert dragen.
Ik sta in de goot. Hier sta ik, ik kan niet anders. Met of zonder lijst. Want mensen in de goot schreeuwen om hulp. Helaas mijden gelovigen die goot nog steeds vanwege de geur, het beeld of het imago. Het is alsof je afdaalt van de Quote naar de Goot. Maar ja, Er was Een die van hoger dan de Quote afdaalde naar onze diepste Goot.
De Goot500 is gemaakt door de christelijke hulporganisatie TEAR en bevat 500 ‘rechtbrengers’, als tegenhanger van de jaarlijkse Quote 500, een lijst met de vijfhonderd rijkste Nederlanders. Doel van de lijst is mensen onder de indruk te brengen van wat er in de wereld wordt gedaan ter bestrijding van armoede en oneerlijke praktijken.
In een vlaag van creativiteit schreef ik de schrijver van het berichtje terug ‘al jaren eigenlijk...’ Want al jaren staan we naast mensen die in de goot liggen. Wijzelf liggen al jarenlang niet meer in de goot. En ja, we hebben er wel in gelegen. Maar het mooie van die ervaring is dat je met mensen kunt meeleven.
Ik heb het zelf meegemaakt. De goot is niet afschuwwekkend of iets wat je moet mijden. Voor velen is het iets dat je zomaar kan overkomen. En hij komt in allerlei gedaantes. In de vorm van werkloosheid, schulden, echtscheiding of zware ziekte. Het gevoel dat alles je uit handen is geslagen. Dat er nog maar één plek is waar je die handen kwijt kan: als een hulpeloze schreeuw naar omhoog.
Maar daar lag voor mij het begin van het herstel. ‘Ik kan het niet meer zelf’, schreeuwde ik het uit. Waarna een dag later redding langskwam: een vriend gaf ons een voedselpakket in een nog voedselbankloos tijdperk. Ik krabbelde op uit de goot en kreeg zelfvertrouwen. Niet gebaseerd op eigen kunnen, maar op het besef dat God mij gemaakt en gewild heeft.
Ik ben naar de goot teruggekeerd. Nu lig ik er niet meer in, maar stá ik er in. Niet om degene die erin ligt te veroordelen of nog even een trap na te geven. Maar om hem een hand te geven, zijn hoofd te ondersteunen, of, als hij het helemaal niet meer kan, hem even te dragen naar een plek waar de goot iets minder nat is. Maar wel met het doel dat die ander ook weer gaat staan. Eerst ondersteund. Met knikkende knieën, als een zieke die na een lang ziekbed de zwakke benen weer leert dragen.
Ik sta in de goot. Hier sta ik, ik kan niet anders. Met of zonder lijst. Want mensen in de goot schreeuwen om hulp. Helaas mijden gelovigen die goot nog steeds vanwege de geur, het beeld of het imago. Het is alsof je afdaalt van de Quote naar de Goot. Maar ja, Er was Een die van hoger dan de Quote afdaalde naar onze diepste Goot.
vrijdag 20 september 2013
Wie doet niet mee?
Vandaag in De Volkskrant, op de voorpagina een artikel met de kop "Arme wijk doet niet mee". Dat moet ik lezen, want mijn nekharen gaan direct omhoog bij het lezen van dergelijke berichten. Terwijl ik het lees, hoor ik op de achtergrond dat het journaal het artikel citeert. De arme wijken zullen niet meedoen met de participatiemaatschappij.
Het artikel bevestigt de kop. Ik lees dat er een groep is "armere passieven", mensen met weinig geld die vaak in flats wonen waar ze hun buren nauwelijks kennen.
Tussen neus en lippen wordt kond gemaakt van de groep "welgestelde passieven", vaak relatief jong met goedbetaalde banen. "In alle drukte en ambitie zijn ze opvallend weinig bereid iets te doen voor anderen" aldus de onderzoekers.
Aha. De kop had dus net zo goed anders kunnen zijn. "Yuppen doen niet mee", Toekomstige leiders doen niet mee" of "Jonge ambitieuzen willen niet participeren". Maar nee. Het gaat, weer, om de arme wijk. Dat een groep welgestelden fijn voor zichzelf gaat, vind ik veel bedreigender. Dat worden onze toekomstige leiders, die onze toekomstige wetten zullen samenstellen. Als die nu al alleen voor zichzelf gaan, belooft weinig goeds voor de solidariteit in de toekomst.
Maar het blijkt geen probleem. Als bij de egoïstische welgestelden de nood aan de man komt, hebben ze wel geld om iemand in te huren. Ik ben benieuwd of ze bereid zijn om hun portemonnee te trekken om hun buren in nood te helpen. Want dat is ware participatie. Dat je jezelf belangeloos inzet voor de ander. Maar ik vrees dat dit soort ambitieuzen hun ambitie in alles laten doorklinken en wonen in villabuurten waar ze hun buren nauwelijks kennen (want ook die zijn alleen bezig met zichzelf)...
Ik woon in een arme wijk. Maar de participatie is er rijk. Buren helpen en zorgen voor elkaar. Hoe anders dan die middenklassewijk waar ik vroeger woonde, waar je elkaar alleen kende vanachter de gordijntjes waar je werd bekeken. Als ik mensen die daar wonen vertel over onze arme wijk, komen we vaak tot de conclusie dat een arme wijk soms heel rijk kan zijn en een rijke wijk soms heel arm.
dinsdag 10 september 2013
Column Friesch Dagblad 61: kerksluiting en een geestelijk thuis
We gaan vandaag naar de kerk. Waar kerk jij? Tot voor kort uitdrukkingen die in het Nederlands spraakgebruik ingeburgerd waren. Wat bedoelden we? We gingen met zijn allen naar een gebouw dat speciaal bedoeld was voor mensen die lid waren van de groep om op die plek hun geloof te uiten en te vieren. Het ging samen. Het gebouw en de mensen die er samenkwamen.
Vaak was het gebouw nog belangrijker dan de mensen. Dat blijkt wel uit de opstelling van de meeste kerken. In rijen achter elkaar opgesteld luisterend en kijkend naar een podium of een eenmansplek.
Het enige moment dat je contact met de buren had, was om de meegekomen familie een standje te geven omdat ze niet stil waren of om de directe buren een pepermuntje te geven om de preek door te komen. En als je wegging knikte je beleefd naar de naaste buurman of -vrouw om snel naar de koffie thuis te gaan, waarvoor je wellicht wat kennissen, vrienden of familieleden na de kerk had uitgenodigd.
Toen kwam de tijd van de kerksluiting. Met veel verdriet moesten mensen toezien hoe de kerk waarin zij waren gedoopt, getrouwd en van waaruit zij welicht hun ouders naar hun laatste rustplaats hadden begeleid, werd gesloopt of overgenomen door een niet-kerkelijk gebeuren. Nooit meer zouden ze vieren op de plek waar zoveel herinneringen lagen.
Op sommige plekken ging de kleine kudde verder als gemeenschap. Ze huurden een schoolgebouw of een buurthuis en kwamen daar samen voor hun vieringen. Ze lieten veel gemeenteleden achter die de pijn van het verlies van het kerkgebouw niet te boven kwamen, en moesten in kleinere getalen samen uitvinden hoe het is kerk te zijn zonder de sfeer van een speciaal daarvoor ingericht gebouw.
Als ik deze ervaringen afzet tegen onze eigen ervaring met kerk-zijn in een wijkgerichte setting is dat heel anders.
We delen het gebouw momenteel met andere gebruikers. We richten het zondags speciaal in. Mensen komen samen in het gebouw waar ze als peuter op de peuterspeelzaal, als kind op de kinderclub en als volwassene op een van de wijkclubs zaten en zitten. Een vertrouwde omgeving dus. Zondag is het ‘Villadag’.
We delen niet alleen het gebouw met anderen. We delen ook de mensen. Diezelfde mensen gaan naar clubs in de wijk. Soms ook naar andere kerken. Daarmee wordt een christelijke gemeenschap diffuser. Want wie erbij hoort en wie niet, lijkt niet duidelijk. En toch ook weer wel. Wekelijks staan dezelfde mensen klaar om de handen uit de mouwen te steken en de woorden tot zich te nemen. Zij voelen zich bij ons thuis.
Het enige moment dat je contact met de buren had, was om de meegekomen familie een standje te geven omdat ze niet stil waren of om de directe buren een pepermuntje te geven om de preek door te komen. En als je wegging knikte je beleefd naar de naaste buurman of -vrouw om snel naar de koffie thuis te gaan, waarvoor je wellicht wat kennissen, vrienden of familieleden na de kerk had uitgenodigd.
Toen kwam de tijd van de kerksluiting. Met veel verdriet moesten mensen toezien hoe de kerk waarin zij waren gedoopt, getrouwd en van waaruit zij welicht hun ouders naar hun laatste rustplaats hadden begeleid, werd gesloopt of overgenomen door een niet-kerkelijk gebeuren. Nooit meer zouden ze vieren op de plek waar zoveel herinneringen lagen.
Op sommige plekken ging de kleine kudde verder als gemeenschap. Ze huurden een schoolgebouw of een buurthuis en kwamen daar samen voor hun vieringen. Ze lieten veel gemeenteleden achter die de pijn van het verlies van het kerkgebouw niet te boven kwamen, en moesten in kleinere getalen samen uitvinden hoe het is kerk te zijn zonder de sfeer van een speciaal daarvoor ingericht gebouw.
Als ik deze ervaringen afzet tegen onze eigen ervaring met kerk-zijn in een wijkgerichte setting is dat heel anders.
We delen het gebouw momenteel met andere gebruikers. We richten het zondags speciaal in. Mensen komen samen in het gebouw waar ze als peuter op de peuterspeelzaal, als kind op de kinderclub en als volwassene op een van de wijkclubs zaten en zitten. Een vertrouwde omgeving dus. Zondag is het ‘Villadag’.
We delen niet alleen het gebouw met anderen. We delen ook de mensen. Diezelfde mensen gaan naar clubs in de wijk. Soms ook naar andere kerken. Daarmee wordt een christelijke gemeenschap diffuser. Want wie erbij hoort en wie niet, lijkt niet duidelijk. En toch ook weer wel. Wekelijks staan dezelfde mensen klaar om de handen uit de mouwen te steken en de woorden tot zich te nemen. Zij voelen zich bij ons thuis.
zaterdag 7 september 2013
Gerechtigheid in de kerken
Morgen spreek ik bij de baptistengemeente Arnhem Centrum over "zoek eerst Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid".
Een gedicht dat ik tegenkwam en mij heel erg aansprak wil ik morgen laten zien en horen, maar ook hier met jullie delen.
Ik was hongerig
En u stelde een liefdadigheidsgroepje samen om mijn honger te bespreken
Ik zat in de gevangenis
En u liep rustig naar uw kapel om voor mijn vrijlating te bidden
Ik was naakt
En u vroeg zich af hoe het met mijn moraliteit gesteld was
Ik was ziek
En u knielde neer en dankte God voor uw gezondheid
Ik was dakloos
En u hield een preek voor mij over de geestelijke bescherming van de liefde van God
Ik was eenzaam
En u liet mij alleen om voor mij te bidden
U leek zo heilig, zo dicht bij God
Maar ik ben nog steeds hongerig – eenzaam – en koud
De betuttelende kerk of de kerk die ruimte biedt
Net gelezen in het Reformatorisch Dagblad, met dank aan Johan ter Beek voor de tip...
VENTURA. Amerikanen keren zich tegen de kerk omdat zij zich vaak door christenen betutteld voelen. Dat blijkt uit een deze week verschenen rapport gebaseerd op een langjarig onderzoek onder onkerkelijken, dat het instituut Barna samen met Lifeway uitvoerde.
Van de niet-kerkelijk gebonden Amerikanen, de zogenoemde ”nones”, zegt 87 procent dat ze een afkeer hebben van kerken omdat deze snel een afkeurend oordeel vellen over hun gedrag, uiterlijk of standpunten. „De kerk heeft de reputatie op te treden als een rechter over andersdenkenden. Dat imago heeft zich inmiddels bij veel onkerkelijken bijna onwrikbaar vastgezet”, concludeert Thom Schulz, een van de leiders van het onderzoek.
Met deze afkeer van betutteling hangen ook de bezwaren tegen de vorm van communicatie tussen kerkelijken en niet-kerkelijken samen. Veel nones zeggen geen behoefte te hebben aan een preek waarin hun verteld wordt hoe zij zich op grond van de Bijbel moeten gedragen. Zij zitten vol met vragen en willen die kunnen stellen. Schulz: „Kerkdiensten zijn volgens hen te veel eenrichtingverkeer. De dominee spreekt, de kerkgangers moeten luisteren. Tegenspraak is niet mogelijk. Dat roept kennelijk verzet op.”
Ruim 85 procent van de onkerkelijken noemt de christenen „een verzameling hypocrieten.” Daarbij gaat het dan niet zozeer om het verschil in gedrag op zondag en door de week. Wat de nones vooral steekt is dat voorgangers en kerkmensen suggereren op alle levensvragen een helder antwoord te hebben „terwijl ze bol staan van de twijfel.”
Vierde reden voor onkerkelijkheid is dat het geloof in God en de Bijbel voor de nones niet relevant zijn voor hun leven. „Er is bij velen een hunkering naar een god die voor hen zorgt en liefdevol voor hen is. Overigens constateren de onderzoekers dat deze hunkering ook bij kerkelijken voorkomt. Slechts 44 procent van de kerkgangers zegt met regelmaat de nabijheid en bemoeienis van God in hun leven te ervaren.
Onkerkelijken VS: Kerk is betuttelend
VENTURA. Amerikanen keren zich tegen de kerk omdat zij zich vaak door christenen betutteld voelen. Dat blijkt uit een deze week verschenen rapport gebaseerd op een langjarig onderzoek onder onkerkelijken, dat het instituut Barna samen met Lifeway uitvoerde.
Van de niet-kerkelijk gebonden Amerikanen, de zogenoemde ”nones”, zegt 87 procent dat ze een afkeer hebben van kerken omdat deze snel een afkeurend oordeel vellen over hun gedrag, uiterlijk of standpunten. „De kerk heeft de reputatie op te treden als een rechter over andersdenkenden. Dat imago heeft zich inmiddels bij veel onkerkelijken bijna onwrikbaar vastgezet”, concludeert Thom Schulz, een van de leiders van het onderzoek.
Met deze afkeer van betutteling hangen ook de bezwaren tegen de vorm van communicatie tussen kerkelijken en niet-kerkelijken samen. Veel nones zeggen geen behoefte te hebben aan een preek waarin hun verteld wordt hoe zij zich op grond van de Bijbel moeten gedragen. Zij zitten vol met vragen en willen die kunnen stellen. Schulz: „Kerkdiensten zijn volgens hen te veel eenrichtingverkeer. De dominee spreekt, de kerkgangers moeten luisteren. Tegenspraak is niet mogelijk. Dat roept kennelijk verzet op.”
Ruim 85 procent van de onkerkelijken noemt de christenen „een verzameling hypocrieten.” Daarbij gaat het dan niet zozeer om het verschil in gedrag op zondag en door de week. Wat de nones vooral steekt is dat voorgangers en kerkmensen suggereren op alle levensvragen een helder antwoord te hebben „terwijl ze bol staan van de twijfel.”
Vierde reden voor onkerkelijkheid is dat het geloof in God en de Bijbel voor de nones niet relevant zijn voor hun leven. „Er is bij velen een hunkering naar een god die voor hen zorgt en liefdevol voor hen is. Overigens constateren de onderzoekers dat deze hunkering ook bij kerkelijken voorkomt. Slechts 44 procent van de kerkgangers zegt met regelmaat de nabijheid en bemoeienis van God in hun leven te ervaren.
___________________________________
Waarom spreekt mij dit nou zo aan? Omdat dit vaak is wat ook wij terughoren van mensen in onze wijk. Wij zullen ze niet in een hokje "non" zetten, maar ze zijn het vaak wel.
Zonder gelijk te zeggen dat wij de oplossing hebben, want dat is wel erg aanmatigend, willen wij met Villa Klarendal wijkbewoners de ruimte geven om God en christenen op een andere manier te leren kennen. Zonder de uitkomsten van bovenstaand onderzoek te kennen, hebben we geprobeerd met een aantal kenmerken dit soort, vaak helaas terechte, vooroordelen weg te nemen.
Het gaat veel nones erom dat christenen met een oordeel klaar staan over hun levenswijze, zonder dat ze een persoonlijke relatie hebben opgebouwd. Wij hebben ervoor gekozen om mensen van harte uit te nodigen voor onze activiteiten vanuit de grondhouding "je mag komen zoals je nu bent". We willen geen oordeel vellen over hun levensstijl. We willen in relatie met mensen komen. Ze leren kennen en waarderen. We beseffen dat er maar Een is die een echt oordeel kan vellen over hun èn mijn levensstijl. Laat Hem dat dan ook maar doen en laat ons als zijn ambassadeurs mensen van harte welkom heten in de kring.
Omdat veel mensen met vragen zitten, hebben we ervoor gekozen onze preken ("praatjes", want maar maximaal 10 minuten lang) zo interactief mogelijk te laten zijn. Er is ruimte voor gesprek, vragen of (on)zinvolle opmerkingen. Daardoor ontstaat ook op het niveau van de preek een relatie van hart tot hart waarin mensen hun hart kunnen luchten. Op het gevaar af dat de 10-minuten praatjes worden uitgerekt tot 30 minuten.
We willen zo eerlijk mogelijk met mensen omgaan. Dat lukt niet altijd. Maar ik heb wel zondagen gehad, waarin ik tegen andere bezoekers vertelde dat ik even een baaldag had, dus dat ze me even met rust moesten laten. Daarmee leren mensen ons niet alleen met ons vrome, opgepoetste smoelwerk kennen, maar is er ook ruimte om onze achterkant te leren kennen. We willen een dusdanige relatie met mensen op te bouwen dat ze ook iets kunnen zien achter de mens die wij zijn met al onze christelijkheid daardoorheen geweven.
Een belangrijk onderdeel in onze vieringen is de gebedstijd. We vragen mensen persoonlijk te vertellen waarvoor we kunnen bidden. Dat doen de meesten. Dat nemen we ook serieus. Soms gaat het over zware onderwerpen als levensbedreigende ziekte, de noodzaak te verhuizen of geboortes en overlijdens in de eigen omgeving. Soms over schijnbaar minder belangrijke dingen als het examen van de komende week, het hondje dat ziek is, of die ene vaste relatie waar ze zo naar hunkeren. Maar elke gebedsvraag nemen we serieus. Door er samen voor te bidden, laten wij zien dat wij erbij betrokken zijn, maar nog belangrijker: dat God erbij betrokken is. En... God verhoort de gebeden. Van de gelovigen. Maar ook van de "on"gelovigen, niet zo gelovigen of anders gelovigen. De moslimvrouw, de Antilliaanse, net tot bewuster geloof gekomen, gelovige en de verstokt katholieke maar in zijn hart zeer gelovige kregen heel snel een ander huis. De verslaafde niet-gelovige ervoer ondersteuning en kracht bij zijn afkickperiode (ook al viel hij snel daarna weer terug in een verslaving aan een ander product). En wij zagen onszelf niet als meer dan de ander, dus deelden in de gebedstijd door onze pijn en moeite te delen en daarvoor te laten bidden.
Dat bidden gaf ook ruimte aan een ander aspect. Want wekelijks werd gebeden voor bepaalde noden die niet werden verhoord, of althans: voor het oog nog niet. Moet je dan maar stoppen met bidden? Of gewoon ermee doorgaan? Af en toe vertelden we erbij dat dit nu de zoveelste keer was dat we ervoor baden. Dat we in bidden ons vertrouwen uitspreken dat God het hoort en verhoort. Maar dat wij als mensen niet Gods gedachten kunnen zien of raden. Dus dat het ook voor ons een raadsel is waarom het ene gebed al na een week wordt verhoord en het andere na een jaar nog steeds niet. Dat dit "we weten het niet" hoort bij ons leven. En dat ook wij daarmee worden geconfronteerd. En dat we het "we weten het niet" dat menselijkerwijs wordt tot "we begrijpen het niet" terug mogen leggen bij de liefdevolle God.
Geloven en leven met gelovige, niet-zo gelovige, niet-gelovige en andersgelovige buren is en blijft kortom een zoektocht waarin wij voor de mensen die wij nu zijn tegengekomen een, ongetwijfeld gebrekkig, antwoord op hebben gevonden dat voor nu werkbaar is. Zo zal ieder ander in zijn eigen buurt of sociale omgeving, met zijn eigen gaven, talenten en gebreken en met die van de mensen met wie hij werkt moeten proberen een antwoord te geven op de oproep van Jezus om zout en licht te zijn in deze wereld.
donderdag 15 augustus 2013
Column Friesch Dagblad 60: Uit de kast - in of uit de kerk?
Recent voer weer de jaarlijkse Gay Parade door de Amsterdamse grachten met ditmaal een opvallende boot van Neêrlands grootste sportbond: de KNVB. De parade trekt altijd de aandacht vanwege de al dan niet aangeklede en opgedirkte mensen.
De grootste aandacht trok ditmaal echter twee dagen later de nationaal voetbalnar René van der Gijp die zich in het programma Voetbal International uitsprak over de voetbalboot. Volkskrant-columnist Paul Onkenhout rafelde zijn uitspraken prachtig uiteen: I ‘Er zijn gewoon weinig homofiele voetballers.’ II ‘Voetbal is geen spel voor homo’s.’ III ‘Als je 14 bent, ben je er klaar mee, dan ga je in het weekeinde in een kapperszaak werken.'
Toen ik de uitspraken letterlijk zag staan, kon ik niet anders dan even een bruggetje maken. Als in die uitspraken ‘voetballers’ zouden worden vervangen door ‘christenen’ en ‘Voetbal’ en ‘spel’ door respectievelijk ‘de kerk’ en ‘plek’, hoor ik uitspraken die ik christenen soms letterlijk heb horen zeggen en soms onuitgesproken heb horen denken.
In een gesprek over pastoraat hoorde ik die omgebouwde uitspraak: ‘In onze gemeente zijn gewoon weinig homofiele christenen’. Daarmee de ernst van het probleem bagatelliserend. Want als je ze niet kent, hoef je toch niet te pleiten voor een dusdanige openheid, dat de christenen zonder gêne uit de kast konden komen. ‘Ze zijn er niet, dus waar maak je je druk om?’ Ze waren er wel, wisten wij, maar konden niets vertellen uit angst voor veroordeling en afwijzing.
De medebroeders en -zusters zeiden het niet met zoveel woorden, maar dachten het wellicht wel ‘de gemeente is geen plek voor homo’s’. En helaas. In sommige kerken of gemeentes is het ook letterlijk zo uitgesproken. ‘Als dat zo is, is er geen plek voor jou in de gemeente’. Om vervolgens liefdevol de met alle pijn en moeite de zojuist uit-de-kast-gekomene de deur van de kerk te wijzen.
En meestal ben je geen 14 om tot de conclusie te komen dat je toch een andere seksuele geaardheid hebt. Maar de conclusie van Van der Gijp kan richting, vooral ‘bijbelgetrouwe’ kerken bijna dezelfde zijn. ‘Als je uit de kast bent gekomen, ben je er klaar mee, dan zoek je in het weekeinde de gemeenschap van de gayclub’.
Begrijp me goed. De machowereld van het voetbal is totaal anders dan die van de kerk. Maar misschien zijn wij kerkelijken zo gericht op onze standaardbeelden van man en vrouw, dat alles wat daarvan afwijkt, om den lieve vrede maar moet worden geweerd. Ik vraag mij af welke kant van de magneet de lieve vrede van God laat zien.
De grootste aandacht trok ditmaal echter twee dagen later de nationaal voetbalnar René van der Gijp die zich in het programma Voetbal International uitsprak over de voetbalboot. Volkskrant-columnist Paul Onkenhout rafelde zijn uitspraken prachtig uiteen: I ‘Er zijn gewoon weinig homofiele voetballers.’ II ‘Voetbal is geen spel voor homo’s.’ III ‘Als je 14 bent, ben je er klaar mee, dan ga je in het weekeinde in een kapperszaak werken.'
Toen ik de uitspraken letterlijk zag staan, kon ik niet anders dan even een bruggetje maken. Als in die uitspraken ‘voetballers’ zouden worden vervangen door ‘christenen’ en ‘Voetbal’ en ‘spel’ door respectievelijk ‘de kerk’ en ‘plek’, hoor ik uitspraken die ik christenen soms letterlijk heb horen zeggen en soms onuitgesproken heb horen denken.
In een gesprek over pastoraat hoorde ik die omgebouwde uitspraak: ‘In onze gemeente zijn gewoon weinig homofiele christenen’. Daarmee de ernst van het probleem bagatelliserend. Want als je ze niet kent, hoef je toch niet te pleiten voor een dusdanige openheid, dat de christenen zonder gêne uit de kast konden komen. ‘Ze zijn er niet, dus waar maak je je druk om?’ Ze waren er wel, wisten wij, maar konden niets vertellen uit angst voor veroordeling en afwijzing.
De medebroeders en -zusters zeiden het niet met zoveel woorden, maar dachten het wellicht wel ‘de gemeente is geen plek voor homo’s’. En helaas. In sommige kerken of gemeentes is het ook letterlijk zo uitgesproken. ‘Als dat zo is, is er geen plek voor jou in de gemeente’. Om vervolgens liefdevol de met alle pijn en moeite de zojuist uit-de-kast-gekomene de deur van de kerk te wijzen.
En meestal ben je geen 14 om tot de conclusie te komen dat je toch een andere seksuele geaardheid hebt. Maar de conclusie van Van der Gijp kan richting, vooral ‘bijbelgetrouwe’ kerken bijna dezelfde zijn. ‘Als je uit de kast bent gekomen, ben je er klaar mee, dan zoek je in het weekeinde de gemeenschap van de gayclub’.
Begrijp me goed. De machowereld van het voetbal is totaal anders dan die van de kerk. Maar misschien zijn wij kerkelijken zo gericht op onze standaardbeelden van man en vrouw, dat alles wat daarvan afwijkt, om den lieve vrede maar moet worden geweerd. Ik vraag mij af welke kant van de magneet de lieve vrede van God laat zien.
dinsdag 9 juli 2013
Column Friesch Dagblad 59: Doe toch eens normaal!
Doe toch eens normaal, man!’ Het begin van een van de meest bekende dialogen die de afgelopen jaren plaatsvonden in het Nederlands parlement. Gevolgd door de reactie ‘Doe zelf eens normaal!’ Twee mannen uit hetzelfde politieke nest en zo’n beetje dezelfde achtergrond en opvoeding. Maar uit elkaar gegroeid en inmiddels elkaars politieke opponent geworden.
Normaal. Wat is dat? Een vraag die meer mensen stellen. De Volkskrant wijdde er afgelopen zaterdag zelfs een heel katern aan onder de titel ‘het normale nummer’.
Hieruit bleek dat er verschillende opvattingen bestaan over wat normaal is. Wat in een truckerscafé heel normaal is, is op een vrijdagmiddagborrel op de Amsterdamse Zuidas not done en omgekeerd. ‘Dat kan écht niet!’ staat boven een artikel vol algemeen aanvaarde abnormaliteiten.
Loop ik met witte sokken, krijgen mijn dochters de slappe lach. Kom ik op mijn werk met een korte broek, kan ik weer terug naar huis, al komen vrouwelijke collega’s, mooie benen of niet, er wél mee weg. Heeft mijn vrouw geen zin om te koop te lopen met haar zwangerschap, hoort ze in de kerk dat ze niet goed bezig is.
Zit ik in mijn doorzonwoningwijk in de voortuin, verraden blikken dat ik toch wel heel asociaal ben. Vertel ik dat ik verhuis naar de zwaarste achterstandswijk, wordt het me vooral door christenen ten strengste afgeraden (mijn kinderen zullen afglijden). Ga ik een weekendje op pad met een goede vriendin, word ik op het matje geroepen door de oudsten die mijn gedrag onverantwoordelijk en onethisch vinden.
Doe toch eens normaal! Ook anderen horen het. De homo die uit de kast komt. De vrouw met een verse tattoo op haar arm. Het gezin dat ver weg of dichtbij missionair werk wil gaan doen. En als je doorgaat en je niets ervan aantrekt, hoor je het des te sterker: doe toch eens normaal! Het spijt me, ik blijf, als een tweejarig kind, halsstarrig vragen: waarom? En als ik geen beter antwoord krijg dan ‘zo hoort het nou eenmaal’, ga ik door op de weg van het niet-alledaagse.
Want uiteindelijk blijkt achter de grens van het normale de verademing te liggen. Het kan toch anders. De vriendin opent haar hart en niet haar broek. Eenmaal uit de kast staan ook open armen klaar. De tatoeage wordt door anderen wel gewaardeerd. Die moeilijke wijk sluit de kinderen én de ontstane kleine christelijke gemeenschap in haar hart.
Hieruit bleek dat er verschillende opvattingen bestaan over wat normaal is. Wat in een truckerscafé heel normaal is, is op een vrijdagmiddagborrel op de Amsterdamse Zuidas not done en omgekeerd. ‘Dat kan écht niet!’ staat boven een artikel vol algemeen aanvaarde abnormaliteiten.
Loop ik met witte sokken, krijgen mijn dochters de slappe lach. Kom ik op mijn werk met een korte broek, kan ik weer terug naar huis, al komen vrouwelijke collega’s, mooie benen of niet, er wél mee weg. Heeft mijn vrouw geen zin om te koop te lopen met haar zwangerschap, hoort ze in de kerk dat ze niet goed bezig is.
Zit ik in mijn doorzonwoningwijk in de voortuin, verraden blikken dat ik toch wel heel asociaal ben. Vertel ik dat ik verhuis naar de zwaarste achterstandswijk, wordt het me vooral door christenen ten strengste afgeraden (mijn kinderen zullen afglijden). Ga ik een weekendje op pad met een goede vriendin, word ik op het matje geroepen door de oudsten die mijn gedrag onverantwoordelijk en onethisch vinden.
Doe toch eens normaal! Ook anderen horen het. De homo die uit de kast komt. De vrouw met een verse tattoo op haar arm. Het gezin dat ver weg of dichtbij missionair werk wil gaan doen. En als je doorgaat en je niets ervan aantrekt, hoor je het des te sterker: doe toch eens normaal! Het spijt me, ik blijf, als een tweejarig kind, halsstarrig vragen: waarom? En als ik geen beter antwoord krijg dan ‘zo hoort het nou eenmaal’, ga ik door op de weg van het niet-alledaagse.
Want uiteindelijk blijkt achter de grens van het normale de verademing te liggen. Het kan toch anders. De vriendin opent haar hart en niet haar broek. Eenmaal uit de kast staan ook open armen klaar. De tatoeage wordt door anderen wel gewaardeerd. Die moeilijke wijk sluit de kinderen én de ontstane kleine christelijke gemeenschap in haar hart.
zaterdag 22 juni 2013
Integreren? Ik kap ermee
Onder deze titel stond vanochtend een opinieartikel van Laila Ezzerolli in De Volkskrant. Zij beschrijft haar leven in ons land in drie stadia:
- haar basisschool, waar zij door de Nederlandse "onderklasse" als buitenlander werd gezien;
- haar middelbare school, waar zij als hulpbehoevende door de middenklasse werd gezien en geholpen;
- haar universitaire opleiding, waar zij door de bovenklasse als een interessant exotisch exemplaar werd gezien.
Haar conclusie: "als een witte Nederlander analfabeet, homofoob, seksistisch, antisemitisch, of werkloos is, staat zijn burgerschap nog steeds buiten kijf. Maar ben je bruin of zwart en bezit je één of meer van voornoemde eigenschappen, dan ben je 'niet geïntegreerd'."
en: "Ik kap er dus mee, met integreren. Ik wil een gelijkwaardig burgerschap en zonder schaamte of ongemak 'ons land' kunnen zeggen. Ik wil een inclusief burgerschap, geen exclusief. En zeker niet als die exclusiviteit meer samenhangt met kleur dan met cultuur."
Hoe hard dit ook klinkt, ik onderschrijf haar conclusies. Zelfs mijn eigen kinderen, afkomstig van een geboren Nederlander en een goed geïntegreerde, vanaf vijf jaar in Nederland wonende, Indo, worden vaker aangesproken door politieagenten op straat. Rijdt een blanke Nederlander naast hen, dan worden zij aangesproken en niet de blanke (want hoe weet je dat dit een Nederlander is? Het kan ook een Deen, Duitser of Amerikaan zijn).
In vergelijking met de gemiddelde bewoner van een krachtwijk zijn veel "buitenlanders" veel meer aangepast en geïntegreerd. Aangepast waaraan? Aan wat de algemene normen en leefregels in Nederland heten te zijn. De "Nederlandse" cultuur. Ezzerolli beschrijft tekenend hoe haar moeder lang heeft gedacht dat de onderklassecultuur dé Nederlandse cultuur was. "Te pas en te onpas een krat bier naar buiten slepen en met zijn allen dronken worden in de speeltuin.... Tienerzwangerschappen, werkloosheid, criminaliteit, huiselijk geweld en elk weekend met de caravan naar de camping..."
Ja, ook dit is Nederland. De cultuur die de midden- en bovenklasse liefst wegstoppen. In aparte wijken, zodat zij er geen last van hebben. Maar het is ook Nederland en het hoort bij het Nederlandse erfgoed, misschien zelfs meer dan de cultuur van de midden- en bovenklasse. Wanneer hoor je erbij? Als je voldoet aan de normen die in de hogere cultuur gewoon zijn: individualisme, rationalisme, alles met mate, streven naar het beste in jezelf. Is dat misschien een van de redenen dat de emancipatie van de krachtwijken keer op keer mislukt? Want de volkscultuur is niet individualistisch, maar collectivistisch. Het beste uit jezelf halen is daar geen norm. Want je bent onderdeel van het geheel van de wijk.
Maxima kwam ooit tot de concusie dat dé Nederlandse cultuur niet bestaat. En gelijk heeft ze. Maar de midden- en vooral bovenklasse viel over haar heen. Die cultuur bestaat toch wel? Ja, in hun eigen hogere klasse gedachten. In het eigen kringetje waar zij verkeren. Met zoveel mogelijk activiteiten voor je kinderen, dat zowel jouw kinderen als jij er van stress er bij neervallen. Met verplichte theaterbezoeken. De schrijfster wilde er zo graag bij horen. Zij kon niet veel doen aan haar "beperkte mogelijkheden voor statusverhogende merkkleding en dure vrijetijdsbesteding. Oililly, Kipling, hockey en wintersport: een ver-van-mijn-bedshow."
Een inclusief burgerschap. Klinkt goed. Erbij mogen horen, omdat je er woont en er bent opgegroeid. Geen blik meer op uiterlijk. Maar mensen accepteren zoals ze zijn. Het andere als onderdeel van de Nederlandse cultuur. Helemaal Nederlander en toch anders. Zoals een Limburger volbloed Nederlander kan zijn en voluit Carnaval kan vieren, waar de Nederlander-boven-de-rivieren niets mee heeft. Zoals de Nederlander op pakweg de Veluwe op zondag de zwarte kousen aantrekt, het hoedje opzet of het zwarte pak aantrekt om twee keer per zondag zich onder te dompelen in de voor buitenstaanders onverstaanbare tale Kanaäns. Waarom mogen onze islamitische Nederlanders dan niet hun hoofddoek aantrekken en ter plekke hun schoenen uitdoen om voor buitenstaanders onverstaanbare tale Imaëls te reciteren en zich onder te dompelen in een ritueel gebed op vrijdag?
dinsdag 18 juni 2013
Natuur in Klarendal? Jazeker! Loop maar mee komende vrijdag
Net gekregen in mijn mail. Dat wil ik je wel laten weten!
Natuurwandeling
door Klarendal en Sint Marten
In de wijken geen natuur?
Wandel mee en zie hoeveel soorten vogels nestelenen insecten er leven in uw wijk…….
Ontmoet ‘langs deze weg’ wijkbewoners met en zonder en beperking, vrouwen van Oase en andere geïnteresseerden.
Wanneer:Vrijdag 21 juni
Start:13.00 uur start vanaf WijkcentrumKlarendal, Rappardstraat 30.
Terug:Uiterlijk 14.30 uur op het Wijkcentrum.
We worden ontvangen met een soepje en iets erbij….
Kosten:geen
Organisatie:
Kosten:geen
Organisatie:
Oase - Siza - Kwartiermaken Rijnstad
maandag 17 juni 2013
Jeugdkamp Klarendal: een update
Woensdag kreeg ik een telefoontje van de manager van Albert Heijn in Klarendal. Of we wat overgebleven spullen die zij niet meer konden verkopen konden ophalen. Om weg te geven aan mensen in de wijk.
Zaterdag stonden we bij de Albert Heijn. Er stonden tien kratten vol met spullen klaar. Frisdrank, repen snoepgoed van het kaliber Mars en Bounty, WC-papier. Dat laadden we over in onze auto.
Van het een komt het ander. Het krantenbericht van zaterdag zorgde ervoor dat we een dooschuifactie konden organiseren. De auto volgeladen met de inhoud van tien kratten werd zondag vroeg voorgereden bij het wijkcentrum en daar uitgeladen. Tegelijkertijd kwamen mensen van het Jeugdkamp Klarendal om de inhoud weer over te laden naar hun auto. Het lekkers, de frisdrank en het noodzakelijke papier om de restanten van het lekkers uiteindelijk mee af te vegen werden overgedragen aan het jeugdkamp.
Waardoor zij weer minder kosten hebben aan inkopen en dat geld kunnen gebruiken voor leuke uitjes en extra's.
Kijk, dat is ook missionair werk. Gewoon meedenken en -werken in de wijk. En doorgeven wat wij ook weer gekregen hebben.
Zaterdag stonden we bij de Albert Heijn. Er stonden tien kratten vol met spullen klaar. Frisdrank, repen snoepgoed van het kaliber Mars en Bounty, WC-papier. Dat laadden we over in onze auto.
Van het een komt het ander. Het krantenbericht van zaterdag zorgde ervoor dat we een dooschuifactie konden organiseren. De auto volgeladen met de inhoud van tien kratten werd zondag vroeg voorgereden bij het wijkcentrum en daar uitgeladen. Tegelijkertijd kwamen mensen van het Jeugdkamp Klarendal om de inhoud weer over te laden naar hun auto. Het lekkers, de frisdrank en het noodzakelijke papier om de restanten van het lekkers uiteindelijk mee af te vegen werden overgedragen aan het jeugdkamp.
Waardoor zij weer minder kosten hebben aan inkopen en dat geld kunnen gebruiken voor leuke uitjes en extra's.
Kijk, dat is ook missionair werk. Gewoon meedenken en -werken in de wijk. En doorgeven wat wij ook weer gekregen hebben.
zaterdag 15 juni 2013
Jeugdkamp Klarendal: "Ik moet lullen voor spullen"
Zo af en toe lees ik in De Gelderlander artikelen die mij aanspreken. Zo ook het artikel waar ik bijgevoegde foto van heb gemaakt (klik hierop om het volledig te kunnen lezen). Betrokken Arnhemmers Brigitte en Mario Hogerhorst, ook nog collega's van mij, organiseren als geboren en getogen Klarendallers jaarlijks een kinderkamp. Ze doen het voor de kinderen uit de wijk: "Ze hebben vaak een 'rugzakje', en dan is zo'n week echt een uitlaatklep. Even weg van de zorgen thuis".
Hoe triest is het om te lezen dat een dergelijke activiteit op losse schroeven dreigt te komen door gebrek aan sponsors. Een dagje zwembad voor in totaal 150 euro dreigt dit jaar niet door te gaan.
Dit is nou zo'n activiteit die mij raakt en waar ik voor wil gaan. Jij ook? Laat het me weten.
woensdag 12 juni 2013
Column Friesch Dagblad 58: leren van ontwikkelingswerk voor wijkwerk
Afgelopen weekend was ik bij een weekend van Urban Expression, het netwerk van gemeentestichtende projecten in Nederlandse achterstandswijken, waar ook Villa Klarendal bij is aangesloten. Een geweldige kans om weer eens van elkaar te horen waar iedereen mee bezig is. En zodoende betrokken te blijven bij wat God aan het doen is in het land.
Een van die gesprekken had ik met Oeds Blok, landelijk coördinator van Urban Expression Nederland. Hij vertelde dat hij op uitnodiging van christelijke ontwikkelingshulporganisatie TEAR ruim een week op bezoek gaat in Oeganda. Doel is vooral te leren van hoe lokale christelijke gemeentes omgaan met de armoedeproblematiek. Hij vroeg mij of ik nog wat vragen voor hem had. Die had ik zeker!
Ik zie namelijk een parallel tussen de manier waarop regeringen via ontwikkelingshulp ontwikkelingslanden heeft geholpen en hoe onze regering en gemeentes omgaan met achterstandswijken. Er lijkt een basisdenken te zijn dat geld de oplossing is voor alle ontstane problemen. Geef het land of de wijk maar geld en de problemen lossen zich wel op. Dat gaat over het algemeen gepaard met projectdenken.
Geef het land of de wijk tijdelijk geld om een project op te zetten dat in potentie succesvol kan zijn. Na verloop van tijd heeft het project zijn succes bewezen en trekt men de stekker uit de geldstroom. Met helaas het vervelende gevolg dat het project een zachte dood sterft, omdat de achterblijvers niet de kracht of de middelen hebben om het project structureel voort te zetten.
Door de constante geldstroom waarbij ook steeds weer nieuwe professionals worden ingevlogen, is een afhankelijkheidsrelatie van ontvangers ontstaan naar zowel het projectgeld als de projectmedewerkers. Terwijl je juist zo graag zou willen dat mensen in zowel ontwikkelingslanden als achterstandswijken onafhankelijk van die gelden en werkers zelf hun problemen gaan aanpakken en eigen oplossingen bedenken.
Ik ben benieuwd of christelijke gemeentes in Afrika erin zijn geslaagd om onafhankelijk te worden van de geldstromen die lieve christenen uit het Westen zo graag aan hun zwarte medegelovigen schenken. Hoe is ze dat gelukt en welke principes kunnen we daarvan overnemen in ons werk in de armere gebieden in ons land?
Ik vraag me ook af op welke manier christenen in Afrika zelf leiding zijn gaan geven aan hun mensen. Hoe ze zijn uitgestapt uit de afhankelijkheidsrelatie waarin ze alleen hun hand hoeven op te houden. En op welke manier hebben ze de dure projecten en westerse denkwijze over inrichting van een organisatie omgezet in werkbare structuren, die voor hun mensen zowel cultureel als financieel behapbaar zijn?
Kijk, dat is de omgekeerde ontwikkelingssamenwerking waar ik van houd. Wij gaan naar de landen toe om in de samenwerking vooral van hen te leren. Hen advies vragen over hoe wij door hun geleerde lessen in onze situatie kunnen toepassen.
Niemand is beter, omdat hij meer geld heeft. Niemand is achtergesteld vanwege tekort aan geld. Een gelijkwaardige relatie gebaseerd op wederzijds respect. Zo werk ik in de wijk. Zo hoop ik iets te mogen leren van broeders en zusters in Afrika.
Ik zie namelijk een parallel tussen de manier waarop regeringen via ontwikkelingshulp ontwikkelingslanden heeft geholpen en hoe onze regering en gemeentes omgaan met achterstandswijken. Er lijkt een basisdenken te zijn dat geld de oplossing is voor alle ontstane problemen. Geef het land of de wijk maar geld en de problemen lossen zich wel op. Dat gaat over het algemeen gepaard met projectdenken.
Geef het land of de wijk tijdelijk geld om een project op te zetten dat in potentie succesvol kan zijn. Na verloop van tijd heeft het project zijn succes bewezen en trekt men de stekker uit de geldstroom. Met helaas het vervelende gevolg dat het project een zachte dood sterft, omdat de achterblijvers niet de kracht of de middelen hebben om het project structureel voort te zetten.
Door de constante geldstroom waarbij ook steeds weer nieuwe professionals worden ingevlogen, is een afhankelijkheidsrelatie van ontvangers ontstaan naar zowel het projectgeld als de projectmedewerkers. Terwijl je juist zo graag zou willen dat mensen in zowel ontwikkelingslanden als achterstandswijken onafhankelijk van die gelden en werkers zelf hun problemen gaan aanpakken en eigen oplossingen bedenken.
Ik ben benieuwd of christelijke gemeentes in Afrika erin zijn geslaagd om onafhankelijk te worden van de geldstromen die lieve christenen uit het Westen zo graag aan hun zwarte medegelovigen schenken. Hoe is ze dat gelukt en welke principes kunnen we daarvan overnemen in ons werk in de armere gebieden in ons land?
Ik vraag me ook af op welke manier christenen in Afrika zelf leiding zijn gaan geven aan hun mensen. Hoe ze zijn uitgestapt uit de afhankelijkheidsrelatie waarin ze alleen hun hand hoeven op te houden. En op welke manier hebben ze de dure projecten en westerse denkwijze over inrichting van een organisatie omgezet in werkbare structuren, die voor hun mensen zowel cultureel als financieel behapbaar zijn?
Kijk, dat is de omgekeerde ontwikkelingssamenwerking waar ik van houd. Wij gaan naar de landen toe om in de samenwerking vooral van hen te leren. Hen advies vragen over hoe wij door hun geleerde lessen in onze situatie kunnen toepassen.
Niemand is beter, omdat hij meer geld heeft. Niemand is achtergesteld vanwege tekort aan geld. Een gelijkwaardige relatie gebaseerd op wederzijds respect. Zo werk ik in de wijk. Zo hoop ik iets te mogen leren van broeders en zusters in Afrika.
Abonneren op:
Posts (Atom)
