Vorige week was Stuart Murray weer in Nederland. Voor een breder publiek van vooral PKN beleidsmakers verkondigde hij zijn boodschap dat we inmiddels in een tijdperk zijn aanbeland van Post-Christendom. Het Christendom, waarin christenen de meerderheid vormden in de samenleving, de cultuur doorspekt was van christelijke uitingen en kerk en staat zeer sterk met elkaar verstrengeld waren, is er niet meer.
Twee gevolgen daarvan, aldus Murray, is dat we als christenen een minderheid zijn geworden en dat we moeten leren om als christenen te leven in de marge van de samenleving.
In nagenoeg dezelfde tijd wordt de regeringspartij de ChristenUnie geconfronteerd met deze harde werkelijkheid. Als christenen een minderheid zijn, is het vreemd en onwennig hoe ze hier mee om moeten gaan als ze weer deel uitmaken van het centrum van de macht, de Nederlandse regering. Aan een onderwerp dat voor de ChristenUnie onbespreekbaar is en waarover afspraken zijn gemaakt in het regeerakkoord, de embryoselectie, wordt nu toch weer getornd. Embryo's met kans op borstkanker zouden moeten worden "uitgeselecteerd" (een mooi woord voor vernietigd of - in de visie van de ChristenUnie die een embryo beschouwd als leven - vermoord).
Ik ga hier niet inhoudelijk in op het onderwerp, omdat dit niet past binnen deze blog. Ik zie hier wel een van de problemen waarmee we als christelijke minderheid in een postchristelijke samenleving worden geconfronteerd. De Volkskrant kopt vanochtend terecht "Het schuurt tussen de Bijbel en de wereld". Regeren doet pijn. De buitenwereld ziet de grote invloed van de partij op de regering. In de laatste weken is de partij vooral beschuldigd van "fundamentalisme, rabiate ethiek en de dictatuur van de minderheid". Een regeringscrisis dreigt, omdat de ChristenUnie niet wil wijken voor het standpunt van de meerderheid van de samenleving.
Hoe stel je jezelf op als minderheid met zo'n geweldige verantwoordelijkheid? Het optreden van de partij is goed voor de achterban. Maar ik vraag mij af of dit de manier is waarop we als marginale groep in de minderheid moeten opereren. Er is volgens mij een uitweg en dat is de volgende.
Het debat over het onderwerp is maatschappelijk losgebarsten. Er worden argumenten voor en tegen naar voren gehaald. Dit is een mooi moment om het gehele onderwerp aan een maatschappelijk debat te onderwerpen. De samenleving heeft er behoefte aan gedegen argumenten te horen waarom er al dan niet aan embryoselectie zou moeten worden gedaan. Dat debat moet niet even in twee weken achter gesloten deuren in de regering worden gevoerd. Laat het eerst maar eens over aan de samenleving. Dan kunnen ook tegenstanders met niet-religieuze argumenten hun zegje doen. De regeringspartijen zouden zich vervolgens moeten committeren aan de uitslag van zo'n debat. Dat kan voor de ChristenUnie een nederlaag betekenen. Hiermee kunnen de partij en andere geloofsgenoten een profetisch geluid laten horen, waarnaar de samenleving al dan niet gehoor aan kan geven. Andere religieuze minderheden die eenzelfde visie aanhangen, zoals moslims en hindoes, kunnen dan ook hun argumenten naar voren brengen.
Hiermee kan recht worden gedaan aan de opdracht van een regeringspartij die als minderheidsgroep een overwegend seculier land bestuurd. Dat zal pijn doen. Maar het zal recht doen aan de positie van het christelijk geloof in de samenleving.
Blog van Rick Jansen over leven en werken als kerkelijk pionier in een achterstandswijk
zaterdag 7 juni 2008
maandag 26 mei 2008
Mooi werk, lastige keuzes
De blog van gisteren heeft blijkbaar geprikkeld, gezien de reactie van Johannes op die blog. Dat brengt me erop ook maar eens de andere kant te laten zien.
Want missionair werk is soms ook keuzes maken. Klaar staan voor mensen als ze iets nodig hebben. Er elke zondag zijn om de tafels te dekken of het in de week daarvoor voorbereide verhaal te vertellen. Die keuzes doen soms pijn. Komt er weer een uitnodiging voor een verjaardag van een familielid. En ja, altijd op zondag. Want op zaterdag zijn de noodzakelijke gymlessen, volleybalwedstrijden, zwemwedstrijden, en alle andere oefeningen die moderne middleclass ouders of hoger hun kinderen aan willen doen. Dan moeten we met pijn in het hart (meer voor de jarige dan voor onszelf, want het is meestal meer van hetzelfde) het verjaardagsfeest afzeggen.
Soms grijpen keuzes ook in op ons gezinsleven. Als de volgende gast zich onaangekondigd uitnodigt voor het eten om direct na het eten geld te vragen voor een pakje sigaretten (komt ze nou voor het eten, de gezelligheid of voor de sigaretten, vragen wij onszelf dan af). Soms laten we zo'n ongenode maar toch zeer welkome gast het woord voeren zodat hij of zij even het hart kan luchten. Soms laten we duidelijk merken dat de gast welkom is om mee te doen aan de gezinsactiviteiten. Dan mag hij of zij gewoon aanschuiven bij de tv-programma's die we die avond bekijken.
Soms zijn er van die spaarzame momenten waarop het ons wel eens teveel wordt. Dan zijn we Klarendallers onder de Klarendallers. Met andere woorden: niet de lieve vrede uithangen en met een sip gezicht de hele avond met spanning in het lijf proberen een gezellige avond met elkaar te hebben. Nee, dan spat het ervan af. Dan kan de buurt ervan mee genieten. En krijg ik wel eens te horen dat ik meer doe voor de buurt dan voor mijn eigen gezin of vrouw. Later wordt dat weer bijgelegd, natuurlijk. Maar op het moment doet dat dan wel pijn. Want ik doe het niet voor mezelf. Ik wil geen eer voor die mooie momenten en de keuzes die ik erin maak.
Mooie keuzes, ja dat zeker. Moeilijke keuzes, ja dat zeker ook. Ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen. Dat was de spreuk die we aan ons huwelijk hebben verbonden. Dat het dienen van de HERE soms in huis pijn doet hoort daarbij. Onze kinderen weten niet beter. We zijn gelukkig vaak genoeg thuis om de normale dingen des levens te doen. Onze kinderen komen als gevolg van overhoren van huiswerk (vooral mijn taak) nog steeds met goede cijfers thuis. Ze zijn door ons leven ook vrij zelfstandig opgevoed.
De keuze om in de wijk te wonen slaat ook weer op hen terug. Er wonen niet alleen maar prettige mensen in de wijk. Er zijn ook etters van mensen (kinderen) die je het bloed onder de nagels vandaan halen. Zoals de laatste tijd waarin een van onze dochters met die etters te maken hebben. Althans, om het in juiste bewoordingen te zeggen: lieve kinderen die ineens in een groepje veranderen in ettertjes. Staan ze eerst gezellig met haar te praten, komen er andere kinderen bij en ineens wordt ze geslagen. Begrijpen ze niet dat het niet normaal is om een ander te slaan. Willen ze weer graag vriendinnen worden, maar heeft mijn dochter het vertrouwen in ze verloren. Gaan ze bij wijze van aandacht trekken met steentjes naar mijn dochter gooien waarbij er eentje op haar hoofd terecht komt.
Dan is het lastig uit te leggen dat ze niet beter weten. Dat ook Jezus die moeite ervoer met de etters rondom hem. Dat hij ze bleef liefhebben, ook al vielen ze hem volledig af. Als mijn dochter dat niet aankan, begrijp ik dat helemaal. Dan staan we om haar heen als gezin in deze lastige wereld. Ze bijt gelukkig van haar af (zij het gelukkig met woorden, maar die kunnen soms ook pijn doen). We willen geen doetjes op de wereld zetten, maar stevige mensen die van aanpakken weten. Bij mijn zoon is het alvast gelukt. Die blijkt geschikt voor het leger. Die heeft zijn weerbaarheidstraining gehad in een prachtwijk met prachtmensen die af en toe in etters veranderen.
Want missionair werk is soms ook keuzes maken. Klaar staan voor mensen als ze iets nodig hebben. Er elke zondag zijn om de tafels te dekken of het in de week daarvoor voorbereide verhaal te vertellen. Die keuzes doen soms pijn. Komt er weer een uitnodiging voor een verjaardag van een familielid. En ja, altijd op zondag. Want op zaterdag zijn de noodzakelijke gymlessen, volleybalwedstrijden, zwemwedstrijden, en alle andere oefeningen die moderne middleclass ouders of hoger hun kinderen aan willen doen. Dan moeten we met pijn in het hart (meer voor de jarige dan voor onszelf, want het is meestal meer van hetzelfde) het verjaardagsfeest afzeggen.
Soms grijpen keuzes ook in op ons gezinsleven. Als de volgende gast zich onaangekondigd uitnodigt voor het eten om direct na het eten geld te vragen voor een pakje sigaretten (komt ze nou voor het eten, de gezelligheid of voor de sigaretten, vragen wij onszelf dan af). Soms laten we zo'n ongenode maar toch zeer welkome gast het woord voeren zodat hij of zij even het hart kan luchten. Soms laten we duidelijk merken dat de gast welkom is om mee te doen aan de gezinsactiviteiten. Dan mag hij of zij gewoon aanschuiven bij de tv-programma's die we die avond bekijken.
Soms zijn er van die spaarzame momenten waarop het ons wel eens teveel wordt. Dan zijn we Klarendallers onder de Klarendallers. Met andere woorden: niet de lieve vrede uithangen en met een sip gezicht de hele avond met spanning in het lijf proberen een gezellige avond met elkaar te hebben. Nee, dan spat het ervan af. Dan kan de buurt ervan mee genieten. En krijg ik wel eens te horen dat ik meer doe voor de buurt dan voor mijn eigen gezin of vrouw. Later wordt dat weer bijgelegd, natuurlijk. Maar op het moment doet dat dan wel pijn. Want ik doe het niet voor mezelf. Ik wil geen eer voor die mooie momenten en de keuzes die ik erin maak.
Mooie keuzes, ja dat zeker. Moeilijke keuzes, ja dat zeker ook. Ik en mijn huis, wij zullen de HERE dienen. Dat was de spreuk die we aan ons huwelijk hebben verbonden. Dat het dienen van de HERE soms in huis pijn doet hoort daarbij. Onze kinderen weten niet beter. We zijn gelukkig vaak genoeg thuis om de normale dingen des levens te doen. Onze kinderen komen als gevolg van overhoren van huiswerk (vooral mijn taak) nog steeds met goede cijfers thuis. Ze zijn door ons leven ook vrij zelfstandig opgevoed.
De keuze om in de wijk te wonen slaat ook weer op hen terug. Er wonen niet alleen maar prettige mensen in de wijk. Er zijn ook etters van mensen (kinderen) die je het bloed onder de nagels vandaan halen. Zoals de laatste tijd waarin een van onze dochters met die etters te maken hebben. Althans, om het in juiste bewoordingen te zeggen: lieve kinderen die ineens in een groepje veranderen in ettertjes. Staan ze eerst gezellig met haar te praten, komen er andere kinderen bij en ineens wordt ze geslagen. Begrijpen ze niet dat het niet normaal is om een ander te slaan. Willen ze weer graag vriendinnen worden, maar heeft mijn dochter het vertrouwen in ze verloren. Gaan ze bij wijze van aandacht trekken met steentjes naar mijn dochter gooien waarbij er eentje op haar hoofd terecht komt.
Dan is het lastig uit te leggen dat ze niet beter weten. Dat ook Jezus die moeite ervoer met de etters rondom hem. Dat hij ze bleef liefhebben, ook al vielen ze hem volledig af. Als mijn dochter dat niet aankan, begrijp ik dat helemaal. Dan staan we om haar heen als gezin in deze lastige wereld. Ze bijt gelukkig van haar af (zij het gelukkig met woorden, maar die kunnen soms ook pijn doen). We willen geen doetjes op de wereld zetten, maar stevige mensen die van aanpakken weten. Bij mijn zoon is het alvast gelukt. Die blijkt geschikt voor het leger. Die heeft zijn weerbaarheidstraining gehad in een prachtwijk met prachtmensen die af en toe in etters veranderen.
zondag 25 mei 2008
Missionair met alles wat in mij is
Evangelisatie of missionair werk. Wat is nou het verschil? Dat vragen sommigen mij af en toe. Om dat te verduidelijken enkele voorbeelden van missionair werk van de afgelopen tijd.
Een vrouw komt tijdens de brunch en viering bijna huilend binnen. Ze meldt dat haar zoon al een tijd niet op school is geweest door allerlei toestanden die ook voor een deel met hemzelf te maken hebben. Ze wil hem graag op een andere school, maar de enige mogelijkheid is op een school waar heel Arnhem van gruwelt. Ze weet het niet meer en is ten einde raad. We proberen haar te kalmeren en hoop te geven. Na afloop van de brunch en viering ga ik naar haar toe om een adres van de school te geven waar mijn dochter positieve ervaringen mee heeft. Ik verzeker haar dat mijn dochter er heel goed is opgevangen. De vrouw is zichtbaar opgelucht dat er meer mogelijkheden zijn dan die ene school.
Een man met zijn begeleider komt bij mij op computerles in het mediatrefpunt Klarendal. Hij zit in een scootmobiel en loopt met moeite daaruit weg. We beginnen te spreken en het blijkt dat hij nogal alleen door het leven gaat. Hij is ook niet altijd goed te verstaan. Of het mogelijk is om bij ons computerles te nemen. Bijkomend probleem is dat de beste man niet kan lezen en schrijven. Gelukkig hebben we een tijd geleden enkele CD's aangeschaft voor mensen die minder geletterd zijn. Wat ons betreft kan hij de computerles volgen, zij het met iets meer begeleiding dan anders. De man geniet zichtbaar van de momenten achter de computer, de gesprekken tussendoor en de oefeningen die hij goed doorloopt. Zelfs met een programma op een CD blijken de oefeningen toch lastig, omdat er veel typoefeningen worden gevraagd. Dus ga ik op zoek naar andere oplossingen. Ik kom terecht bij een organisatie die gehandicapten begeleidt die slechtziend of anderszins gehandicapt zijn. Via hen is het mogelijk de computer spraakgestuurd te maken. Afgelopen week was de begeleider weer meegekomen om advies over de arts die een medische verklaring moet opstellen die voor de verzekering nodig is om het spraakprogramma te bekostigen. Met de week zie ik de man opfleuren. Er is een uitweg uit zijn isolement.
Bij toeval loop ik in de plaatselijke supermarkt een regelmatige bezoeker van de brunch en viering tegen het lijf. Nog voordat ik kan vragen hoe het met hem gaat, begint hij over de problemen die hij met zijn verslaafde zoon heeft die hem de afgelopen week in elkaar geslagen heeft. Hij loopt zichtbaar moeilijk en grijpt regelmatig naar zijn rug. Ik zie een aantal zware boodschappen op de band staan en help hem door ze in de kar te zetten. Ik besluit hem te helpen de boodschappen in te laden in zijn auto en mee te gaan naar zijn huis om het daarna weer uit te laden en op te ruimen. We praten over de situatie met zijn zoon die hij nu uit huis heeft gezet. En drinken een pilsje na afloop in de mooie zelf aangelegde tuin die hij vol trots aan mij laat zien.
Missionair werk heeft eerst en vooral te maken met omgang met mensen. Mensen die wij tegenkomen en die na verloop van tijd zoveel vertrouwen hebben dat ze hun persoonlijke verhaal vertellen. Het blijft wat ons betreft niet bij luisteren, maar we willen actief meezoeken naar een oplossing voor hun probleem. In alledrie de verhalen is nog geen moment het evangelie uitgesproken. Toch zeggen ze alledrie dat ze merken dat we anders zijn. Ze beginnen erover na te denken. Soms willen ze er meer over weten.
In missionair werk willen we oprechte belangstelling hebben voor de mensen die we tegenkomen op de plek waar ze zijn en in de situatie waarin ze verkeren. Zij voelen zich gewaardeerd in hun mens-zijn door een dergelijke benadering. Zij zijn geen "bekeringsobject" waarin alleen het winnen van de ziel belangrijk is en de persoonlijke situatie een aanleiding vormt om het evangelie in kwijt te kunnen. In dat geval zouden we met een dubbele agenda werken. We beschouwen mensen als door God geschapen met een geest, ziel en lichaam, met behoeften op sociaal, financieel, maatschappelijk èn spiritueel (geestelijk) gebied.
Dat laatste is van even groot belang als de andere aspecten. Het hoort onlosmakelijk bij een mensenleven. Maar het is daar ook niet van los te koppelen. Alsof er maar één ding in het leven belangrijk is. Ik zie het leven met God als het belangrijkste in mijn leven, maar alle andere dingen zijn daarom niet minder belangrijk. Het leven met Hem is het ijkpunt waar mijn leven om draait. Op basis daarvan leef ik de rest van mijn leven. Probeer ik een zo oprecht mogelijk leven te leiden. Als mensen erom vragen, zal ik mij niet schamen voor mijn intenties.
Missionair zijn. Dat is mensen weer mens laten zijn. Ze te helpen een mens waardig bestaan te leiden. Als schepsel van God is het zo mooi om iets meer van de Schepper te weten te komen. God wilde immers mensen een waardig bestaan geven. Evangelisatie zonder daden is praten over een Schepper zonder te laten zien dat Hij een realiteit in deze wereld is. We kunnen Hem ervaren door ons leven aan Hem over te geven. Voordat dit gebeurt, kan Hij zich echter ook tonen door de daden van zijn volgelingen .
Daarom wil ik missionair zijn met alles wat in mij is. Met de dingen die ik doe, de houding die ik heb en de woorden die ik spreek. Zodat God in al die aspecten ten volle door mij heen kan werken. "Wat goed dat je dit doet" zeggen mensen soms, ook vandaag weer tijdens een multicultureel ontbijt tijdens het wijkfeest waarvoor we de brunch en viering opschortten. Dan denk ik bij mijzelf: het is God die dit in mij doet en mijn voorbeeld is. Zoals Jezus missionair was in alles wat Hij deed, zo mag ik Hem daarin navolgen. Dat is volgens mij de ware aanbidding: niet alleen op zondag tijdens een prettig gevoel bij een mooi zwijmelend liedje, maar van zondag tot en met zaterdag alles aan Hem geven, zodat Hij alles in mij kan gebruiken waar Hij het voor bestemd heeft.
Een vrouw komt tijdens de brunch en viering bijna huilend binnen. Ze meldt dat haar zoon al een tijd niet op school is geweest door allerlei toestanden die ook voor een deel met hemzelf te maken hebben. Ze wil hem graag op een andere school, maar de enige mogelijkheid is op een school waar heel Arnhem van gruwelt. Ze weet het niet meer en is ten einde raad. We proberen haar te kalmeren en hoop te geven. Na afloop van de brunch en viering ga ik naar haar toe om een adres van de school te geven waar mijn dochter positieve ervaringen mee heeft. Ik verzeker haar dat mijn dochter er heel goed is opgevangen. De vrouw is zichtbaar opgelucht dat er meer mogelijkheden zijn dan die ene school.
Een man met zijn begeleider komt bij mij op computerles in het mediatrefpunt Klarendal. Hij zit in een scootmobiel en loopt met moeite daaruit weg. We beginnen te spreken en het blijkt dat hij nogal alleen door het leven gaat. Hij is ook niet altijd goed te verstaan. Of het mogelijk is om bij ons computerles te nemen. Bijkomend probleem is dat de beste man niet kan lezen en schrijven. Gelukkig hebben we een tijd geleden enkele CD's aangeschaft voor mensen die minder geletterd zijn. Wat ons betreft kan hij de computerles volgen, zij het met iets meer begeleiding dan anders. De man geniet zichtbaar van de momenten achter de computer, de gesprekken tussendoor en de oefeningen die hij goed doorloopt. Zelfs met een programma op een CD blijken de oefeningen toch lastig, omdat er veel typoefeningen worden gevraagd. Dus ga ik op zoek naar andere oplossingen. Ik kom terecht bij een organisatie die gehandicapten begeleidt die slechtziend of anderszins gehandicapt zijn. Via hen is het mogelijk de computer spraakgestuurd te maken. Afgelopen week was de begeleider weer meegekomen om advies over de arts die een medische verklaring moet opstellen die voor de verzekering nodig is om het spraakprogramma te bekostigen. Met de week zie ik de man opfleuren. Er is een uitweg uit zijn isolement.
Bij toeval loop ik in de plaatselijke supermarkt een regelmatige bezoeker van de brunch en viering tegen het lijf. Nog voordat ik kan vragen hoe het met hem gaat, begint hij over de problemen die hij met zijn verslaafde zoon heeft die hem de afgelopen week in elkaar geslagen heeft. Hij loopt zichtbaar moeilijk en grijpt regelmatig naar zijn rug. Ik zie een aantal zware boodschappen op de band staan en help hem door ze in de kar te zetten. Ik besluit hem te helpen de boodschappen in te laden in zijn auto en mee te gaan naar zijn huis om het daarna weer uit te laden en op te ruimen. We praten over de situatie met zijn zoon die hij nu uit huis heeft gezet. En drinken een pilsje na afloop in de mooie zelf aangelegde tuin die hij vol trots aan mij laat zien.
Missionair werk heeft eerst en vooral te maken met omgang met mensen. Mensen die wij tegenkomen en die na verloop van tijd zoveel vertrouwen hebben dat ze hun persoonlijke verhaal vertellen. Het blijft wat ons betreft niet bij luisteren, maar we willen actief meezoeken naar een oplossing voor hun probleem. In alledrie de verhalen is nog geen moment het evangelie uitgesproken. Toch zeggen ze alledrie dat ze merken dat we anders zijn. Ze beginnen erover na te denken. Soms willen ze er meer over weten.
In missionair werk willen we oprechte belangstelling hebben voor de mensen die we tegenkomen op de plek waar ze zijn en in de situatie waarin ze verkeren. Zij voelen zich gewaardeerd in hun mens-zijn door een dergelijke benadering. Zij zijn geen "bekeringsobject" waarin alleen het winnen van de ziel belangrijk is en de persoonlijke situatie een aanleiding vormt om het evangelie in kwijt te kunnen. In dat geval zouden we met een dubbele agenda werken. We beschouwen mensen als door God geschapen met een geest, ziel en lichaam, met behoeften op sociaal, financieel, maatschappelijk èn spiritueel (geestelijk) gebied.
Dat laatste is van even groot belang als de andere aspecten. Het hoort onlosmakelijk bij een mensenleven. Maar het is daar ook niet van los te koppelen. Alsof er maar één ding in het leven belangrijk is. Ik zie het leven met God als het belangrijkste in mijn leven, maar alle andere dingen zijn daarom niet minder belangrijk. Het leven met Hem is het ijkpunt waar mijn leven om draait. Op basis daarvan leef ik de rest van mijn leven. Probeer ik een zo oprecht mogelijk leven te leiden. Als mensen erom vragen, zal ik mij niet schamen voor mijn intenties.
Missionair zijn. Dat is mensen weer mens laten zijn. Ze te helpen een mens waardig bestaan te leiden. Als schepsel van God is het zo mooi om iets meer van de Schepper te weten te komen. God wilde immers mensen een waardig bestaan geven. Evangelisatie zonder daden is praten over een Schepper zonder te laten zien dat Hij een realiteit in deze wereld is. We kunnen Hem ervaren door ons leven aan Hem over te geven. Voordat dit gebeurt, kan Hij zich echter ook tonen door de daden van zijn volgelingen .
Daarom wil ik missionair zijn met alles wat in mij is. Met de dingen die ik doe, de houding die ik heb en de woorden die ik spreek. Zodat God in al die aspecten ten volle door mij heen kan werken. "Wat goed dat je dit doet" zeggen mensen soms, ook vandaag weer tijdens een multicultureel ontbijt tijdens het wijkfeest waarvoor we de brunch en viering opschortten. Dan denk ik bij mijzelf: het is God die dit in mij doet en mijn voorbeeld is. Zoals Jezus missionair was in alles wat Hij deed, zo mag ik Hem daarin navolgen. Dat is volgens mij de ware aanbidding: niet alleen op zondag tijdens een prettig gevoel bij een mooi zwijmelend liedje, maar van zondag tot en met zaterdag alles aan Hem geven, zodat Hij alles in mij kan gebruiken waar Hij het voor bestemd heeft.
zondag 27 april 2008
11-13 april: ontmoeting met prachtmensen
Het is alweer twee weken geleden. Een netwerk van mensen die iets nieuws willen met kerk-zijn kwam bijeen in het landelijke Assel, een kloostergemeenschap temidden van het heidelandschap.
Samen met wat vrienden had ik het weekend georganiseerd. Om mensen met eenzelfde visie en verlangen een hart onder de riem te steken en aan te vuren om nieuwe dingen uit te proberen.
Wat doe je dan, tijdens zo'n weekend? Praten, nadenken, meehuilen met mensen die gekwetst zijn, veel lachen, lekker eten en genieten van elkaars verhalen.
Ikzelf ben altijd gewend om op zo'n weekend de leidende rol te hebben. Het was voor mij een verademing dat niet te hoeven doen, omdat drie echtparen die rol opnamen. Dus mocht ik experimenteren met echte emerging leiderschapsprincipes: coachend naast mensen staan en bemoedigen waar dat maar mogelijk was. En vooral: delen uit eigen ervaring. Niet omdat ik zo goed ben, maar omdat ik in mijn leven veel momenten heb meegemaakt van pijn, verwerping, onbegrip bij anderen.
Daar mee om leren gaan is voor mij een les geweest van jaren. Telkens weer op een kruispunt komen waarin ik weer de kans kreeg om te laten zien dat ik Jezus daadwerkelijk wilde vergeven. Op momenten dat medechristenen me pijn deden, leidinggevenden mij aanvielen, leren om de minste te zijn.
Het weekend was vooral een tijd van ontmoeting met mensen die ik heb leren waarderen. Genieten van mensen die zo anders zijn en denken dan ik. Maar tegelijkertijd elkaar herkennen in Degene die ons bindt. Dan vallen alle muren weg. En vinden we elkaar in het verlangen om Jezus te volgen. Met vallen en opstaan. Met geloven en twijfelen. Niet altijd in geloofswaarheden, maar zeker wel in het verlangen van overgave aan degene die we willen volgen.
Juist in de herkenning van de ander ligt een grote waarde. Dat de ander mag ervaren dat hij of zij er gewoon mag zijn. Zonder dat hij of zij zich hoeft te verdedigen. Dat we gewoon eens uitspreken dat het prachtmensen zijn. Dat is wat ik heb meegenomen van dat ene weekend: Nederland is nog vol prachtmensen met een groot verlangen om Jezus te volgen. Binnen of buiten kerkelijke muren. Er is hoop voor christelijk Nederland!
Samen met wat vrienden had ik het weekend georganiseerd. Om mensen met eenzelfde visie en verlangen een hart onder de riem te steken en aan te vuren om nieuwe dingen uit te proberen.
Wat doe je dan, tijdens zo'n weekend? Praten, nadenken, meehuilen met mensen die gekwetst zijn, veel lachen, lekker eten en genieten van elkaars verhalen.
Ikzelf ben altijd gewend om op zo'n weekend de leidende rol te hebben. Het was voor mij een verademing dat niet te hoeven doen, omdat drie echtparen die rol opnamen. Dus mocht ik experimenteren met echte emerging leiderschapsprincipes: coachend naast mensen staan en bemoedigen waar dat maar mogelijk was. En vooral: delen uit eigen ervaring. Niet omdat ik zo goed ben, maar omdat ik in mijn leven veel momenten heb meegemaakt van pijn, verwerping, onbegrip bij anderen.
Daar mee om leren gaan is voor mij een les geweest van jaren. Telkens weer op een kruispunt komen waarin ik weer de kans kreeg om te laten zien dat ik Jezus daadwerkelijk wilde vergeven. Op momenten dat medechristenen me pijn deden, leidinggevenden mij aanvielen, leren om de minste te zijn.
Het weekend was vooral een tijd van ontmoeting met mensen die ik heb leren waarderen. Genieten van mensen die zo anders zijn en denken dan ik. Maar tegelijkertijd elkaar herkennen in Degene die ons bindt. Dan vallen alle muren weg. En vinden we elkaar in het verlangen om Jezus te volgen. Met vallen en opstaan. Met geloven en twijfelen. Niet altijd in geloofswaarheden, maar zeker wel in het verlangen van overgave aan degene die we willen volgen.
Juist in de herkenning van de ander ligt een grote waarde. Dat de ander mag ervaren dat hij of zij er gewoon mag zijn. Zonder dat hij of zij zich hoeft te verdedigen. Dat we gewoon eens uitspreken dat het prachtmensen zijn. Dat is wat ik heb meegenomen van dat ene weekend: Nederland is nog vol prachtmensen met een groot verlangen om Jezus te volgen. Binnen of buiten kerkelijke muren. Er is hoop voor christelijk Nederland!
dinsdag 22 april 2008
Mogen mensen erbij horen?
Afgelopen zondag. We hadden samen gepraat over Simon de magiër. Het verhaal van de man die als een soort Uri Geller optrad in de tijd van Handelingen en daar behoorlijk veel aanzien en geld voor terug kreeg. Hoe deze man onder de indruk van de werking van de Heilige Geest kwam en Petrus en Johannes aanbood om voor geld ook die kracht te mogen krijgen. Een van de toepassingen was dat God zoveel groter is dan wij, dat Hij ons helpt als wij het moeilijk hebben en dat Hij zoveel beter werkt dan de manier waarop de krachten van Jomanda en Uri Geller werkt.
Een bezoeker beaamde dat met grote nadruk. Waarop hij begon te vertellen hoe hij op momenten van grote moeite plotseling zijn overleden opa aan het bed zag. Dat hij rust vond in het feit dat hij zonder woorden kan communiceren met zijn moeder. Dat hij dus wel paranormale gaven bezit. De rest van de bezoekers vond het mooi. Dat zijn mooie gaven die God je geeft.
Dat bracht me als degene die de leiding had voor een dilemma. Ik kan nu als een typische man van de kerk gaan vertellen waarom deze gaven zo verkeerd zijn. Of ik laat hem in zijn waarde, omdat hij op dit moment nog niet gelovig is. Ik ervoer het als een moment waarop mijn waarden binnen ons werk weer eens praktisch ter discussie werden gesteld. Reageer ik echt zoals ik dat wil of wil ik zelf mensen overtuigen van mijn gelijk?
Een van onze waarden is dat mensen mogen komen zoals ze zijn. Dus ook mensen met die paranormale "gaven". Natuurlijk geloven wij niet dat dit gaven zijn en dat ze van een andere kant af komen. Maar ook deze mensen zijn welkom om bij ons te komen. Deze bezoeker komt nu wekelijks en vindt het zichtbaar leuk om te komen. Ik wil mensen ruimte geven om Jezus te leren kennen door de verhalen en onze manier van leven en werken heen. Ze mogen stapje voor stapje dichterbij Jezus komen. We willen mensen niet over de streep trekken, maar God de kans geven om in hun leven in te werken. Mensen die behoefte hebben aan een gezellig plekje waar ze zichzelf thuis voelen ("belonging") en die door de tijd dat ze er zijn langzaam maar zeker meer van God leren kennen ("believing").
"God laten werken" betekent voor mij dat ik mensen heel veel ruimte geef. De waarheid vinden komt door het horen en het zien. Wat heeft een paranormaal bezoeker er aan als hij ervan overtuigd wordt dat zijn gaven niet goed zijn, zonder dat hij Jezus leert kennen? De juiste volgorde is dan: iemand mag thuis zijn bij ons (belonging) - iemand leert Jezus kennen (believing) - iemand gaat leren wat Jezus wil en hoe hij zijn leven volgens de bijbel kan inrichten (behaving).
Dus heb ik aangegeven dat wij een andere mening zijn toegedaan over paranormale gaven. En de bezoeker gezegd dat ik daar op een ander moment op terug zal komen. Er ontstond geen discussie over paranormale gaven. De bezoeker werd in zijn waarde gelaten van waar hij op dit moment staat. En we hebben gebeden dat God de kracht van de Heilige Geest aan iedereen zal tonen.
Later hadden we als team een discussie over of ik meer erover had moeten zeggen. De anderen vonden dat ik wat duidelijker had moeten zijn. Achteraf denk ik dat ik de juiste werkwijze heb gekozen.
Hieruit komt de vraag naar voren of mensen zich ook daadwerkelijk bij ons thuis mogen voelen, of dat we terugkeren naar onze oude manier van werken en mensen overtuigen van ons gelijk (of dat van de bijbel) op het moment dat er iets gebeurt dat tegen onze geloofsharen instrijkt.
Een bezoeker beaamde dat met grote nadruk. Waarop hij begon te vertellen hoe hij op momenten van grote moeite plotseling zijn overleden opa aan het bed zag. Dat hij rust vond in het feit dat hij zonder woorden kan communiceren met zijn moeder. Dat hij dus wel paranormale gaven bezit. De rest van de bezoekers vond het mooi. Dat zijn mooie gaven die God je geeft.
Dat bracht me als degene die de leiding had voor een dilemma. Ik kan nu als een typische man van de kerk gaan vertellen waarom deze gaven zo verkeerd zijn. Of ik laat hem in zijn waarde, omdat hij op dit moment nog niet gelovig is. Ik ervoer het als een moment waarop mijn waarden binnen ons werk weer eens praktisch ter discussie werden gesteld. Reageer ik echt zoals ik dat wil of wil ik zelf mensen overtuigen van mijn gelijk?
Een van onze waarden is dat mensen mogen komen zoals ze zijn. Dus ook mensen met die paranormale "gaven". Natuurlijk geloven wij niet dat dit gaven zijn en dat ze van een andere kant af komen. Maar ook deze mensen zijn welkom om bij ons te komen. Deze bezoeker komt nu wekelijks en vindt het zichtbaar leuk om te komen. Ik wil mensen ruimte geven om Jezus te leren kennen door de verhalen en onze manier van leven en werken heen. Ze mogen stapje voor stapje dichterbij Jezus komen. We willen mensen niet over de streep trekken, maar God de kans geven om in hun leven in te werken. Mensen die behoefte hebben aan een gezellig plekje waar ze zichzelf thuis voelen ("belonging") en die door de tijd dat ze er zijn langzaam maar zeker meer van God leren kennen ("believing").
"God laten werken" betekent voor mij dat ik mensen heel veel ruimte geef. De waarheid vinden komt door het horen en het zien. Wat heeft een paranormaal bezoeker er aan als hij ervan overtuigd wordt dat zijn gaven niet goed zijn, zonder dat hij Jezus leert kennen? De juiste volgorde is dan: iemand mag thuis zijn bij ons (belonging) - iemand leert Jezus kennen (believing) - iemand gaat leren wat Jezus wil en hoe hij zijn leven volgens de bijbel kan inrichten (behaving).
Dus heb ik aangegeven dat wij een andere mening zijn toegedaan over paranormale gaven. En de bezoeker gezegd dat ik daar op een ander moment op terug zal komen. Er ontstond geen discussie over paranormale gaven. De bezoeker werd in zijn waarde gelaten van waar hij op dit moment staat. En we hebben gebeden dat God de kracht van de Heilige Geest aan iedereen zal tonen.
Later hadden we als team een discussie over of ik meer erover had moeten zeggen. De anderen vonden dat ik wat duidelijker had moeten zijn. Achteraf denk ik dat ik de juiste werkwijze heb gekozen.
Hieruit komt de vraag naar voren of mensen zich ook daadwerkelijk bij ons thuis mogen voelen, of dat we terugkeren naar onze oude manier van werken en mensen overtuigen van ons gelijk (of dat van de bijbel) op het moment dat er iets gebeurt dat tegen onze geloofsharen instrijkt.
maandag 31 maart 2008
Voedselbank Klarendal in de wijkkrant
Een maand geleden wilde een redacteur van de wijkkrant ons interviewen over wat we doen bij de Voedselbank. Geen probleem natuurlijk. Hij kwam, praatte, luisterde, stelde vragen, maakte foto's en snoof de sfeer op (gezellig volgens hem). De uitkomst ervan is deze weken te bewonderen op de voorpagina van onze wijkkrant.
Voor wie het wil lezen, klik hier om de wijkkrant te downloaden.
Voor wie het wil lezen, klik hier om de wijkkrant te downloaden.
zondag 30 maart 2008
Na Fitna: het is hier rustig
Donderdagavond was het dan zover. De langverwachte film werd op internet uitgezonden. Het bleef overal in Nederland rustig. En ook hier in Klarendal merkten we niets van rellerigheid of opstand van moslims jegens andere bevolkingsgroepen. Een storm in een glas water. Dat is hoe je de hype rondom deze film kunt noemen. Zelf ga ik maar liever voor de uitbreiding van contacten tussen moslims, christenen en andere godsdienstigen langs de weg van gesprek en geleidelijkheid.
Vanochtend was een van onze vaste vriendinnen (met hoofddoek) weer op de brunch en viering. Zij genoot en wij met haar. Iedereen mocht bij wijze van persoonlijk gebed een kaarsje op steken. Zij vroeg aan een van onze teamleden of zij er ook aan mee mocht doen. Ja, natuurlijk! God weet met welk hart mensen tot hem spreken. Er was dus niets zichtbaar van enige spanning. Gelukkig maar!
Op mijn andere weblog heb ik mijn eigen visie op Fitna geschreven. Lees deze blog onder de titel "Fitna? Nou: NEE!"
Vanochtend was een van onze vaste vriendinnen (met hoofddoek) weer op de brunch en viering. Zij genoot en wij met haar. Iedereen mocht bij wijze van persoonlijk gebed een kaarsje op steken. Zij vroeg aan een van onze teamleden of zij er ook aan mee mocht doen. Ja, natuurlijk! God weet met welk hart mensen tot hem spreken. Er was dus niets zichtbaar van enige spanning. Gelukkig maar!
Op mijn andere weblog heb ik mijn eigen visie op Fitna geschreven. Lees deze blog onder de titel "Fitna? Nou: NEE!"
zaterdag 29 maart 2008
Missionaire aanbiddingsleiders
Ruim een maand geleden schreef ik een post over missionaire liedcultuur.
Daar zijn wat reacties op gekomen, waar ik zelf ook weer op reageerde. Een van de gesprekken ging over de rol van de worship- of aanbiddingsleider.
Johan schreef daarover:
Een groot probleem in veel gemeentes is dat de worshipleader de centrale rol heeft gekregen in een samenkomst. Nu ben ik sowieso niet iemand die voor centrale rollen is, maar in het worship subcultuurtje zijn er speciale spelregels. Zelf heb ik jaren in een landelijke praiseband gespeeld en wij wisten alle trucje om mensen zgn. in aanbidding te krijgen. Inderdaad, alleen zoete teksten, de lieve en goede Jezus, alle zegeningen etc etc.
Was er dan weerstand dan was de toverformule: maak je zelf leeg van je eigen gedachten, en vul je met gods rijkdom. Vergeet je problemen en zie de zegeningen.... en hoppa het volgende opwekkingslied....
Voor mij was zijn reactie erg herkenbaar en reageerde: Ik ben zelf ook jaren ingezet als aanbiddingsleider. Je wist gewoon welke dingen je moest doen om de mensen "gezegend" naar huis te laten gaan. Ik gooide vaak mijn kont tegen de krib en gooide harde en zachte nummers doodleuk door elkaar. Met als reactie van de andere leiders, dat er dan geen opbouw is naar aanbidding. Aanbidding, was dan weer mijn reactie, zit 'm niet in de zachte of harde liedjes. Het zit in je hart. Je komt als het goed is al met aanbidding naar de gemeente toe. Maar nee, we komen pas in aanbidding op het moment dat de juiste emotionele snaar is geraakt. Pas dan ervaren we Gods Geest en is Hij zo duidelijk aanwezig.
Leuke reactie van Arend hierop kwam vandaag: Hmmm, dit ademt niet echt integriteit. Het lijkt of je aanbiddingsleider bent geweest vanuit eigen kracht, en niet vanuit Gods kracht, de kracht van de Geest. Aanbidding bestaat, God wil aanbeden worden. Daar kun je toch integer mee om gaan? Als je "de kont tegen de krib gooit" dan moet je je afvragen voor wie je iets doet.
Ik mag dit soort reacties wel. Vooral omdat ze mijzelf weer eens laten nadenken over mijn beweegredenen. Daarom hieronder mijn visie op het leiden van aanbidding.
Een aanbiddingsleider is eerst en vooral bezig om mensen in aanbidding richting God te brengen. Maar dan is mijn vraag: wat is aanbidding? In de gemiddelde pinkstergemeente is aanbidding het moment waarop de aanbiddingsleider zachte liedjes inzet en mensen helpt om hun gedachten, emoties en alles wat in hen is op God te richten.
Dat is niet verkeerd, maar volgens mij is aanbidding niet beperkt tot dat moment. Het zou een levensmotto moeten zijn dat elke dag ons leven leidt. Aanbidding terwijl je werkt in de manier waarop je werkt en met mensen omgaat. Aanbidding terwijl je je vrije tijd besteedt. Aanbidding terwijl je met je kinderen en vrouw of man omgaat, ook in de meest intieme momenten. Is dat mijn verlangen? God groot te maken in mijn werk, door wat ik verder nog doe? Ik denk dat we dan ook helemaal anders gaan leven. Want kan ik God aanbidden terwijl ik voor de tv hang en een slappe film bekijk (of een erotischer film diep in de nacht terwijl niemand je ziet)?
Terug naar de aanbiddingsleider. In mijn voorbereidingen koos ik vaak liederen waarvan ik dacht dat ze mensen zouden helpen dichtbij God te komen. Dan kreeg ik kritiek van andere aanbiddingsliederen dat je geen harde en zachte liederen door elkaar moest gebruiken, want dan zat er geen opbouw in de dienst.
Er zit een gevaar in het gebruiken van maniertjes en trucjes om mensen dichter bij God te laten komen. Dan zit je dichtbij aanbidding leiden uit eigen kracht. Dan laat je God niet zijn werk doen, maar push je mensen in een bepaalde richting. De "worship" beweging moet met zijn maniertjes en hulpmiddeltjes oppassen voor die valkuil! Er is een 'worship-cultuur' in modern-christelijke kringen aan het ontstaan, die goed is begonnen, maar inmiddels een eigen cultuur is geworden en ik vraag me dan af waar God nog in deze cultuur voor komt.
Mijn pleidooi voor een missionaire liedcultuur was bedoeld om te pleiten voor meer ruimte binnen de moderne christelijke liedcultuur voor liederen die gaan over menselijk falen, angst, onzekerheid en dergelijke. Die gaan vaak niet samen met de gangbare gedachten binnen de worshipcultuur over hoe we mensen in aanbidding tot God kunnen leiden. Zodra je liederen zingt waarin we onze menselijke emoties onder woorden brengen, is de kritiek dat we "mens-gericht" zijn, terwijl aanbidding toch juist "God-gericht" moet zijn.
Ik pleit ervoor dat aanbiddingsleiders mensen onder hun gehoor helpen om hun eigen emoties onder woorden te brengen en ze van daaruit verder te leiden naar een leven van aanbidding. Dan zal een gast in de dienst niet maanden nodig hebben om te begrijpen wat er gezongen wordt, maar gelijk worden aangesproken, omdat er wordt gezongen over dingen die hij herkent in zijn eigen leven. Weg van de worshipcultuur die zo ver af staat van de wereld waarin we leven. Op weg naar een muziekcultuur waarin het leven van alledag bezongen om van daaruit mensen dichter bij Jezus te brengen.
Dat lijkt mij de taak van een missionaire aanbiddingsleider.
Daar zijn wat reacties op gekomen, waar ik zelf ook weer op reageerde. Een van de gesprekken ging over de rol van de worship- of aanbiddingsleider.
Johan schreef daarover:
Een groot probleem in veel gemeentes is dat de worshipleader de centrale rol heeft gekregen in een samenkomst. Nu ben ik sowieso niet iemand die voor centrale rollen is, maar in het worship subcultuurtje zijn er speciale spelregels. Zelf heb ik jaren in een landelijke praiseband gespeeld en wij wisten alle trucje om mensen zgn. in aanbidding te krijgen. Inderdaad, alleen zoete teksten, de lieve en goede Jezus, alle zegeningen etc etc.
Was er dan weerstand dan was de toverformule: maak je zelf leeg van je eigen gedachten, en vul je met gods rijkdom. Vergeet je problemen en zie de zegeningen.... en hoppa het volgende opwekkingslied....
Voor mij was zijn reactie erg herkenbaar en reageerde: Ik ben zelf ook jaren ingezet als aanbiddingsleider. Je wist gewoon welke dingen je moest doen om de mensen "gezegend" naar huis te laten gaan. Ik gooide vaak mijn kont tegen de krib en gooide harde en zachte nummers doodleuk door elkaar. Met als reactie van de andere leiders, dat er dan geen opbouw is naar aanbidding. Aanbidding, was dan weer mijn reactie, zit 'm niet in de zachte of harde liedjes. Het zit in je hart. Je komt als het goed is al met aanbidding naar de gemeente toe. Maar nee, we komen pas in aanbidding op het moment dat de juiste emotionele snaar is geraakt. Pas dan ervaren we Gods Geest en is Hij zo duidelijk aanwezig.
Leuke reactie van Arend hierop kwam vandaag: Hmmm, dit ademt niet echt integriteit. Het lijkt of je aanbiddingsleider bent geweest vanuit eigen kracht, en niet vanuit Gods kracht, de kracht van de Geest. Aanbidding bestaat, God wil aanbeden worden. Daar kun je toch integer mee om gaan? Als je "de kont tegen de krib gooit" dan moet je je afvragen voor wie je iets doet.
Ik mag dit soort reacties wel. Vooral omdat ze mijzelf weer eens laten nadenken over mijn beweegredenen. Daarom hieronder mijn visie op het leiden van aanbidding.
Een aanbiddingsleider is eerst en vooral bezig om mensen in aanbidding richting God te brengen. Maar dan is mijn vraag: wat is aanbidding? In de gemiddelde pinkstergemeente is aanbidding het moment waarop de aanbiddingsleider zachte liedjes inzet en mensen helpt om hun gedachten, emoties en alles wat in hen is op God te richten.
Dat is niet verkeerd, maar volgens mij is aanbidding niet beperkt tot dat moment. Het zou een levensmotto moeten zijn dat elke dag ons leven leidt. Aanbidding terwijl je werkt in de manier waarop je werkt en met mensen omgaat. Aanbidding terwijl je je vrije tijd besteedt. Aanbidding terwijl je met je kinderen en vrouw of man omgaat, ook in de meest intieme momenten. Is dat mijn verlangen? God groot te maken in mijn werk, door wat ik verder nog doe? Ik denk dat we dan ook helemaal anders gaan leven. Want kan ik God aanbidden terwijl ik voor de tv hang en een slappe film bekijk (of een erotischer film diep in de nacht terwijl niemand je ziet)?
Terug naar de aanbiddingsleider. In mijn voorbereidingen koos ik vaak liederen waarvan ik dacht dat ze mensen zouden helpen dichtbij God te komen. Dan kreeg ik kritiek van andere aanbiddingsliederen dat je geen harde en zachte liederen door elkaar moest gebruiken, want dan zat er geen opbouw in de dienst.
Er zit een gevaar in het gebruiken van maniertjes en trucjes om mensen dichter bij God te laten komen. Dan zit je dichtbij aanbidding leiden uit eigen kracht. Dan laat je God niet zijn werk doen, maar push je mensen in een bepaalde richting. De "worship" beweging moet met zijn maniertjes en hulpmiddeltjes oppassen voor die valkuil! Er is een 'worship-cultuur' in modern-christelijke kringen aan het ontstaan, die goed is begonnen, maar inmiddels een eigen cultuur is geworden en ik vraag me dan af waar God nog in deze cultuur voor komt.
Mijn pleidooi voor een missionaire liedcultuur was bedoeld om te pleiten voor meer ruimte binnen de moderne christelijke liedcultuur voor liederen die gaan over menselijk falen, angst, onzekerheid en dergelijke. Die gaan vaak niet samen met de gangbare gedachten binnen de worshipcultuur over hoe we mensen in aanbidding tot God kunnen leiden. Zodra je liederen zingt waarin we onze menselijke emoties onder woorden brengen, is de kritiek dat we "mens-gericht" zijn, terwijl aanbidding toch juist "God-gericht" moet zijn.
Ik pleit ervoor dat aanbiddingsleiders mensen onder hun gehoor helpen om hun eigen emoties onder woorden te brengen en ze van daaruit verder te leiden naar een leven van aanbidding. Dan zal een gast in de dienst niet maanden nodig hebben om te begrijpen wat er gezongen wordt, maar gelijk worden aangesproken, omdat er wordt gezongen over dingen die hij herkent in zijn eigen leven. Weg van de worshipcultuur die zo ver af staat van de wereld waarin we leven. Op weg naar een muziekcultuur waarin het leven van alledag bezongen om van daaruit mensen dichter bij Jezus te brengen.
Dat lijkt mij de taak van een missionaire aanbiddingsleider.
maandag 24 maart 2008
De enige waarheid in een postmodern jasje
Gisteren zat ik tijdens onze brunch aan tafel met een wijkbewoonster. Ze laat haar dochter wekelijks naar onze bijbelclub voor kinderen en naar de brunch en viering gaan. Dan leert ze de waarden van het christelijk geloof. Terwijl het gesprek vordert, blijkt dat ze beducht is voor christenen die hun geloof beschouwen als de enige, echte waarheid. Als dat op die manier bij ons wordt verkondigd, wil ze haar dochter niet bij ons houden.
Hoe ga je daar nu mee om. Probleem voor mij is dat ik wel degelijk geloof dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is. Dat mijn geloof in Jezus de enige weg is om God te vinden en met Hem te leven. Hoe vertel je dat aan iemand die vanuit een postmoderne visie een allergie heeft voor alles wat "de enige waarheid" propageert.
Ik vertel haar dat ik wel geloof dat Jezus de enige weg naar God is. Maar dat wij dat vertellen vanuit het respect voor iedereen die bij ons komt. Een moslim wordt als moslim gerespecteerd en mag dat wat ons betreft zo blijven. Datzelfde geldt voor alle andere godsdienstige richtingen. Beschouw mij maar als een wegwijzer die vertelt welke kant je op kunt gaan. Dan is het aan de mensen zelf om te besluiten of ze die kant ook opgaan.
Christenen zijn lange tijd geen wegwijzers geweest, maar weg"duwers", zo leg ik uit. Een wegwijzer staat midden op de weg, zichtbaar voor iedereen en laat zien welke kant je op kunt gaan. Een weg"duwer" verplicht iemand, dwingt iemand een weg op te gaan. Die wil dat de ander alleen die ene kant opgaat en zal alles in het werk stellen om dat bij de ander teweeg te brengen.
De weg als wegzijzer tonen maakt mij klein en kwetsbaar. Het kan immers door zowel bezoekers als andere kerken worden uitgelegd als syncretisme: iedereen mag zijn eigen weg kiezen en welke weg je ook kiest, het is een goede weg. Zo bedoel ik het niet. Natuurlijk weet ik dat God ons de weg heeft getoond en dat er een straf is als we die weg niet volgen. De manier waarop we dat uitleggen is daarin van belang. De tijd van donderpreken is voorbij. De tijd van manipulatie om het goede te bewerkstelligen ook (daar ben ik alleen maar bang van geworden). De tijd om de hel te prediken om mensen de hemel in te duwen is voorbij.
De wegwijzer luistert naar waar iemand staat. Heeft respect voor de plek waar die persoon zich op dit moment bevindt. Ik heb al ruim een jaar contact met een jongeman. Hij heeft een ruig leven achter de rug. Vorig jaar nog kwam ik met hem onze lokale grootgrutter binnen om een gratis kerstboom op te halen (die de filiaalhouder ons had beloofd voor al onze bezoekers). Gelijk schoot het hele personeelsbestand in de stress. Naar later bleek was dit de beruchtste kruimeldief van de grootgrutter. Het contact is gebleven en regelmatig hebben we korte gesprekjes gevoerd. Gisteren hadden we een wat langer gesprek. Ineens was er iets in zijn leven gebeurd wat niet meer aan het toeval kon worden overgelaten. Hij vroeg mij of hier misschien sprake was van onzichtbare sturing in zijn leven. Een prachtig moment om even een wegwijzer te zijn. Jazeker, ik geloof dat God het leven van gelovigen en ongelovigen bestuurt. Dat hij momenten in je leven toestaat waardoor je gaat nadenken of er wellicht meer is dan jij denkt. Hij wil er graag nog eens verder over doorpraten. Misschien op een binnenkort te starten bijbelstudie.
Ik had hem een jaar geleden al de weg op kunnen duwen. Dan was er geen persoonlijke relatie ontstaan. Dan was het bij woorden, gesprek en discussie gebleven. Nu was er een vertrouwensband ontstaan op basis waarvan hij dingen durfde te zeggen die hij, volgens zijn verbaasde moeder die erbij zat, nog nooit aan een ander had verteld.
Dat is de waarheid spreken in een postmodern jasje. Niet gelijk je waarheid uitspreken, maar die eerst voorleven. Wegwijzer zijn in daad en in woord. Met pijn, moeite en verdriet leren leven en de onzekerheid van elk moment voor realiteit houden. Je niet groot houden, maar durven de kleinste te zijn. Niet gelijk de grote woorden uitspreken, maar als klein mens leven die vanzelf door God gestuurd mag worden om die woorden te spreken op het moment dat door Hem is uitgekozen. Niet gelijk corrigeren als een bezoekster zegt dat je bij ons mag komen en mag geloven wat je wilt, omdat daar respect heerst. God de ruimte te geven om zichzelf in de loop van de tijd aan de bezoekers bekend te maken. Ik ben vaak ongeduldig en teleurgesteld als mensen het na drie jaar nog niet helemaal hebben begrepen. Dan vraag ik weer om het geduld dat alleen van God kan komen om die mensen lief te hebben zoals ze zijn en daar niet pas mee te komen als ze zijn waar ik ze wil hebben. Mij te geven aan mensen waar andere kerkgangers van zullen zeggen: "maar die zijn nog niet zover!" Met mensen te werken die in andere kerken vanwege hun afkomst, religie of geaardheid geweerd zouden worden.
Hoe ga je daar nu mee om. Probleem voor mij is dat ik wel degelijk geloof dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is. Dat mijn geloof in Jezus de enige weg is om God te vinden en met Hem te leven. Hoe vertel je dat aan iemand die vanuit een postmoderne visie een allergie heeft voor alles wat "de enige waarheid" propageert.
Ik vertel haar dat ik wel geloof dat Jezus de enige weg naar God is. Maar dat wij dat vertellen vanuit het respect voor iedereen die bij ons komt. Een moslim wordt als moslim gerespecteerd en mag dat wat ons betreft zo blijven. Datzelfde geldt voor alle andere godsdienstige richtingen. Beschouw mij maar als een wegwijzer die vertelt welke kant je op kunt gaan. Dan is het aan de mensen zelf om te besluiten of ze die kant ook opgaan.
Christenen zijn lange tijd geen wegwijzers geweest, maar weg"duwers", zo leg ik uit. Een wegwijzer staat midden op de weg, zichtbaar voor iedereen en laat zien welke kant je op kunt gaan. Een weg"duwer" verplicht iemand, dwingt iemand een weg op te gaan. Die wil dat de ander alleen die ene kant opgaat en zal alles in het werk stellen om dat bij de ander teweeg te brengen.
De weg als wegzijzer tonen maakt mij klein en kwetsbaar. Het kan immers door zowel bezoekers als andere kerken worden uitgelegd als syncretisme: iedereen mag zijn eigen weg kiezen en welke weg je ook kiest, het is een goede weg. Zo bedoel ik het niet. Natuurlijk weet ik dat God ons de weg heeft getoond en dat er een straf is als we die weg niet volgen. De manier waarop we dat uitleggen is daarin van belang. De tijd van donderpreken is voorbij. De tijd van manipulatie om het goede te bewerkstelligen ook (daar ben ik alleen maar bang van geworden). De tijd om de hel te prediken om mensen de hemel in te duwen is voorbij.
De wegwijzer luistert naar waar iemand staat. Heeft respect voor de plek waar die persoon zich op dit moment bevindt. Ik heb al ruim een jaar contact met een jongeman. Hij heeft een ruig leven achter de rug. Vorig jaar nog kwam ik met hem onze lokale grootgrutter binnen om een gratis kerstboom op te halen (die de filiaalhouder ons had beloofd voor al onze bezoekers). Gelijk schoot het hele personeelsbestand in de stress. Naar later bleek was dit de beruchtste kruimeldief van de grootgrutter. Het contact is gebleven en regelmatig hebben we korte gesprekjes gevoerd. Gisteren hadden we een wat langer gesprek. Ineens was er iets in zijn leven gebeurd wat niet meer aan het toeval kon worden overgelaten. Hij vroeg mij of hier misschien sprake was van onzichtbare sturing in zijn leven. Een prachtig moment om even een wegwijzer te zijn. Jazeker, ik geloof dat God het leven van gelovigen en ongelovigen bestuurt. Dat hij momenten in je leven toestaat waardoor je gaat nadenken of er wellicht meer is dan jij denkt. Hij wil er graag nog eens verder over doorpraten. Misschien op een binnenkort te starten bijbelstudie.
Ik had hem een jaar geleden al de weg op kunnen duwen. Dan was er geen persoonlijke relatie ontstaan. Dan was het bij woorden, gesprek en discussie gebleven. Nu was er een vertrouwensband ontstaan op basis waarvan hij dingen durfde te zeggen die hij, volgens zijn verbaasde moeder die erbij zat, nog nooit aan een ander had verteld.
Dat is de waarheid spreken in een postmodern jasje. Niet gelijk je waarheid uitspreken, maar die eerst voorleven. Wegwijzer zijn in daad en in woord. Met pijn, moeite en verdriet leren leven en de onzekerheid van elk moment voor realiteit houden. Je niet groot houden, maar durven de kleinste te zijn. Niet gelijk de grote woorden uitspreken, maar als klein mens leven die vanzelf door God gestuurd mag worden om die woorden te spreken op het moment dat door Hem is uitgekozen. Niet gelijk corrigeren als een bezoekster zegt dat je bij ons mag komen en mag geloven wat je wilt, omdat daar respect heerst. God de ruimte te geven om zichzelf in de loop van de tijd aan de bezoekers bekend te maken. Ik ben vaak ongeduldig en teleurgesteld als mensen het na drie jaar nog niet helemaal hebben begrepen. Dan vraag ik weer om het geduld dat alleen van God kan komen om die mensen lief te hebben zoals ze zijn en daar niet pas mee te komen als ze zijn waar ik ze wil hebben. Mij te geven aan mensen waar andere kerkgangers van zullen zeggen: "maar die zijn nog niet zover!" Met mensen te werken die in andere kerken vanwege hun afkomst, religie of geaardheid geweerd zouden worden.
donderdag 20 maart 2008
Dodelijk vermoeiend enerverend leven
Wie mij kent weet dat ik niet erg graag dagelijks hetzelfde doe in hetzelfde stramien. Sterker nog, zodra iets een routine of een sleur wordt, ben ik weg of begin ik me te vervelen. Soms kan het ook wel eens iets teveel van het goede zijn (voor mijn gevoel dan).
Zondag
Het begon op de eerste dag van de week die wij in gristelijk Nederland zo mooi de dag des Heren noemen. Dan houden we een brunch en viering in Villa Klarendal. Meestal is dat fijn, leuke gesprekken en samen gaan voor een goed verhaal. Dat was deze week ook wel zo, maar er werd een streep doorheen gehaald door allerlei stapelingen van irritaties op die dag. Omdat anderen er bij betrokken zijn, wil ik niet in detail treden over het optreden van hen. Wij waren geïrriteerd en moesten dat met onze teamleden uitspreken. Voor je het weet ben je dan zomaar een uur later klaar met de afsluiting van het programma. Dodelijk vermoeiend is het om irritaties uit te spreken op een manier die niet bijtend overkomt op de ander. Dat is het ook omdat we zo met hart en ziel bezig zijn in dit werk. Als er dan dingen niet goed gaan, lijkt het alsof je weer eens met jezelf wordt geconfronteerd. Je zet jezelf voor de spiegel en vraagt je af of het aan jezelf ligt of aan de ander. Zo'n situatie is na zo'n gesprek niet gelijk uit het hoofd, laat staan uit het gevoel. Dus was er nog een hele dag waarbij hoofd en gevoel met andere dingen bezig waren dan de gewoonlijke zondagmiddagbezigheden.
Maandag
Na een wat onrustige nacht stond ik met letterlijke en figuurlijke pijn in de buik op. Om negen uur werd ik verwacht in een cursus projectmanagement die ik voor mijn werk mag volgen. Aangezien ik altijd een slow-starter ben op de dag, was het met buikpijn en al even weer mezelf erin gooien. Een dodelijk vermoeiend begin dus van de maandagochtend. Gelukkig hadden we vantevoren een leercurve ingevuld waaruit bleek dat er maar weinig studiebollen bij de cursus zitten die er van genieten om vier uur achtereen achter de tafel te zitten om de theorie tot zich te nemen. We werden al snel in de praktijk gegooid om zelf dingen uit te zoeken. Na een maaltijd en een iets langere theoriezit, kregen we huiswerk op voor de volgende keer en mochten we naar huis.
Voor mij niet dus, want mijn werk voor de gemeenteraad brengt soms met zich mee dat ik kan worden opgeroepen om stand-by te staan als er speciale vergaderingen zijn. Die was er dus maandagavond: de gemeenteraad van Arnhem moest een besluit nemen of er wel of niet moest worden ingestemd met een dwangakkoord om Arnhems trots Vitesse een schuld van ruim 12 miljoen euro kwijt te schelden. Goed, ik was er die avond, die al goed begon doordat mijn collega's pizza hadden besteld, maar mij daarbij voor het gemak waren vergeten. De jas die ik net had uitgedaan moest ik weer snel aandoen om zelf even mijn maaltijd bij elkaar te sprokkelen (op kosten van de baas, dat wel). Een halfuur later zat ik in pizzageuren een Thaise afhaalmaaltijd te verorberen. Terwijl ik dat deed kreeg ik mijn instructies voor die avond. Of ik de computer dichtbij de raadzaal kon bedienen. Bij die zaal was het een drukte van jewelste. Vanaf 18.00 uur kwamen de gasten binnen die bij de ingang als kaf van het koren werden gescheiden. Supporters en andere lieden die zich niet van tevoren hadden opgegeven door de deuren naar de hal. Bobo's, ambtenaren en andere hoogwaardigheidsbekleders met de lift naar de zaal of de publieke tribune voor de elite. Twee gescheiden werelden met twee verschillende redenen om te komen. De supporters met de bekende spreekkoren om hun cluppie een hart onder de riem te steken. De raadzaal en de publieke tribune om het vuur van het debat over het onderwerp mee te maken of om te horen hoe de Arnhemse Tweede Kamer zich zou uitspreken over het dilemma "spuiten of slikken" (of zoals een raadslid later in het openbaar verklaarde "in dit besluit moesten we een keuze maken tussen wurgen of verdrinken"). Drie uur later, waarbinnen ik tot wel tweemaal toe mijn taak mocht verrichten en voor de rest betaald rondliep om de sfeer op te snuiven, was de klus geklaard. De ruiten sneuvelden niet, de spreekkoren werden vervangen door lofliederen op het cluppie en haar redders, de redder der redders wuifde het voetvolk als een Ceauscescu toe. Dodelijk vermoeid sloften mijn collega en ik naar de kelder waar we nog mochten nagenieten van wat zo mooi "een hapje en een drankje" wordt genoemd. Net zomin als ik een oordeel vel over teamleden, zal ik een oordeel vellen over de besluitvorming van die avond. De entourage was prachtig. Over de uitkomst mag ieder het zijne zeggen.
Na zo'n avond leg ik niet direct mijn hoofd in het kussen en moest er even onthaast worden. Aneta geeft elke maandagavond een computerles in de wijk, waar ik haar in ondersteun als ik geen avondwerk heb. Dus praatten we even na over haar belevenissen en die van mij. Nog een drankje wordt dan ter hand genomen en door de keel gegoten, waarna de aangename rust toch de overhand nam.
Dinsdag
De slow-starter liet zich niet eerder dan tien uur op het stadhuis zien de volgende ochtend. Die dag stond natuurlijk in het teken van terugkijken op de vorige dag die door ons tot in de puntjes was georganiseerd. En over de consequenties van de besluitvorming die voor ons weer nieuw werk met zich meebracht, waardoor een collega al weer een hele dag zoet was om griffies in andere steden te bellen voor advies over de inrichting van een raadsonderzoek (een uitgeklede soort parlementaire enquete). Eigenlijk was de maandagavond gereserveerd voor een gewone politieke avond. Onder druk van het gevaar van een faillissement van ons lokale sportieve suffertje moest die avond op stel en sprong worden verplaatst naar de dinsdag. Dus werd de rest van de dag ingeruimd voor het organiseren en voorbereiden van de avond, tussen alle hectische gesprekken over voetbalperikelen door. Aneta had overdag ook nog een sollicitatiegesprek, dus werd er tussendoor ook nog eens op die manier contact gelegd met mijn thuisfront. De pizza en Thai werd die avond vervangen door een gezonde vegetarische maaltijd waarvoor we even buitengaats mochten gaan. De rest van de avond werd besteed met het aanhoren en gelijktijdig aan de laptop toevertrouwen van meningen en standpunten over zes verschillende onderwerpen variërend van de visie over cultuureducatie, de begroting van de lokale sociale werkplaats tot discussies over de opvang voor dak- en thuislozen. Interessant genoeg om mijn hoofd erbij te houden (wat toch wel nodig was, anders weet niemand over een paar weken meer wat erover gezegd is), maar, je raadt het al, dodelijk vermoeiend, omdat ik van zeven uur tot halfelf bijna aan een stuk door de concentratie vast moest houden, moest luisteren en moest schrijven. Na het bijeen harken van alle belangrijke overgebleven papieren, naambordjes, EHBO-dozen en mijn laptop, kon ik genieten van een rustig wandelingetje naar huis, alwaar ik neerzeeg en evenals de vorige dag met een hapje en drankje mijn ei kwijt kon en mocht horen hoe Aneta de dag met sollicitatie, boodschappen doen en de tweede computercursus van de week (weer zonder mij) was doorgekomen. Na zo'n supergeconcentreerde avond, voorafgegaan door een enerverende andere avond en een persoonlijk vermoeiende dag daarvoor, bemerkte ik terwijl ik probeerde te slapen dat mijn lichaam protesteerde tegen mijn enerverende leven. Met een gepiep in mijn hoofd probeerde mijn lichaam de dodelijke vermoeidheid kwijt te raken.
Woensdag
Gelukkig was de moeheid er de volgende ochtend al redelijk uit geslapen. Om ongeveer dezelfde tijd als de dag daarvoor tengevolge van een verplichte wandeling omdat dochterlief haar fiets nog bij de fietsdokter had staan en zij bijgevolg mijn fiets maar had meegenomen. De dagelijkse rituelen van computer aanzetten, inloggen, koffie halen en bijpraten waren er bijna niet bij, want ik zat nog maar net of een collega vroeg me om die dag wat brieven te versturen die van belang waren voor een bijeenkomst die we volgende week weer houden. Daardoor kon ik pas tegen twaalf uur een start maken met het uitwerken van de verslagen van de avond daarvoor. Dat doe ik het liefst direct de dag erna, omdat de inhoud van de vergaderingen dan nog vers in mijn hoofd zitten. Nog voor ik aan het einde van mijn eerste verslag was, werd ik gestoord door mijn chef die me vroeg welk drinken hij voor mij kon meenemen. Dat noopte mij ertoe op de klok te kijken, waardoor ik tot de ontdekking kwam dat het alweer tijd was voor een regelmatig een-op-een gesprek met hem. Verslag moest aan de kant en we konden driekwartier aan de klets over onszelf, het werk en alles wat daartussen zat. Daarna lonkte het verslag weer en zag ik in mijn tas mijn brooddoos nog liggen. Het gebeurt nogal eens dat de inhoud daarvan wordt opgegeten terwijl ik bezig ben met zo'n verslag en dat deed ik toen ook maar weer eens. Niet zo gezond voor lijf en leden, maar ik bedacht me dat ik mijn pauze op een andere keer wel weer zou inhalen. Om en nabij halfzes, later dan gepland, liep ik terug naar huis. Daar zat mijn wekelijkse woensdag-eet-vriend Michiel klaar om samen met mij aan te vallen. Aneta had al naar het werk gebeld op het moment dat ik al weg was en besefte dat de tijd tussen werk en thuiskomen langer zou duren omdat ik nog steeds niet de loopsnelheid van een fiets heb kunnen halen. Het is altijd genieten om met mijn eetvriend te dineren, want we spreken over van alles en nog wat: wat we meemaken, waar we over nadenken, frustraties, moeilijkheden of gewone leuke dingen. Om zeven uur vielen zijn ogen bijna dicht van al het lekkers en de intensieve gesprekken en moest hij snel opstappen om zijn volgende afspraak te halen. Niet lang daarna trok ik ook mijn jas weer aan om naar een kort overleg te gaan van de Voedselbank, waarvan ik in onze wijk de coördinator ben. Een prettig fietstochtje eindigde in een dorpje naast Arnhem waar ik met koffie en koek werd ontvangen. Gelukkig een kort overleg, want al vijf kwartier later kon ik de terugtocht alweer ondernemen. De bank was thuis gewillig, evenals de computer die ik gedurende een korte tijd mocht raadplegen. Nadat Aneta rond halftwaalf vertrok voor haar regelmatige vliegmeerdaagse, stapte ik iets na twaalven het bed in om snel in slaap te kunnen sukkelen.
Donderdag
En zo zijn we aanbeland in de dag van vandaag die het uitwerken van de rest van de verslagen op het werk met zich meebracht. Daar had ik toch nog een groot deel van de dag voor nodig, naast allerlei kleine klusjes, telefoontjes en andere kleinigheden waardoor de dag vol loopt met zaken waardoor ik achteraf me afvraag wat ik nu zoal heb gedaan. Een verlate vraag van een collega over adressen uit het verleden en of ik mogelijk mensen ken die aan een activiteit over een paar weken mee kunnen doen zorgde n ervoor dat ik pas rond zes uur moest bellen naar Villa Klarendal dat ik later zou komen. Eens in de twee weken bidden we namelijk samen met wijkbewoners voor de wijk. En eenmaal per maand begint dat met een gezamenlijke maaltijd. Dus door wind en regen naar huis gereden, mijn tas en paasgeschenk van het werk daar achter gelaten, mijn dochter voorzien van een euro voor de meidenclub op het wijkcentrum en weer snel door naar Villa Klarendal. Het was weer een gezellige maaltijd, waarin we konden meeleven met het leven van een van de wijkbewoners die haar belevenissen van de afgelopen periode vertelde. Daarna baden we voor de activiteiten die we in de wijk mogen doen.
Heb je nog wel een leven?
Waarom schrijf ik dit nu? Misschien om een inkijkje te geven in mijn leven. De manier te laten zien waarop ik geniet van alles wat ik doe. De frustratie die ik soms heb om meer in de wijk te kunnen doen en te worden tegengehouden door de hectiek van alle dag. De vragen die soms door mijn hoofd heen spelen als "wat heeft het allemaal voor zin", "waar doe ik het allemaal toch voor". Ik raad niet iedereen aan te leven zoals wij dat doen. Ik ben bang dat ik in dit verhaaltje nog zeker een aantal dingen ben vergeten die tussendoor gebeuren. De moderne media zorgen ervoor dat je altijd overal bereikbaar bent. Waardoor het wijkcentrum telefonisch met een vraag komt. Waardoor we per mail het verslag van de computerlesvergadering krijgen. Waardoor een teamlid per mail of sms een vraag stelt die ik per ommegaande in enkele minuten beantwoord.
In dit soort weken mis ik mijn vrienden in de wijk. Het werk roept me en ik weet dat daar een deel van mijn taak ligt. Afgelopen maandag in de pauze tijdens de cursus liep ik naar de boekhandel om de "Waarom Pasen" DVD te kopen. Die gaan we uitdelen aan onze vrienden en vaste bezoekers van de Villa. Later sms'te een teamgenoot dat zij de DVD's al via internet had besteld. Ik was weer eens te snel geweest. Een dag later bedachten we dat de eigen gekochte DVD's als paaspresentje konden worden uitgedeeld aan collega's. Dat heb ik vandaag ook gedaan. Mooie reacties daarop. Geef mensen eens iets extra's en ze glunderen. Vooral degenen die op afdelingen werken waar ze alleen maar als voetveeg worden behandeld. Op het werk mis ik mijn wijk en al de dingen die ik daar zou kunnen doen of opzetten. Maar tegelijkertijd weet ik dat mijn werk ook weer een plek is waar mensen zijn die mij nodig hebben. En bij de Voedselbank, de computerles, het wijkcentrum....
De titel van de blog lijkt erg aanmatigend. Alsof het in het leven alleen maar gaat om veel werk te verzetten. Leuk als je ziek bent, door ouderdom niets meer kunt doen, of aan een chronische aandoening leidt. Het leven draait niet om het doen van veel werk. Ook wij zijn weleens ziek. Gelukkig kennen wij ook periodes waarin de druk allemaal ineens voorbij is. In mei, als de computerlessen stoppen, in juni als de laatste vergadering voorbij is. Dan is er het andere genieten van de rust...
Rust en drukte, ze horen beide bij het leven. Het enerverende leven dat we leiden doen we niet vanwege het enerverende aspect ervan. We doen het, omdat we de Here God willen dienen. De ene mag dat doen vanuit de studeerkamer in de boeken of achter de computer. Wij mogen dat doen in Villa Klarendal, computercursussen, Voedselbank, wijkcentrum, het gemeentehuis en in alle functies en vrijwilligerstaken die Aneta tot nu toe heeft uitgevoerd. De taak staat niet voorop: God staat voorop. Zoals Jezus bereid was te gaan. Zo mogen ook wij gaan.
...ook al is dat soms dodelijk vermoeiend. Maar ja, wat zei Jezus in Gethsemane en op Golgotha?
Zondag
Het begon op de eerste dag van de week die wij in gristelijk Nederland zo mooi de dag des Heren noemen. Dan houden we een brunch en viering in Villa Klarendal. Meestal is dat fijn, leuke gesprekken en samen gaan voor een goed verhaal. Dat was deze week ook wel zo, maar er werd een streep doorheen gehaald door allerlei stapelingen van irritaties op die dag. Omdat anderen er bij betrokken zijn, wil ik niet in detail treden over het optreden van hen. Wij waren geïrriteerd en moesten dat met onze teamleden uitspreken. Voor je het weet ben je dan zomaar een uur later klaar met de afsluiting van het programma. Dodelijk vermoeiend is het om irritaties uit te spreken op een manier die niet bijtend overkomt op de ander. Dat is het ook omdat we zo met hart en ziel bezig zijn in dit werk. Als er dan dingen niet goed gaan, lijkt het alsof je weer eens met jezelf wordt geconfronteerd. Je zet jezelf voor de spiegel en vraagt je af of het aan jezelf ligt of aan de ander. Zo'n situatie is na zo'n gesprek niet gelijk uit het hoofd, laat staan uit het gevoel. Dus was er nog een hele dag waarbij hoofd en gevoel met andere dingen bezig waren dan de gewoonlijke zondagmiddagbezigheden.
Maandag
Na een wat onrustige nacht stond ik met letterlijke en figuurlijke pijn in de buik op. Om negen uur werd ik verwacht in een cursus projectmanagement die ik voor mijn werk mag volgen. Aangezien ik altijd een slow-starter ben op de dag, was het met buikpijn en al even weer mezelf erin gooien. Een dodelijk vermoeiend begin dus van de maandagochtend. Gelukkig hadden we vantevoren een leercurve ingevuld waaruit bleek dat er maar weinig studiebollen bij de cursus zitten die er van genieten om vier uur achtereen achter de tafel te zitten om de theorie tot zich te nemen. We werden al snel in de praktijk gegooid om zelf dingen uit te zoeken. Na een maaltijd en een iets langere theoriezit, kregen we huiswerk op voor de volgende keer en mochten we naar huis.
Voor mij niet dus, want mijn werk voor de gemeenteraad brengt soms met zich mee dat ik kan worden opgeroepen om stand-by te staan als er speciale vergaderingen zijn. Die was er dus maandagavond: de gemeenteraad van Arnhem moest een besluit nemen of er wel of niet moest worden ingestemd met een dwangakkoord om Arnhems trots Vitesse een schuld van ruim 12 miljoen euro kwijt te schelden. Goed, ik was er die avond, die al goed begon doordat mijn collega's pizza hadden besteld, maar mij daarbij voor het gemak waren vergeten. De jas die ik net had uitgedaan moest ik weer snel aandoen om zelf even mijn maaltijd bij elkaar te sprokkelen (op kosten van de baas, dat wel). Een halfuur later zat ik in pizzageuren een Thaise afhaalmaaltijd te verorberen. Terwijl ik dat deed kreeg ik mijn instructies voor die avond. Of ik de computer dichtbij de raadzaal kon bedienen. Bij die zaal was het een drukte van jewelste. Vanaf 18.00 uur kwamen de gasten binnen die bij de ingang als kaf van het koren werden gescheiden. Supporters en andere lieden die zich niet van tevoren hadden opgegeven door de deuren naar de hal. Bobo's, ambtenaren en andere hoogwaardigheidsbekleders met de lift naar de zaal of de publieke tribune voor de elite. Twee gescheiden werelden met twee verschillende redenen om te komen. De supporters met de bekende spreekkoren om hun cluppie een hart onder de riem te steken. De raadzaal en de publieke tribune om het vuur van het debat over het onderwerp mee te maken of om te horen hoe de Arnhemse Tweede Kamer zich zou uitspreken over het dilemma "spuiten of slikken" (of zoals een raadslid later in het openbaar verklaarde "in dit besluit moesten we een keuze maken tussen wurgen of verdrinken"). Drie uur later, waarbinnen ik tot wel tweemaal toe mijn taak mocht verrichten en voor de rest betaald rondliep om de sfeer op te snuiven, was de klus geklaard. De ruiten sneuvelden niet, de spreekkoren werden vervangen door lofliederen op het cluppie en haar redders, de redder der redders wuifde het voetvolk als een Ceauscescu toe. Dodelijk vermoeid sloften mijn collega en ik naar de kelder waar we nog mochten nagenieten van wat zo mooi "een hapje en een drankje" wordt genoemd. Net zomin als ik een oordeel vel over teamleden, zal ik een oordeel vellen over de besluitvorming van die avond. De entourage was prachtig. Over de uitkomst mag ieder het zijne zeggen.
Na zo'n avond leg ik niet direct mijn hoofd in het kussen en moest er even onthaast worden. Aneta geeft elke maandagavond een computerles in de wijk, waar ik haar in ondersteun als ik geen avondwerk heb. Dus praatten we even na over haar belevenissen en die van mij. Nog een drankje wordt dan ter hand genomen en door de keel gegoten, waarna de aangename rust toch de overhand nam.
Dinsdag
De slow-starter liet zich niet eerder dan tien uur op het stadhuis zien de volgende ochtend. Die dag stond natuurlijk in het teken van terugkijken op de vorige dag die door ons tot in de puntjes was georganiseerd. En over de consequenties van de besluitvorming die voor ons weer nieuw werk met zich meebracht, waardoor een collega al weer een hele dag zoet was om griffies in andere steden te bellen voor advies over de inrichting van een raadsonderzoek (een uitgeklede soort parlementaire enquete). Eigenlijk was de maandagavond gereserveerd voor een gewone politieke avond. Onder druk van het gevaar van een faillissement van ons lokale sportieve suffertje moest die avond op stel en sprong worden verplaatst naar de dinsdag. Dus werd de rest van de dag ingeruimd voor het organiseren en voorbereiden van de avond, tussen alle hectische gesprekken over voetbalperikelen door. Aneta had overdag ook nog een sollicitatiegesprek, dus werd er tussendoor ook nog eens op die manier contact gelegd met mijn thuisfront. De pizza en Thai werd die avond vervangen door een gezonde vegetarische maaltijd waarvoor we even buitengaats mochten gaan. De rest van de avond werd besteed met het aanhoren en gelijktijdig aan de laptop toevertrouwen van meningen en standpunten over zes verschillende onderwerpen variërend van de visie over cultuureducatie, de begroting van de lokale sociale werkplaats tot discussies over de opvang voor dak- en thuislozen. Interessant genoeg om mijn hoofd erbij te houden (wat toch wel nodig was, anders weet niemand over een paar weken meer wat erover gezegd is), maar, je raadt het al, dodelijk vermoeiend, omdat ik van zeven uur tot halfelf bijna aan een stuk door de concentratie vast moest houden, moest luisteren en moest schrijven. Na het bijeen harken van alle belangrijke overgebleven papieren, naambordjes, EHBO-dozen en mijn laptop, kon ik genieten van een rustig wandelingetje naar huis, alwaar ik neerzeeg en evenals de vorige dag met een hapje en drankje mijn ei kwijt kon en mocht horen hoe Aneta de dag met sollicitatie, boodschappen doen en de tweede computercursus van de week (weer zonder mij) was doorgekomen. Na zo'n supergeconcentreerde avond, voorafgegaan door een enerverende andere avond en een persoonlijk vermoeiende dag daarvoor, bemerkte ik terwijl ik probeerde te slapen dat mijn lichaam protesteerde tegen mijn enerverende leven. Met een gepiep in mijn hoofd probeerde mijn lichaam de dodelijke vermoeidheid kwijt te raken.
Woensdag
Gelukkig was de moeheid er de volgende ochtend al redelijk uit geslapen. Om ongeveer dezelfde tijd als de dag daarvoor tengevolge van een verplichte wandeling omdat dochterlief haar fiets nog bij de fietsdokter had staan en zij bijgevolg mijn fiets maar had meegenomen. De dagelijkse rituelen van computer aanzetten, inloggen, koffie halen en bijpraten waren er bijna niet bij, want ik zat nog maar net of een collega vroeg me om die dag wat brieven te versturen die van belang waren voor een bijeenkomst die we volgende week weer houden. Daardoor kon ik pas tegen twaalf uur een start maken met het uitwerken van de verslagen van de avond daarvoor. Dat doe ik het liefst direct de dag erna, omdat de inhoud van de vergaderingen dan nog vers in mijn hoofd zitten. Nog voor ik aan het einde van mijn eerste verslag was, werd ik gestoord door mijn chef die me vroeg welk drinken hij voor mij kon meenemen. Dat noopte mij ertoe op de klok te kijken, waardoor ik tot de ontdekking kwam dat het alweer tijd was voor een regelmatig een-op-een gesprek met hem. Verslag moest aan de kant en we konden driekwartier aan de klets over onszelf, het werk en alles wat daartussen zat. Daarna lonkte het verslag weer en zag ik in mijn tas mijn brooddoos nog liggen. Het gebeurt nogal eens dat de inhoud daarvan wordt opgegeten terwijl ik bezig ben met zo'n verslag en dat deed ik toen ook maar weer eens. Niet zo gezond voor lijf en leden, maar ik bedacht me dat ik mijn pauze op een andere keer wel weer zou inhalen. Om en nabij halfzes, later dan gepland, liep ik terug naar huis. Daar zat mijn wekelijkse woensdag-eet-vriend Michiel klaar om samen met mij aan te vallen. Aneta had al naar het werk gebeld op het moment dat ik al weg was en besefte dat de tijd tussen werk en thuiskomen langer zou duren omdat ik nog steeds niet de loopsnelheid van een fiets heb kunnen halen. Het is altijd genieten om met mijn eetvriend te dineren, want we spreken over van alles en nog wat: wat we meemaken, waar we over nadenken, frustraties, moeilijkheden of gewone leuke dingen. Om zeven uur vielen zijn ogen bijna dicht van al het lekkers en de intensieve gesprekken en moest hij snel opstappen om zijn volgende afspraak te halen. Niet lang daarna trok ik ook mijn jas weer aan om naar een kort overleg te gaan van de Voedselbank, waarvan ik in onze wijk de coördinator ben. Een prettig fietstochtje eindigde in een dorpje naast Arnhem waar ik met koffie en koek werd ontvangen. Gelukkig een kort overleg, want al vijf kwartier later kon ik de terugtocht alweer ondernemen. De bank was thuis gewillig, evenals de computer die ik gedurende een korte tijd mocht raadplegen. Nadat Aneta rond halftwaalf vertrok voor haar regelmatige vliegmeerdaagse, stapte ik iets na twaalven het bed in om snel in slaap te kunnen sukkelen.
Donderdag
En zo zijn we aanbeland in de dag van vandaag die het uitwerken van de rest van de verslagen op het werk met zich meebracht. Daar had ik toch nog een groot deel van de dag voor nodig, naast allerlei kleine klusjes, telefoontjes en andere kleinigheden waardoor de dag vol loopt met zaken waardoor ik achteraf me afvraag wat ik nu zoal heb gedaan. Een verlate vraag van een collega over adressen uit het verleden en of ik mogelijk mensen ken die aan een activiteit over een paar weken mee kunnen doen zorgde n ervoor dat ik pas rond zes uur moest bellen naar Villa Klarendal dat ik later zou komen. Eens in de twee weken bidden we namelijk samen met wijkbewoners voor de wijk. En eenmaal per maand begint dat met een gezamenlijke maaltijd. Dus door wind en regen naar huis gereden, mijn tas en paasgeschenk van het werk daar achter gelaten, mijn dochter voorzien van een euro voor de meidenclub op het wijkcentrum en weer snel door naar Villa Klarendal. Het was weer een gezellige maaltijd, waarin we konden meeleven met het leven van een van de wijkbewoners die haar belevenissen van de afgelopen periode vertelde. Daarna baden we voor de activiteiten die we in de wijk mogen doen.
Heb je nog wel een leven?
Waarom schrijf ik dit nu? Misschien om een inkijkje te geven in mijn leven. De manier te laten zien waarop ik geniet van alles wat ik doe. De frustratie die ik soms heb om meer in de wijk te kunnen doen en te worden tegengehouden door de hectiek van alle dag. De vragen die soms door mijn hoofd heen spelen als "wat heeft het allemaal voor zin", "waar doe ik het allemaal toch voor". Ik raad niet iedereen aan te leven zoals wij dat doen. Ik ben bang dat ik in dit verhaaltje nog zeker een aantal dingen ben vergeten die tussendoor gebeuren. De moderne media zorgen ervoor dat je altijd overal bereikbaar bent. Waardoor het wijkcentrum telefonisch met een vraag komt. Waardoor we per mail het verslag van de computerlesvergadering krijgen. Waardoor een teamlid per mail of sms een vraag stelt die ik per ommegaande in enkele minuten beantwoord.
In dit soort weken mis ik mijn vrienden in de wijk. Het werk roept me en ik weet dat daar een deel van mijn taak ligt. Afgelopen maandag in de pauze tijdens de cursus liep ik naar de boekhandel om de "Waarom Pasen" DVD te kopen. Die gaan we uitdelen aan onze vrienden en vaste bezoekers van de Villa. Later sms'te een teamgenoot dat zij de DVD's al via internet had besteld. Ik was weer eens te snel geweest. Een dag later bedachten we dat de eigen gekochte DVD's als paaspresentje konden worden uitgedeeld aan collega's. Dat heb ik vandaag ook gedaan. Mooie reacties daarop. Geef mensen eens iets extra's en ze glunderen. Vooral degenen die op afdelingen werken waar ze alleen maar als voetveeg worden behandeld. Op het werk mis ik mijn wijk en al de dingen die ik daar zou kunnen doen of opzetten. Maar tegelijkertijd weet ik dat mijn werk ook weer een plek is waar mensen zijn die mij nodig hebben. En bij de Voedselbank, de computerles, het wijkcentrum....
De titel van de blog lijkt erg aanmatigend. Alsof het in het leven alleen maar gaat om veel werk te verzetten. Leuk als je ziek bent, door ouderdom niets meer kunt doen, of aan een chronische aandoening leidt. Het leven draait niet om het doen van veel werk. Ook wij zijn weleens ziek. Gelukkig kennen wij ook periodes waarin de druk allemaal ineens voorbij is. In mei, als de computerlessen stoppen, in juni als de laatste vergadering voorbij is. Dan is er het andere genieten van de rust...
Rust en drukte, ze horen beide bij het leven. Het enerverende leven dat we leiden doen we niet vanwege het enerverende aspect ervan. We doen het, omdat we de Here God willen dienen. De ene mag dat doen vanuit de studeerkamer in de boeken of achter de computer. Wij mogen dat doen in Villa Klarendal, computercursussen, Voedselbank, wijkcentrum, het gemeentehuis en in alle functies en vrijwilligerstaken die Aneta tot nu toe heeft uitgevoerd. De taak staat niet voorop: God staat voorop. Zoals Jezus bereid was te gaan. Zo mogen ook wij gaan.
...ook al is dat soms dodelijk vermoeiend. Maar ja, wat zei Jezus in Gethsemane en op Golgotha?
zaterdag 8 maart 2008
Niet mijn wil
Het was me het weekje wel. Zeker afgelopen donderdag was er bij ons thuis veel hectiek. Niet zozeer uiterlijk, maar veeleer innerlijk.
Het zou een week van verandering worden. Ik was woensdag uitgenodigd voor een tweede gesprek voor een nieuwe functie binnen de gemeente. Ik was nog de enige interne kandidaat. Dus alles leek in kannen en kruiken.
Aneta zou deze week haar vaste contract krijgen, volgens afspraak tussen haar, het uitzendbureau en het werk waar zij was gedetacheerd. Alles leek in kannen en kruiken.
Maar alles liep anders dan gedacht. Ik kreeg donderdag een telefoontje dat ze niet met mij doorgingen. Ze hadden teveel twijfel of ik zelfstandig genoeg was en of ik kon functioneren in een volledig nieuwe situatie. Ik dacht dat ik duidelijk had gemaakt dat dit twee sterke kanten van mijzelf waren, maar dat bleek niet te zijn overgekomen.
Aneta kwam donderdag bij haar chef. Die had met een telefoontje meegeluisterd. Op basis van dat telefoontje meldde hij haar dat zij niet met haar door zouden gaan. En, zei hij er nog droog achteraan, ik denk dat je niet meer in een telefonische helpdesk moet werken. Terugdenkend aan alle lovende kritiek die Aneta van meet af aan kreeg over haar manier van werken, was dit een domper van heb ik jou daar.
Hoe ga je daar nu als christen mee om. In beide gevallen hadden we de neiging er tegenin te gaan. "Hebben ze niet geluisterd?", "Kon er geen derde gesprek plaatsvinden?", "Is het doorgestoken kaart?", "hebben ze het moedwillig gedaan, omdat ze iets anders van plan waren?" Allemaal gedachten van onrechtvaardigheid gingen door ons heen.
Toch hadden we allebei van tevoren gebeden dat God zijn wil laat zien. Door een deur wijd open te zetten of hem met een duidelijk "nee" te sluiten. In ons beider geval was het laatste aan de orde. Toch blijft het een hard gelag. Zeker voor Aneta die zes maanden dag in dag uit werkte en bijna tien uur onderweg was om acht uur te werken. Dan krijg je allerlei positiviteiten over je heen en word je uiteindelijk om een dergelijke stomme reden weggestuurd. Voor mij was de knal niet zo hard, behalve dan dat de argumenten absoluut niet overkwamen met mijn eigenkennis en -gevoel.
In zo'n bevreemdende situatie komt ons geloof om de hoek kijken. Kan ik zeggen: "dank U God voor uw leiding"? Mag ik tevreden zijn met waar ik nu sta? In deze paasdagen denken we natuurlijk terug aan Jezus die op het zwaarst van de strijd uitsprak dat hij Gods wil wilde doen, niet zijn eigen wil. En hoeveel zin we ook hadden om dat nieuwe aan te gaan, we zijn bereid om die andere weg te gaan. God heeft ongetwijfeld iets veel beters in petto dan wijzelf kunnen bedenken. Ook al weten we nu nog niet hoe en wat. En ondertussen werken we gewoon door en genieten we van wat we mogen meemaken, want dat is zeker niet niks....
Het zou een week van verandering worden. Ik was woensdag uitgenodigd voor een tweede gesprek voor een nieuwe functie binnen de gemeente. Ik was nog de enige interne kandidaat. Dus alles leek in kannen en kruiken.
Aneta zou deze week haar vaste contract krijgen, volgens afspraak tussen haar, het uitzendbureau en het werk waar zij was gedetacheerd. Alles leek in kannen en kruiken.
Maar alles liep anders dan gedacht. Ik kreeg donderdag een telefoontje dat ze niet met mij doorgingen. Ze hadden teveel twijfel of ik zelfstandig genoeg was en of ik kon functioneren in een volledig nieuwe situatie. Ik dacht dat ik duidelijk had gemaakt dat dit twee sterke kanten van mijzelf waren, maar dat bleek niet te zijn overgekomen.
Aneta kwam donderdag bij haar chef. Die had met een telefoontje meegeluisterd. Op basis van dat telefoontje meldde hij haar dat zij niet met haar door zouden gaan. En, zei hij er nog droog achteraan, ik denk dat je niet meer in een telefonische helpdesk moet werken. Terugdenkend aan alle lovende kritiek die Aneta van meet af aan kreeg over haar manier van werken, was dit een domper van heb ik jou daar.
Hoe ga je daar nu als christen mee om. In beide gevallen hadden we de neiging er tegenin te gaan. "Hebben ze niet geluisterd?", "Kon er geen derde gesprek plaatsvinden?", "Is het doorgestoken kaart?", "hebben ze het moedwillig gedaan, omdat ze iets anders van plan waren?" Allemaal gedachten van onrechtvaardigheid gingen door ons heen.
Toch hadden we allebei van tevoren gebeden dat God zijn wil laat zien. Door een deur wijd open te zetten of hem met een duidelijk "nee" te sluiten. In ons beider geval was het laatste aan de orde. Toch blijft het een hard gelag. Zeker voor Aneta die zes maanden dag in dag uit werkte en bijna tien uur onderweg was om acht uur te werken. Dan krijg je allerlei positiviteiten over je heen en word je uiteindelijk om een dergelijke stomme reden weggestuurd. Voor mij was de knal niet zo hard, behalve dan dat de argumenten absoluut niet overkwamen met mijn eigenkennis en -gevoel.
In zo'n bevreemdende situatie komt ons geloof om de hoek kijken. Kan ik zeggen: "dank U God voor uw leiding"? Mag ik tevreden zijn met waar ik nu sta? In deze paasdagen denken we natuurlijk terug aan Jezus die op het zwaarst van de strijd uitsprak dat hij Gods wil wilde doen, niet zijn eigen wil. En hoeveel zin we ook hadden om dat nieuwe aan te gaan, we zijn bereid om die andere weg te gaan. God heeft ongetwijfeld iets veel beters in petto dan wijzelf kunnen bedenken. Ook al weten we nu nog niet hoe en wat. En ondertussen werken we gewoon door en genieten we van wat we mogen meemaken, want dat is zeker niet niks....
dinsdag 19 februari 2008
En dan nu: feesten!!!
Mijn post over Missionaire Liedcultuur heeft op diverse blogs een reactie opgeleverd.
De leukste tot nu toe is een concrete uitwerking van mijn vraag om feestnummers. Johan ter Beek heeft de creatieve pen ter hand genomen en is met het volgende nummer gekomen. Als een "klein kadootje voor de Villa". Met dank neem ik hem hier over.

HET LAATSTE VEL
(refrein)
Denk niet bij het laatste vel, wie na mij komt, wie na mij komt
Denk niet bij het laatste vel, die redt zich wel.
La, la, la, la, laaaaa, la, laaaa, la, la, la
La, la, la ,la, laaaaa. la, la, la, la, laaaa
(couplet1)
Ik zat laatst een te poepen, de hele pot lag vol!
Het bleef ook erg plakken en dat was echt geen lol.
Een regenwoud aan WC papier verdween toen in de pot.
En toen het laatste vel bedrukt was ging de deur weer van het slot.
(refrein)
(couplet2)
Nu praat ik over het milieu, 't is net een scheiterij.
Ik stinkt haast m'n auto uit als ik in die file rij.
Mijn kinderen zullen nooit meer spelen in bossen zoals hier.
Want die zijn gekapt voor meubels en voor WC papier!
(refrein)
(couplet3)
En als je wil geloven, dan lees je in de bijbel:
Gods liefde staat geschreven en wel tot op HET LAATSTE VEL.
En als je dat gelezen hebt en je doet het boek weer dicht...
dan ben je een sukkel als je denkt: ik ben tot niets verplicht.
want... ik... zeg.... (refrein 2-18x met polonaise)
Wie volgt???
De leukste tot nu toe is een concrete uitwerking van mijn vraag om feestnummers. Johan ter Beek heeft de creatieve pen ter hand genomen en is met het volgende nummer gekomen. Als een "klein kadootje voor de Villa". Met dank neem ik hem hier over.
HET LAATSTE VEL
(refrein)
Denk niet bij het laatste vel, wie na mij komt, wie na mij komt
Denk niet bij het laatste vel, die redt zich wel.
La, la, la, la, laaaaa, la, laaaa, la, la, la
La, la, la ,la, laaaaa. la, la, la, la, laaaa
(couplet1)
Ik zat laatst een te poepen, de hele pot lag vol!
Het bleef ook erg plakken en dat was echt geen lol.
Een regenwoud aan WC papier verdween toen in de pot.
En toen het laatste vel bedrukt was ging de deur weer van het slot.
(refrein)
(couplet2)
Nu praat ik over het milieu, 't is net een scheiterij.
Ik stinkt haast m'n auto uit als ik in die file rij.
Mijn kinderen zullen nooit meer spelen in bossen zoals hier.
Want die zijn gekapt voor meubels en voor WC papier!
(refrein)
(couplet3)
En als je wil geloven, dan lees je in de bijbel:
Gods liefde staat geschreven en wel tot op HET LAATSTE VEL.
En als je dat gelezen hebt en je doet het boek weer dicht...
dan ben je een sukkel als je denkt: ik ben tot niets verplicht.
want... ik... zeg.... (refrein 2-18x met polonaise)
Wie volgt???
zaterdag 16 februari 2008
Missionaire liedcultuur
Terwijl ik nadacht over het "succes"-verhaal van Matthijs Vlaardingerbroek (zie mijn vorige blog), moest ik aan iets anders denken. Ik wilde dat in mijn reactie op zijn weblog zetten, maar ik denk dat het beter is een aparte blog daarover te schrijven.
Het heeft namelijk te maken met de hele discussie over de liedcultuur in de evangelische en charismatische gemeentes (ik mag inmiddels wel kerken zeggen). Daarin neemt de liederenbundel van Opwekking een centrale plek in. In de discussie daarover las ik een lezenswaardige bijdrage van Kees van Zetten in het Friesch Dagblad van dinsdag 12 februari jl. (met dank aan weblog Kole's Queeste).
Van Zetten begint zijn artikel met de opmerking dat zijn kritiek wordt gegeven vanuit betrokkenheid met deze liedcultuur en de mensen erachter. En dat iedereen kan constateren dat deze liedcultuur voor veel mensen een grote zegen is. Dat is voor hem van belang om aan te geven vanuit welke achtergrond de kritiek wordt gegeven. Het citaat waar ik dieper op wil ingaan begint hij met de opmerking dat er genoeg aan te merken is op het opwekkingslied. Daarna gaat hij verder:
"Ik beperk me tot enkele essentiële punten. Het belangrijkste is de ijking aan de grondwet van het kerklied: de psalmen. Er zit behoorlijk wat frictie tussen deze twee. De in de opwekkingsbundel opgenomen psalmen bestaan uit positief gekleurde fragmenten. Op zich kunnen dit goede liederen zijn, maar ze missen een aardedraad. In dit verband leidt de kennelijk gewenste schifting tussen ‘liederen die op God gericht zijn’ en ‘liederen die al te mensgericht zijn’ tot een uiterst merkwaardige discussie. Immers, in de psalmen komen beide kanten aan het woord. Het psalter staat bol van existentieel-menselijke beleving én het goddelijke gegenüber. Het is - Buberiaans gezegd - het boek van de Ontmoeting waar beide partijen elkaar vinden of soms niet.. Wat bijvoorbeeld te denken van psalm 95 en 89 die beginnen met uitbundige lofprijzing en overgaan in een tomeloze klacht?"
Dit citaat raakt me diep. In onze zoektocht naar goede, fijne, positieve teksten waardoor we gezegend worden en we God aanbidden, zijn we de menselijke kant kwijtgeraakt. Ik kan me een zangleider herinneren die zei dat hij bij lied 497 "ik wil leven door uw Geest" niet uit de voeten kon met de zinsnede "Ieder woord schiet te kort en ik voel me verward...", want: als christen kun je toch niet verward zijn, laat staan erover zingen! Hij zong dan maar "verwarmd".
In de cultuur van positivisme lijken onze aanbiddingsliederen te worden meegezogen. Het zijn prachtige liederen, maar gaan maar naar een kant toe: van mij naar God. Dat er daarnaast nog een menselijke kant is met emoties waaruit verdriet, twijfel, woede, angst spreken; dat wordt in die liederen niet (of nauwelijks) meer geuit. De vraag is dan ook of die emoties, die vooral te maken hebben met onze eigen gebrokenheid, uit die gemeentes worden weggeduwd (onder het mom van "we zijn toch overwinnaars?").
Is het tijd voor Opwekking om zich ook eens te richten op andersoortige liederen? In de christelijke liedcultuur mis ik de volksmuziek en de feestmuziek. Ik zou het heel prettig vinden als ik met een gerust hart een Opwekkingslied aan de straat met carnaval zou kunnen afspelen. Want als er al feestmuziek in de bundel is opgenomen, is die erg sterk gericht op de toekomst: wanneer Jezus komt, lopend door de gouden straten. Ik zie al voor me dat de swingende carnavalsoptocht voorbij komt en ik "dansend over de gouden straten" afspeel. Die straten zijn nu echt nog steeds van steen of asfalt, hoor!
Muziek en liederen die gericht zijn op het hier en nu, die de menselijke emotie aan- en uitspreken. Die mensen laat zeggen: "dit lied zegt precies de strijd, pijn en moeite die ik nu voel".
Wordt het tijd om de eerste "Villa"liederen op te nemen in de Opwekkingsbundel?
Het heeft namelijk te maken met de hele discussie over de liedcultuur in de evangelische en charismatische gemeentes (ik mag inmiddels wel kerken zeggen). Daarin neemt de liederenbundel van Opwekking een centrale plek in. In de discussie daarover las ik een lezenswaardige bijdrage van Kees van Zetten in het Friesch Dagblad van dinsdag 12 februari jl. (met dank aan weblog Kole's Queeste).
Van Zetten begint zijn artikel met de opmerking dat zijn kritiek wordt gegeven vanuit betrokkenheid met deze liedcultuur en de mensen erachter. En dat iedereen kan constateren dat deze liedcultuur voor veel mensen een grote zegen is. Dat is voor hem van belang om aan te geven vanuit welke achtergrond de kritiek wordt gegeven. Het citaat waar ik dieper op wil ingaan begint hij met de opmerking dat er genoeg aan te merken is op het opwekkingslied. Daarna gaat hij verder:
"Ik beperk me tot enkele essentiële punten. Het belangrijkste is de ijking aan de grondwet van het kerklied: de psalmen. Er zit behoorlijk wat frictie tussen deze twee. De in de opwekkingsbundel opgenomen psalmen bestaan uit positief gekleurde fragmenten. Op zich kunnen dit goede liederen zijn, maar ze missen een aardedraad. In dit verband leidt de kennelijk gewenste schifting tussen ‘liederen die op God gericht zijn’ en ‘liederen die al te mensgericht zijn’ tot een uiterst merkwaardige discussie. Immers, in de psalmen komen beide kanten aan het woord. Het psalter staat bol van existentieel-menselijke beleving én het goddelijke gegenüber. Het is - Buberiaans gezegd - het boek van de Ontmoeting waar beide partijen elkaar vinden of soms niet.. Wat bijvoorbeeld te denken van psalm 95 en 89 die beginnen met uitbundige lofprijzing en overgaan in een tomeloze klacht?"
Dit citaat raakt me diep. In onze zoektocht naar goede, fijne, positieve teksten waardoor we gezegend worden en we God aanbidden, zijn we de menselijke kant kwijtgeraakt. Ik kan me een zangleider herinneren die zei dat hij bij lied 497 "ik wil leven door uw Geest" niet uit de voeten kon met de zinsnede "Ieder woord schiet te kort en ik voel me verward...", want: als christen kun je toch niet verward zijn, laat staan erover zingen! Hij zong dan maar "verwarmd".
In de cultuur van positivisme lijken onze aanbiddingsliederen te worden meegezogen. Het zijn prachtige liederen, maar gaan maar naar een kant toe: van mij naar God. Dat er daarnaast nog een menselijke kant is met emoties waaruit verdriet, twijfel, woede, angst spreken; dat wordt in die liederen niet (of nauwelijks) meer geuit. De vraag is dan ook of die emoties, die vooral te maken hebben met onze eigen gebrokenheid, uit die gemeentes worden weggeduwd (onder het mom van "we zijn toch overwinnaars?").
Is het tijd voor Opwekking om zich ook eens te richten op andersoortige liederen? In de christelijke liedcultuur mis ik de volksmuziek en de feestmuziek. Ik zou het heel prettig vinden als ik met een gerust hart een Opwekkingslied aan de straat met carnaval zou kunnen afspelen. Want als er al feestmuziek in de bundel is opgenomen, is die erg sterk gericht op de toekomst: wanneer Jezus komt, lopend door de gouden straten. Ik zie al voor me dat de swingende carnavalsoptocht voorbij komt en ik "dansend over de gouden straten" afspeel. Die straten zijn nu echt nog steeds van steen of asfalt, hoor!
Muziek en liederen die gericht zijn op het hier en nu, die de menselijke emotie aan- en uitspreken. Die mensen laat zeggen: "dit lied zegt precies de strijd, pijn en moeite die ik nu voel".
Wordt het tijd om de eerste "Villa"liederen op te nemen in de Opwekkingsbundel?
Mooi werk, moeilijk werk
De afgelopen dagen heeft Matthijs Vlaardingerbroek zich in zijn weblog uitgesproken over het gevaar dat we over ons werk als christenen alleen maar positief nieuws verspreiden.
Ik denk dan na over de afgelopen jaren die we nu in Villa Klarendal bezig zijn. Nog geen twee maanden na de eerste brunch en viering zaten we al vol met bijna 30 mensen. Bezoekers vonden het gezellig en leuk en kwamen graag.
Langzamerhand begonnen we hen wat beter te leren kennen en zagen we een driedeling tussen bezoekers. Sommigen genoten werkelijk van het eten en de onderlinge contacten (hoewel sommigen zelfs met het laatste moeite hadden, want de rest was wel heel erg "zwart"). Anderen vonden de bijbelverhalen ook heel mooi. Een derde groep wilde met die bijbelverhalen ook graag iets in hun persoonlijke leven doen.
We zijn nu tweeëneenhalf jaar verder. Vorige week hadden we als team een gezellig etentje waar we allerlei vragen bespraken. Een van de vragen was waarom de laatste tijd veel minder volwassenen komen. Er is namelijk een vaste kern kinderen dat gemiddeld een keer per twee weken komt (de andere week zijn ze een weekendje bij de eigen vader of moeder). Het aantal vaste volwassen bezoekers is geslonken tot een kleine tien mensen.
Mijn antwoord op deze vraag was dat het nieuwtje er voor sommigen ervan af is. Ze hebben het gezien, er is weer iets anders voor in de plaats gekomen waar ze nu al hun tijd in steken (het is zo druk - ik heb een kleinkind - ik ben veel ziek). Waar richten we onze aandacht dan nu op, is de vraag. Laten we die mensen die ooit geweest zijn en die nu minder vaak komen hun eigen gang gaan, of doen we alle moeite om hen erbij te blijven betrekken? Vragen waar we niet direct antwoord op hebben. Voor mijzelf hoef ik niet zo nodig tijd te steken in mensen die niet verder willen. We bieden het aan en ze komen niet (meer).
Was het Jezus zelf niet die een verschil maakte tussen de menigte (de mensen die hem volgden omdat hij zo interessant was en mensen genas) en zijn volgelingen? Hij besteedde een groot deel van zijn tijd aan die laatste groep. Dat waren er uiteindelijk maar twintig of twaalf (afhankelijk van of je vrouwen bij die groep rekent). Toen de menigte zich na verloop van tijd van Hem afkeerde (het nieuwtje was eraf, zijn boodschap was toch wel heel moeilijk), vroeg hij zijn volgelingen of zij die menigte ook niet moesten volgen. Ze bleven en toonden daarmee werkelijk volgeling van Jezus te zijn. Dat aantal volgelingen was maar klein in de ogen van modernistische gemeentegroei experts. Het was toch dat aantal, dat werd uitgezonden en een verandering teweeg bracht in de toenmalige wereld.
In die zin is ons werk in de wijk moeilijk. We moeten namelijk daarmee ook onze eigen wensen en gedachten achter ons laten en niet blijven denken in termen van aantallen, maar leren denken in termen van kwaliteit. Bovendien zien we de mensen die wel komen niet alleen op zondag, maar ook op meerdere dagen in de week. Niet alleen de zondag waarop bijbels onderwijs wordt gegeven is heilig. Ook de dagen waarop we samen werken, samen met mensen op straat kletsen of sociaal werk doen zijn belangrijk om mensen te helpen iets van Jezus' liefde te laten zien.
Tegelijkertijd moeten we dit in het totale perspectief blijven zien. Elke dag spreken we met mensen in onze buurt over belangrijke zaken in het leven (waaronder over het geloof), waar gevestigde kerken jaren zonder succes bezig zijn geweest deze wijk te beëvangeliseren. Regelmatig vinden er clubs plaats waar mensen, kinderen en jongeren, kunnen zien hoe gelovigen reageren en leven. De groep mensen die ons kent groeit met behoorlijke regelmaat. Het grootste deel van deze mensen heeft nog nooit een kerk van binnen gezien. Ik vrees dat ze, naast ons, alleen maar christenen zijn tegengekomen die schreeuwend een "bekeer u" preek afstaken richting het winkelend publiek. Het zal dan ook een tijd duren voordat we met deze groep mensen over het geloof zullen spreken. Maar ik weet dat God werkt in rustige groei en niet met haast of manipulatie. Laat die mensen dus maar rustig genieten van de dingen die we samen met hen of voor hen doen. Wat begint met een positief woordje of een knipoog, kan uiteindelijk uitgroeien tot iemand die er echt voor gaat
Ik wil geen positief nieuws verspreiden, maar ook geen negatief nieuws. Er is een tijd om te genieten van de mooie dingen en de vele mensen die op een activiteit afkomen. Er zijn tijden waarop bepaalde dingen wat minder mensen trekken. Daarom wil ik eerlijke verhalen vertellen. Van genieten van succes tot zweten en tranen op momenten dat het minder gaat. En of dat "minder" nu ook minder is in de ogen van God is dan maar de grote vraag.
Missionair werk: het is vallen en opstaan; lachen en huilen; werken en uitrusten; praten en luisteren. Missionair werk is daarom volgens mij niet anders dan het gewone leven. Als wij maar bereid zijn ons te geven en niet bij de minste geringste tegenslag de oren te laten hangen. Mocht dat wel gebeuren (niets menselijks is ons vreemd), dan willen we opnieuw de ogen en al het andere dat in ons is ten hemel richten om ons nieuwe moed, nieuwe kracht en nieuwe ogen te geven om weer door te gaan.
Ik denk dan na over de afgelopen jaren die we nu in Villa Klarendal bezig zijn. Nog geen twee maanden na de eerste brunch en viering zaten we al vol met bijna 30 mensen. Bezoekers vonden het gezellig en leuk en kwamen graag.
Langzamerhand begonnen we hen wat beter te leren kennen en zagen we een driedeling tussen bezoekers. Sommigen genoten werkelijk van het eten en de onderlinge contacten (hoewel sommigen zelfs met het laatste moeite hadden, want de rest was wel heel erg "zwart"). Anderen vonden de bijbelverhalen ook heel mooi. Een derde groep wilde met die bijbelverhalen ook graag iets in hun persoonlijke leven doen.
We zijn nu tweeëneenhalf jaar verder. Vorige week hadden we als team een gezellig etentje waar we allerlei vragen bespraken. Een van de vragen was waarom de laatste tijd veel minder volwassenen komen. Er is namelijk een vaste kern kinderen dat gemiddeld een keer per twee weken komt (de andere week zijn ze een weekendje bij de eigen vader of moeder). Het aantal vaste volwassen bezoekers is geslonken tot een kleine tien mensen.
Mijn antwoord op deze vraag was dat het nieuwtje er voor sommigen ervan af is. Ze hebben het gezien, er is weer iets anders voor in de plaats gekomen waar ze nu al hun tijd in steken (het is zo druk - ik heb een kleinkind - ik ben veel ziek). Waar richten we onze aandacht dan nu op, is de vraag. Laten we die mensen die ooit geweest zijn en die nu minder vaak komen hun eigen gang gaan, of doen we alle moeite om hen erbij te blijven betrekken? Vragen waar we niet direct antwoord op hebben. Voor mijzelf hoef ik niet zo nodig tijd te steken in mensen die niet verder willen. We bieden het aan en ze komen niet (meer).
Was het Jezus zelf niet die een verschil maakte tussen de menigte (de mensen die hem volgden omdat hij zo interessant was en mensen genas) en zijn volgelingen? Hij besteedde een groot deel van zijn tijd aan die laatste groep. Dat waren er uiteindelijk maar twintig of twaalf (afhankelijk van of je vrouwen bij die groep rekent). Toen de menigte zich na verloop van tijd van Hem afkeerde (het nieuwtje was eraf, zijn boodschap was toch wel heel moeilijk), vroeg hij zijn volgelingen of zij die menigte ook niet moesten volgen. Ze bleven en toonden daarmee werkelijk volgeling van Jezus te zijn. Dat aantal volgelingen was maar klein in de ogen van modernistische gemeentegroei experts. Het was toch dat aantal, dat werd uitgezonden en een verandering teweeg bracht in de toenmalige wereld.
In die zin is ons werk in de wijk moeilijk. We moeten namelijk daarmee ook onze eigen wensen en gedachten achter ons laten en niet blijven denken in termen van aantallen, maar leren denken in termen van kwaliteit. Bovendien zien we de mensen die wel komen niet alleen op zondag, maar ook op meerdere dagen in de week. Niet alleen de zondag waarop bijbels onderwijs wordt gegeven is heilig. Ook de dagen waarop we samen werken, samen met mensen op straat kletsen of sociaal werk doen zijn belangrijk om mensen te helpen iets van Jezus' liefde te laten zien.
Tegelijkertijd moeten we dit in het totale perspectief blijven zien. Elke dag spreken we met mensen in onze buurt over belangrijke zaken in het leven (waaronder over het geloof), waar gevestigde kerken jaren zonder succes bezig zijn geweest deze wijk te beëvangeliseren. Regelmatig vinden er clubs plaats waar mensen, kinderen en jongeren, kunnen zien hoe gelovigen reageren en leven. De groep mensen die ons kent groeit met behoorlijke regelmaat. Het grootste deel van deze mensen heeft nog nooit een kerk van binnen gezien. Ik vrees dat ze, naast ons, alleen maar christenen zijn tegengekomen die schreeuwend een "bekeer u" preek afstaken richting het winkelend publiek. Het zal dan ook een tijd duren voordat we met deze groep mensen over het geloof zullen spreken. Maar ik weet dat God werkt in rustige groei en niet met haast of manipulatie. Laat die mensen dus maar rustig genieten van de dingen die we samen met hen of voor hen doen. Wat begint met een positief woordje of een knipoog, kan uiteindelijk uitgroeien tot iemand die er echt voor gaat
Ik wil geen positief nieuws verspreiden, maar ook geen negatief nieuws. Er is een tijd om te genieten van de mooie dingen en de vele mensen die op een activiteit afkomen. Er zijn tijden waarop bepaalde dingen wat minder mensen trekken. Daarom wil ik eerlijke verhalen vertellen. Van genieten van succes tot zweten en tranen op momenten dat het minder gaat. En of dat "minder" nu ook minder is in de ogen van God is dan maar de grote vraag.
Missionair werk: het is vallen en opstaan; lachen en huilen; werken en uitrusten; praten en luisteren. Missionair werk is daarom volgens mij niet anders dan het gewone leven. Als wij maar bereid zijn ons te geven en niet bij de minste geringste tegenslag de oren te laten hangen. Mocht dat wel gebeuren (niets menselijks is ons vreemd), dan willen we opnieuw de ogen en al het andere dat in ons is ten hemel richten om ons nieuwe moed, nieuwe kracht en nieuwe ogen te geven om weer door te gaan.
donderdag 31 januari 2008
Missionair en Deep Throat
Komende zondag wordt door de VPRO en BNN de pornofilm "Deep Throat" uitgezonden. Dit heeft tot grote beroering geleid in ons land. Althans, de minister van Jeugd en Gezin heeft een "moreel appèl" gedaan op de omroepen om de uitzending niet te laten doorgaan. De omroepen hebben gereageerd dat ze de uitzending toch door laten gaan. Daarop heeft de minister verklaard te laten uitzoeken of de film kan worden verboden.
Op zich een interessant gegeven. De politiek is er weer even zoet mee. Maar wat heeft dat te maken met het hoofdonderwerp van deze blog: missionair werken?
Deze manier van doen en reageren lijkt sterk op hoe veel christenen geneigd zijn te reageren als ze het ergens niet mee eens zijn. Als het ze niet lukt om de andersdenkenden te overtuigen van hun gelijk, zetten ze machtsmiddelen in zoals een verbod. Ik denk dat de minister van Jeugd en Gezin, ook nog eens partijleider van de ChristenUnie, daar de plank misslaat. Natuurlijk is dit goed voor de eigen achterban die hiermee niet wordt vervreemd van de eigen minister. Aan de andere kant worden christenen hiermee opnieuw in verband gebracht met hun neiging het eigen gedachtengoed op anderen te leggen.
Christenen zijn zeker in ons land een kleine minderheid. Daarmee zijn we niet minderwaardig. Maar dat moet ons wel aan het nadenken zetten hoe we omgaan met de andere groepen die anders denken dan wij. Staan we moreel boven hen en hebben we daarmee het recht om onzedelijke en in onze ogen immorele uitingen te verbieden? Of staan we naast hen en gaan daarmee het debat met hen aan. Juist in een tijd dat de EO een prachtig programma heeft "40 dagen zonder seks" waarin niet moraliserend wordt gepraat met jongeren op een niet EO-achtige, maar op een jongerenmanier, zenden VPRO en BNN deze film uit. Overigens gebeurt dat ook in een avondvullend programma waarin de hoofdrolspeelster van de film het woord krijgt over wat zij er nu van vindt dat zij erin heeft gespeeld. Seks wordt dus bespreekbaar gemaakt. Enerzijds door de EO, anderzijds door VPRO en BNN. Laat daarna de discussie maar losbarsten over wat de beste manier van seks bedrijven is.
In missionair werk kom ik regelmatig voor dit soort morele vragen te staan.
Hoe gaan we om met jongeren die op zoek zijn naar God, maar in een wel heel erg uitdagend bloesje de bijeenkomsten bezoeken? Sommigen willen hen al gelijk aanspreken op het gevaar van het dragen van die kleding en het eigenlijk liever direct verbieden (waar kijken de jongens naar?). Anderen waarderen de Caraïbische en Latijnsamerikaanse cultuur waar de meisjes vandaan komen en geven hen de ruimte om naar God toe te groeien die hen vanzelf wel zal laten zien wat goed en fout is (ook al blijft het heel moeilijk om mijn mannelijke ogen van die jong-vrouwelijke rondingen af te houden, die op deze manier zo fraai worden geëtaleerd).
Het is nog niet gebeurd, maar wat zou er gebeuren als naar God zoekende homostellen hand in hand bij ons in de Villa zouden komen? Ik denk dat we als team zouden slikken en nog even een extra schietgebedje naar boven zouden doen, zodat we wijsheid krijgen. Maar ik denk dat we dan diezelfde houding zouden moeten hebben: geef ze de vrijheid om te komen, naar God toe te groeien en laat God maar dusdanig in hen werken, zodat Hij aan hen kan doorgeven wat goed en niet goed voor hen is.
Missionair, dat betekent in deze tijd: naast mensen staan en ruimte geven voor hun anders-denken. Tot hoever dat gaat en wanneer de grens bereikt is waarop je dingen toestaat of moet gaan verbieden? Dat is een prachtig, maar o zo moeilijk spanningsveld, waarop we alleen werkend, experimenterend en biddend het antwoord kunnen vinden.
Op zich een interessant gegeven. De politiek is er weer even zoet mee. Maar wat heeft dat te maken met het hoofdonderwerp van deze blog: missionair werken?
Deze manier van doen en reageren lijkt sterk op hoe veel christenen geneigd zijn te reageren als ze het ergens niet mee eens zijn. Als het ze niet lukt om de andersdenkenden te overtuigen van hun gelijk, zetten ze machtsmiddelen in zoals een verbod. Ik denk dat de minister van Jeugd en Gezin, ook nog eens partijleider van de ChristenUnie, daar de plank misslaat. Natuurlijk is dit goed voor de eigen achterban die hiermee niet wordt vervreemd van de eigen minister. Aan de andere kant worden christenen hiermee opnieuw in verband gebracht met hun neiging het eigen gedachtengoed op anderen te leggen.
Christenen zijn zeker in ons land een kleine minderheid. Daarmee zijn we niet minderwaardig. Maar dat moet ons wel aan het nadenken zetten hoe we omgaan met de andere groepen die anders denken dan wij. Staan we moreel boven hen en hebben we daarmee het recht om onzedelijke en in onze ogen immorele uitingen te verbieden? Of staan we naast hen en gaan daarmee het debat met hen aan. Juist in een tijd dat de EO een prachtig programma heeft "40 dagen zonder seks" waarin niet moraliserend wordt gepraat met jongeren op een niet EO-achtige, maar op een jongerenmanier, zenden VPRO en BNN deze film uit. Overigens gebeurt dat ook in een avondvullend programma waarin de hoofdrolspeelster van de film het woord krijgt over wat zij er nu van vindt dat zij erin heeft gespeeld. Seks wordt dus bespreekbaar gemaakt. Enerzijds door de EO, anderzijds door VPRO en BNN. Laat daarna de discussie maar losbarsten over wat de beste manier van seks bedrijven is.
In missionair werk kom ik regelmatig voor dit soort morele vragen te staan.
Hoe gaan we om met jongeren die op zoek zijn naar God, maar in een wel heel erg uitdagend bloesje de bijeenkomsten bezoeken? Sommigen willen hen al gelijk aanspreken op het gevaar van het dragen van die kleding en het eigenlijk liever direct verbieden (waar kijken de jongens naar?). Anderen waarderen de Caraïbische en Latijnsamerikaanse cultuur waar de meisjes vandaan komen en geven hen de ruimte om naar God toe te groeien die hen vanzelf wel zal laten zien wat goed en fout is (ook al blijft het heel moeilijk om mijn mannelijke ogen van die jong-vrouwelijke rondingen af te houden, die op deze manier zo fraai worden geëtaleerd).
Het is nog niet gebeurd, maar wat zou er gebeuren als naar God zoekende homostellen hand in hand bij ons in de Villa zouden komen? Ik denk dat we als team zouden slikken en nog even een extra schietgebedje naar boven zouden doen, zodat we wijsheid krijgen. Maar ik denk dat we dan diezelfde houding zouden moeten hebben: geef ze de vrijheid om te komen, naar God toe te groeien en laat God maar dusdanig in hen werken, zodat Hij aan hen kan doorgeven wat goed en niet goed voor hen is.
Missionair, dat betekent in deze tijd: naast mensen staan en ruimte geven voor hun anders-denken. Tot hoever dat gaat en wanneer de grens bereikt is waarop je dingen toestaat of moet gaan verbieden? Dat is een prachtig, maar o zo moeilijk spanningsveld, waarop we alleen werkend, experimenterend en biddend het antwoord kunnen vinden.
zondag 27 januari 2008
Motivatie voor het werk
Als reactie op mijn laatste blog schreef Johannes: Ik mis nog een label voor het stukje; liefde! Waarschijnlijk zit dat in al je stukjes, maar in deze proef ik het heel sterk.
Tja, die liefde. Die is er zeker. Toch denk ik dat lezers gemakkelijk het gevoel kunnen krijgen dat het ons wel heel gemakkelijk afgaat. Dat alles bij ons op rolletjes loopt en dat er helemaal niets mis gaat.
Nou, nee dus. Als ik zo terugkijk, is onze motivatie voor dit werk heel vaak op de proef gesteld. In onze relatie met bezoekers, tussen bezoekers onderling, tussen leden van het kernteam, met andere vrijwilligers, maar ook in praktische aangelegenheden. Onduidelijkheden en slechte afspraken onderling, waardoor er wrijving en irritatie ontstond; vrijwilligers die meer kwamen om te eten dat om te helpen terwijl wij als kernteamleden het vuur uit de sloffen liepen; bezoekers die na twee jaar nog steeds aan ons vroegen of we ze thee of koffie konden inschenken; een ruzie tussen twee bezoekers die zeer hoog opliep (gelukkig niet in de Villa zelf gebeurd); de waterleiding die bevroor, waardoor we met jerrycans en thermoskannen water uit ons eigen huis moesten sjouwen; kinderen die zeer irriterend waren en eerder kwamen om te keten dan om leuk mee te doen; moeheid, ziekte of lamlendigheid voorafgaand aan een brunch of diner waardoor we uitgeteld aan een zondag begonnen; kortom: we hebben alle vormen van problemen hebben we meegemaakt, waardoor een goed lopend project menselijkerwijs uiteen kan spatten.
Dan word je teruggeworpen op je motivatie. En komt de vraag naar boven waarvoor je het doet. Is het om eigen eer te behalen? Naar anderen te kunnen vertellen hoe goed het gaat? Of is er Iemand anders die ons tot dit werk heeft geroepen? Na verloop van tijd kwamen we op dat laatste uit.
Ik kan me herinneren dat ik heel vaak geen zin had om te beginnen. Dan sleepte ik me toch maar weer naar het gebouw toe. En vertelde de anderen hoe ik mezelf voelde. We baden vervolgens dat we kracht en nieuwe motivatie mochten krijgen. De ene keer was de lamlendigheid na afloop omgeslagen in vreugde. Mensen die allerlei vragen over het geloof stelden. Die het zo heerlijk gezellig vonden. En letterlijk zeiden dat ze "Gods rust ervaarden". Dan konden we alleen God maar danken dat Hij het opnieuw in ons mogelijk had gemaakt. En keerden we diep tevreden terug naar huis. Andere keren maakten we echter dingen mee, waardoor ons de moed nog verder in de schoenen zonk. Dat we moedeloos waren door allerlei situaties die we meemaakten. Dan legden we die situaties opnieuw terug bij de Here God. En gingen, teleurgesteld, weer terug naar huis. Ik heb daarvan geleerd, dat we niet alles in de hand hebben. Uiteindelijk is God degene die situaties en mensen kan veranderen. Soms werden we dan pas na maanden weer bemoedigd door veranderingen in die situaties of mensen. Maar in andere gevallen moesten we het ook bij God achterlaten zonder resultaat te zien.
In gevallen waarin we als team onderlinge irritaties ervoeren, hadden we de neiging die hard tegenover elkaar uit te spreken. Ook dan kwam weer de motivatievraag naar boven: "waar doe je dit voor...?" En leerden we de ander te respecteren met de eigen gaven, talenten en onzekerheden. We kozen dan voor het team en niet voor onze eigen wensen en gevoelens. Onze stelregel is daarom nu: "We zoeken als team gezamenlijk Gods weg. Als een van de teamleden zich niet kan verenigen met een bepaalde richting, zal dat (nog) niet de weg zijn waarop God ons leidt."
De motivatie moest dus telkens bij God vandaan worden gehaald. Hoezeer enthousiast we ook vaak zijn over ons werk, er blijven toch momenten waarop het enthousiasme ("geestdrift") tot op het nulpunt is gedaald. Dan hebben we een andere, diepere, Geestdrift nodig, die niet uit onszelf komt. Die alleen door die ene Geest kan worden aangewakkerd. Maar als die er is, merken mensen de echtheid van ons geloof. En zullen ze God door ons heen gaan ervaren. Al is dat voor ons gevoel door vallen en opstaan heen.
Tja, die liefde. Die is er zeker. Toch denk ik dat lezers gemakkelijk het gevoel kunnen krijgen dat het ons wel heel gemakkelijk afgaat. Dat alles bij ons op rolletjes loopt en dat er helemaal niets mis gaat.
Nou, nee dus. Als ik zo terugkijk, is onze motivatie voor dit werk heel vaak op de proef gesteld. In onze relatie met bezoekers, tussen bezoekers onderling, tussen leden van het kernteam, met andere vrijwilligers, maar ook in praktische aangelegenheden. Onduidelijkheden en slechte afspraken onderling, waardoor er wrijving en irritatie ontstond; vrijwilligers die meer kwamen om te eten dat om te helpen terwijl wij als kernteamleden het vuur uit de sloffen liepen; bezoekers die na twee jaar nog steeds aan ons vroegen of we ze thee of koffie konden inschenken; een ruzie tussen twee bezoekers die zeer hoog opliep (gelukkig niet in de Villa zelf gebeurd); de waterleiding die bevroor, waardoor we met jerrycans en thermoskannen water uit ons eigen huis moesten sjouwen; kinderen die zeer irriterend waren en eerder kwamen om te keten dan om leuk mee te doen; moeheid, ziekte of lamlendigheid voorafgaand aan een brunch of diner waardoor we uitgeteld aan een zondag begonnen; kortom: we hebben alle vormen van problemen hebben we meegemaakt, waardoor een goed lopend project menselijkerwijs uiteen kan spatten.
Dan word je teruggeworpen op je motivatie. En komt de vraag naar boven waarvoor je het doet. Is het om eigen eer te behalen? Naar anderen te kunnen vertellen hoe goed het gaat? Of is er Iemand anders die ons tot dit werk heeft geroepen? Na verloop van tijd kwamen we op dat laatste uit.
Ik kan me herinneren dat ik heel vaak geen zin had om te beginnen. Dan sleepte ik me toch maar weer naar het gebouw toe. En vertelde de anderen hoe ik mezelf voelde. We baden vervolgens dat we kracht en nieuwe motivatie mochten krijgen. De ene keer was de lamlendigheid na afloop omgeslagen in vreugde. Mensen die allerlei vragen over het geloof stelden. Die het zo heerlijk gezellig vonden. En letterlijk zeiden dat ze "Gods rust ervaarden". Dan konden we alleen God maar danken dat Hij het opnieuw in ons mogelijk had gemaakt. En keerden we diep tevreden terug naar huis. Andere keren maakten we echter dingen mee, waardoor ons de moed nog verder in de schoenen zonk. Dat we moedeloos waren door allerlei situaties die we meemaakten. Dan legden we die situaties opnieuw terug bij de Here God. En gingen, teleurgesteld, weer terug naar huis. Ik heb daarvan geleerd, dat we niet alles in de hand hebben. Uiteindelijk is God degene die situaties en mensen kan veranderen. Soms werden we dan pas na maanden weer bemoedigd door veranderingen in die situaties of mensen. Maar in andere gevallen moesten we het ook bij God achterlaten zonder resultaat te zien.
In gevallen waarin we als team onderlinge irritaties ervoeren, hadden we de neiging die hard tegenover elkaar uit te spreken. Ook dan kwam weer de motivatievraag naar boven: "waar doe je dit voor...?" En leerden we de ander te respecteren met de eigen gaven, talenten en onzekerheden. We kozen dan voor het team en niet voor onze eigen wensen en gevoelens. Onze stelregel is daarom nu: "We zoeken als team gezamenlijk Gods weg. Als een van de teamleden zich niet kan verenigen met een bepaalde richting, zal dat (nog) niet de weg zijn waarop God ons leidt."
De motivatie moest dus telkens bij God vandaan worden gehaald. Hoezeer enthousiast we ook vaak zijn over ons werk, er blijven toch momenten waarop het enthousiasme ("geestdrift") tot op het nulpunt is gedaald. Dan hebben we een andere, diepere, Geestdrift nodig, die niet uit onszelf komt. Die alleen door die ene Geest kan worden aangewakkerd. Maar als die er is, merken mensen de echtheid van ons geloof. En zullen ze God door ons heen gaan ervaren. Al is dat voor ons gevoel door vallen en opstaan heen.
vrijdag 25 januari 2008
Missionair en diaconaal
Missionair. Dat wordt vaak gelijkgesteld met mensen die het geloof verkondigen. Die de straat op gaan en daar hun geloof uitdragen.
Diaconaal. Dat wordt vaak gelijkgesteld aan mensen die helpen en naast mensen staan. Die de straat op gaan om daar de medemens te ondersteunen.
Dat het een samen kan gaan met het andere, was tot voor kort niet denkbaar. Wie diaconaal was, was er voor mensen en geen haar op zijn hoofd dacht eraan om iets te vertellen over zijn geloof. Wie missionair was, was er om te verkondigen en geen enkel celletje in zijn brein dacht eraan hoe belangrijk het is om naast mensen te staan die het moeilijk hebben.
Gelukkig begint er kentering te komen in die schijnbare tegenstellingen. Want dat zijn ze. Ik zie toch steeds weer hoe die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Missionair betekent niet altijd verkondigen. Diaconaal betekent niet altijd alleen maar helpen.
Ik zag dat deze week weer. Woensdag werd ik gevraagd door een goede bekende uit de buurt om samen met haar een sollicitatiebrief te schrijven voor een vacature die ik haar zelf had opgestuurd. Dan ben je een avond bezig om iemand te helpen verder te komen in de samenleving, te leren een sollicitatiebrief te schrijven en zekerheid te krijgen in de vaardigheid om dat voortaan zelf te doen. Tussentijds en voorafgaand daaraan hadden we korte gesprekjes rondom de koffie. Het ging dan om het leven, maar ook over het geloof. Praktische daden gaan op een natuurlijke manier samen met een gesprekje over het geloof.
Vanmiddag werd ik opgebeld door een vrouw die een wekelijks voedselpakket van ons krijgt. Anderen deelden vandaag de voedselpakketten uit (ik ging naar een oudermiddag van mijn zoon die in opleiding is bij de landmacht in Assen...). Deze vrouw was vrij laat, daarom trok ik snel mijn jas aan en rende twee minuten verder naar de plek waar de voedselpakketten worden uitgedeeld om de anderen te vragen nog iets langer te blijven. Natuurlijk ging ik niet gelijk weg, hadden we een gesprekje over hoe het vandaag ging en wat er goed en fout was gegaan. De vrouw kwam toen ik er nog was en we raakten nog kort in gesprek. Niet over geloof of over God, maar wel over zaken die haar raakten. De geplande vijf minuten werden er twintig. Dan is het belangrijk om niet op de tijd te letten, maar oog te hebben voor degene met wie ik sprak.
Thuisgekomen ging de telefoon. Of we een bekende uit de wijk tien euro konden lenen. Dat wil ik graag eerst met mijn vrouw overleggen. Samen zeiden we dat het voor deze vrouw beter was om een voedselpakket ter waarde van tien euro samen te stellen, omdat zij de neiging heeft naar de fles te grijpen. Ik belde terug met die mededeling, ze was er blij mee en ze zou het morgen op komen halen. Moe van de hele dag plofte ik op de bank neer, wat een dutje tot gevolg had. Dat dutje werd ruw verstoord door geklop op de deur. De vrouw van het telefoongesprek stond voor de deur. Of we haar toch geen tien euro cash konden geven. Nee dus, legde ik uit, dat kan ik voor mijn geweten niet verantwoorden, ook al kon ze duizend keer roepen dat ze het niet aan drank zou uitgeven. Waarna ze zichtbaar teleurgesteld afdroop.
Missionair en diaconaal. Leuke combinatie en toch soms zo moeilijk. Je wilt mensen zoveel geven, maar met de weinige tijd die ons is gegeven, kunnen we maar zo weinig doen. Drie momenten waarop ik deze week op verschillende manieren een steentje kon bijdragen. Twee aanvaardden het in liefde. Voor de derde wachten we morgen af of ze nog komt voor het voedselpakket. Drie momenten waarop ik op verschillende manieren kon laten zien hoe de liefde die ik niet van mijzelf heb gekregen toch praktisch handen en voeten kan worden gegeven. Mensen zien en ervaren dat. En weten daardoor dat Degene die mij drijft niet een Heer is van alleen woorden en daarna "bekijk het maar", maar woord en daad onlosmakelijk aan elkaar verbindt.
Ik hoop dat ze hiermee iets hebben geproefd van onze Schepper die de daad bij het woord voegde en ons met woord en daad voor elkaar en voor de schepping om ons heen op deze aarde plaatste.
Diaconaal. Dat wordt vaak gelijkgesteld aan mensen die helpen en naast mensen staan. Die de straat op gaan om daar de medemens te ondersteunen.
Dat het een samen kan gaan met het andere, was tot voor kort niet denkbaar. Wie diaconaal was, was er voor mensen en geen haar op zijn hoofd dacht eraan om iets te vertellen over zijn geloof. Wie missionair was, was er om te verkondigen en geen enkel celletje in zijn brein dacht eraan hoe belangrijk het is om naast mensen te staan die het moeilijk hebben.
Gelukkig begint er kentering te komen in die schijnbare tegenstellingen. Want dat zijn ze. Ik zie toch steeds weer hoe die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Missionair betekent niet altijd verkondigen. Diaconaal betekent niet altijd alleen maar helpen.
Ik zag dat deze week weer. Woensdag werd ik gevraagd door een goede bekende uit de buurt om samen met haar een sollicitatiebrief te schrijven voor een vacature die ik haar zelf had opgestuurd. Dan ben je een avond bezig om iemand te helpen verder te komen in de samenleving, te leren een sollicitatiebrief te schrijven en zekerheid te krijgen in de vaardigheid om dat voortaan zelf te doen. Tussentijds en voorafgaand daaraan hadden we korte gesprekjes rondom de koffie. Het ging dan om het leven, maar ook over het geloof. Praktische daden gaan op een natuurlijke manier samen met een gesprekje over het geloof.
Vanmiddag werd ik opgebeld door een vrouw die een wekelijks voedselpakket van ons krijgt. Anderen deelden vandaag de voedselpakketten uit (ik ging naar een oudermiddag van mijn zoon die in opleiding is bij de landmacht in Assen...). Deze vrouw was vrij laat, daarom trok ik snel mijn jas aan en rende twee minuten verder naar de plek waar de voedselpakketten worden uitgedeeld om de anderen te vragen nog iets langer te blijven. Natuurlijk ging ik niet gelijk weg, hadden we een gesprekje over hoe het vandaag ging en wat er goed en fout was gegaan. De vrouw kwam toen ik er nog was en we raakten nog kort in gesprek. Niet over geloof of over God, maar wel over zaken die haar raakten. De geplande vijf minuten werden er twintig. Dan is het belangrijk om niet op de tijd te letten, maar oog te hebben voor degene met wie ik sprak.
Thuisgekomen ging de telefoon. Of we een bekende uit de wijk tien euro konden lenen. Dat wil ik graag eerst met mijn vrouw overleggen. Samen zeiden we dat het voor deze vrouw beter was om een voedselpakket ter waarde van tien euro samen te stellen, omdat zij de neiging heeft naar de fles te grijpen. Ik belde terug met die mededeling, ze was er blij mee en ze zou het morgen op komen halen. Moe van de hele dag plofte ik op de bank neer, wat een dutje tot gevolg had. Dat dutje werd ruw verstoord door geklop op de deur. De vrouw van het telefoongesprek stond voor de deur. Of we haar toch geen tien euro cash konden geven. Nee dus, legde ik uit, dat kan ik voor mijn geweten niet verantwoorden, ook al kon ze duizend keer roepen dat ze het niet aan drank zou uitgeven. Waarna ze zichtbaar teleurgesteld afdroop.
Missionair en diaconaal. Leuke combinatie en toch soms zo moeilijk. Je wilt mensen zoveel geven, maar met de weinige tijd die ons is gegeven, kunnen we maar zo weinig doen. Drie momenten waarop ik deze week op verschillende manieren een steentje kon bijdragen. Twee aanvaardden het in liefde. Voor de derde wachten we morgen af of ze nog komt voor het voedselpakket. Drie momenten waarop ik op verschillende manieren kon laten zien hoe de liefde die ik niet van mijzelf heb gekregen toch praktisch handen en voeten kan worden gegeven. Mensen zien en ervaren dat. En weten daardoor dat Degene die mij drijft niet een Heer is van alleen woorden en daarna "bekijk het maar", maar woord en daad onlosmakelijk aan elkaar verbindt.
Ik hoop dat ze hiermee iets hebben geproefd van onze Schepper die de daad bij het woord voegde en ons met woord en daad voor elkaar en voor de schepping om ons heen op deze aarde plaatste.
Weekend weg om verhalen te delen
In Nederland zoeken steeds meer mensen naar nieuwe kerkvormen, naar manieren om hun geloof een plek te geven in hun leven en verbindingen te leggen met mensen die Jezus niet kennen. In april is er een weekend voor mensen die hiermee bezig zijn of over nadenken.
Tijdens het weekend leer je nieuwe mensen kennen, kun je je hart delen en kun je je laten inspireren door de grote verscheidenheid aan manieren om met je geloof bezig te zijn. Die verscheidenheid varieert van de christelijke kloostertradities tot het bewerken van nummers van Jan Smit.
De hoofdingrediënten van het weekend vormen de diverse bezinningsmomenten en de gezamenlijke maaltijden. Omdat we het belangrijk vinden dat je kunt bouwen aan relaties gaan er maximaal 35 mensen mee. Daarnaast is het programma niet al te vol en hechten we eraan dat mensen niet voor een dagje langskomen, maar er het hele weekend zijn. Het is in principe niet de bedoeling dat er kinderen meegaan.
Data: van vrijdagavond 11 april tot zondagmiddag 13 april 2008
Lokatie: Assel Don Bosco Centrum - De Villa
Prijs: 75 per persoon, inclusief overnachtingen, eten en drinken
Kamers: er zijn eenpersoons en tweepersoonskamers beschikbaar
Aanmelding: per mail bij Rick Jansen
Wil je meer informatie? Neem dan gerust contact op met Nico-Dirk van Loo (078 6228 366) of Rosalie Vellekoop (06 1644 8853). Bij Rick Jansen kun je je opgeven.
Tijdens het weekend leer je nieuwe mensen kennen, kun je je hart delen en kun je je laten inspireren door de grote verscheidenheid aan manieren om met je geloof bezig te zijn. Die verscheidenheid varieert van de christelijke kloostertradities tot het bewerken van nummers van Jan Smit.
De hoofdingrediënten van het weekend vormen de diverse bezinningsmomenten en de gezamenlijke maaltijden. Omdat we het belangrijk vinden dat je kunt bouwen aan relaties gaan er maximaal 35 mensen mee. Daarnaast is het programma niet al te vol en hechten we eraan dat mensen niet voor een dagje langskomen, maar er het hele weekend zijn. Het is in principe niet de bedoeling dat er kinderen meegaan.
Data: van vrijdagavond 11 april tot zondagmiddag 13 april 2008
Lokatie: Assel Don Bosco Centrum - De Villa
Prijs: 75 per persoon, inclusief overnachtingen, eten en drinken
Kamers: er zijn eenpersoons en tweepersoonskamers beschikbaar
Aanmelding: per mail bij Rick Jansen
Wil je meer informatie? Neem dan gerust contact op met Nico-Dirk van Loo (078 6228 366) of Rosalie Vellekoop (06 1644 8853). Bij Rick Jansen kun je je opgeven.
woensdag 23 januari 2008
Gemeentestichting versus de kerk
Ik werd vannacht geraakt door wat Jos Douma schreef. Op zijn weblog. Ik las het overigens weer (dank daarvoor) op de weblog van Nico-Dirk van Loo.
De post zegt:
Het is interessant dat Maris verwoordt wat er ook bij mij kriebelt: de hele gemeentestichtingsbeweging en het emerging church gebeuren heeft een geur om zich heen hangen van: 'dit is toch het eigenlijke werk, de gevestigde kerken doen niks anders dan voor zichzelf zorgen en de tuin een beetje bijhouden'. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat er in de gevestigde kerken heel veel naarbinnengekeerdheid is die haaks staat op Jezus' verlangen dat nog velen hem zullen leren kennen. En dat wordt terecht pijnlijk aangeraakt door de dynamiek van gemeentestichting en emerging church. Maar andersom is er wel eens wat weinig oog, naar mijn indruk, voor de geestelijke nood en het geestelijke verlangen dat er ook binnen de gevestigde kerken is van gelovigen (maar ook on-gelovigen, bijna-gelovigen, bijna-niet-meer-gelovigen etc.) die verlangen naar een werkelijk kennen van Christus, die verlangen naar echt geestelijke zorg voor hun ziel.
Hier wordt volgens mij een tegenstelling gemaakt die er helemaal niet is. Er zijn mensen in de kerk die op zoek zijn en het moeilijk hebben. En er zijn mensen buiten waar een bepaalde groep ineens veel aandacht voor heeft.
De oplossing voor deze schijnbare tegenstelling ligt in de vergelijking met de medische wetenschap. Als we gemeente-zijn vergelijken met een lichaam, dan zien we in de gezondheidszorg allerlei ontwikkelingen op het gebied van het menselijk lichaam. Doordat veel moeders problemen kregen tijdens de zwangerschap, is er een aparte tak ontstaan binnen de gezondheidszorg die zich bezig ging houden met de situatie van moeder en ongeboren kind. Gelijktijdig met die ontwikkeling ging de ontwikkeling van de gewone gezondheidszorg door.
Ik beschouw de huidige aandacht voor gemeentestichting en Emerging Church als een gevolg van het feit dat de afgelopen jaren weinig is gedaan aan dat werkveld. Gemeentes en kerken lopen steeds meer leeg of vergrijzen. Dat komt omdat er wel veel aandacht is geweest voor de zorg voor de "gewone kerkleden", maar niet voor degenen die daar volledig buiten staan. Daardoor dreigt de kerk in haar zwangerschap dood te gaan. Sterker nog, veel kerken raken niet eens meer zwanger, zijn onvruchtbaar geworden, doordat ze niet meer weten hoe ze mensen zonder geloof moeten bereiken.
Daardoor is nu binnen en buiten de kerkelijke muren een nieuw specialisme aan het ontstaan dat zich richt op de buitenstaanders. Ik hoop dat door dit specialisme zowel de christenen binnen de kerken als zij die daarbuiten opereren kunnen leren hoe zij weer vrucht kunnen gaan dragen. Daar heb je nu eenmaal specialisten voor nodig.
Ik hoop dat de gemeentestichtingsbeweging en de Emerging Church zich niet gaat isoleren van de rest van kerkelijk Nederland. En ik hoop ook niet dat die bewegingen door de kerkelijke wereld wordt buitengezet. Ik hoop op een kruisbestuiving over en weer. Ik zie wel degelijk de nood die er binnen de kerken en vrije kringen in Nederland onder gemeenteleden bestaat. Er zijn weer andere specialisten voor nodig om die gemeenteleden op te vangen en te ondersteunen. Bepaalde onderdelen van het specialisme gemeentestichting zullen zeer bruikbaar blijken voor de andere specialisten. Vooral waar het de kennis van de cultuur buiten de kerkmuren betreft. Want veel gemeenteleden, hoezeer geïsoleerd van de samenleving wellicht, zullen toch door opleiding, werk en hobbies geïnfecteerd worden door het postmoderne denken. Daarom is het goed als de kerkelijk specialisten blijven luisteren naar wat zich in de gemeentestichtingsbeweging afspeelt.
Het lichaam hoort in zijn geheel bij elkaar. Daar hoort ook prenatale zorg bij. Ik mag toch hopen dat de kerken en gemeentes hun handen af houden van de eigen prenatale zorg. Abortussen of miskramen moeten op allerlei manieren worden voorkomen. Van beiden heb ik helaas de afgelopen jaren genoeg voorbeelden gezien en gehoord. Laten we gezamenlijk zorgen voor onze geestelijke kinderen, ook voor hen die nog op weg zijn en nog in de buik van het lichaam van Christus in Nederland aan het groeien zijn - of ze nu een klein net bevrucht eicelletje zijn of een bijna voldragen foetus.
De post zegt:
Het is interessant dat Maris verwoordt wat er ook bij mij kriebelt: de hele gemeentestichtingsbeweging en het emerging church gebeuren heeft een geur om zich heen hangen van: 'dit is toch het eigenlijke werk, de gevestigde kerken doen niks anders dan voor zichzelf zorgen en de tuin een beetje bijhouden'. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat er in de gevestigde kerken heel veel naarbinnengekeerdheid is die haaks staat op Jezus' verlangen dat nog velen hem zullen leren kennen. En dat wordt terecht pijnlijk aangeraakt door de dynamiek van gemeentestichting en emerging church. Maar andersom is er wel eens wat weinig oog, naar mijn indruk, voor de geestelijke nood en het geestelijke verlangen dat er ook binnen de gevestigde kerken is van gelovigen (maar ook on-gelovigen, bijna-gelovigen, bijna-niet-meer-gelovigen etc.) die verlangen naar een werkelijk kennen van Christus, die verlangen naar echt geestelijke zorg voor hun ziel.
Hier wordt volgens mij een tegenstelling gemaakt die er helemaal niet is. Er zijn mensen in de kerk die op zoek zijn en het moeilijk hebben. En er zijn mensen buiten waar een bepaalde groep ineens veel aandacht voor heeft.
De oplossing voor deze schijnbare tegenstelling ligt in de vergelijking met de medische wetenschap. Als we gemeente-zijn vergelijken met een lichaam, dan zien we in de gezondheidszorg allerlei ontwikkelingen op het gebied van het menselijk lichaam. Doordat veel moeders problemen kregen tijdens de zwangerschap, is er een aparte tak ontstaan binnen de gezondheidszorg die zich bezig ging houden met de situatie van moeder en ongeboren kind. Gelijktijdig met die ontwikkeling ging de ontwikkeling van de gewone gezondheidszorg door.
Ik beschouw de huidige aandacht voor gemeentestichting en Emerging Church als een gevolg van het feit dat de afgelopen jaren weinig is gedaan aan dat werkveld. Gemeentes en kerken lopen steeds meer leeg of vergrijzen. Dat komt omdat er wel veel aandacht is geweest voor de zorg voor de "gewone kerkleden", maar niet voor degenen die daar volledig buiten staan. Daardoor dreigt de kerk in haar zwangerschap dood te gaan. Sterker nog, veel kerken raken niet eens meer zwanger, zijn onvruchtbaar geworden, doordat ze niet meer weten hoe ze mensen zonder geloof moeten bereiken.
Daardoor is nu binnen en buiten de kerkelijke muren een nieuw specialisme aan het ontstaan dat zich richt op de buitenstaanders. Ik hoop dat door dit specialisme zowel de christenen binnen de kerken als zij die daarbuiten opereren kunnen leren hoe zij weer vrucht kunnen gaan dragen. Daar heb je nu eenmaal specialisten voor nodig.
Ik hoop dat de gemeentestichtingsbeweging en de Emerging Church zich niet gaat isoleren van de rest van kerkelijk Nederland. En ik hoop ook niet dat die bewegingen door de kerkelijke wereld wordt buitengezet. Ik hoop op een kruisbestuiving over en weer. Ik zie wel degelijk de nood die er binnen de kerken en vrije kringen in Nederland onder gemeenteleden bestaat. Er zijn weer andere specialisten voor nodig om die gemeenteleden op te vangen en te ondersteunen. Bepaalde onderdelen van het specialisme gemeentestichting zullen zeer bruikbaar blijken voor de andere specialisten. Vooral waar het de kennis van de cultuur buiten de kerkmuren betreft. Want veel gemeenteleden, hoezeer geïsoleerd van de samenleving wellicht, zullen toch door opleiding, werk en hobbies geïnfecteerd worden door het postmoderne denken. Daarom is het goed als de kerkelijk specialisten blijven luisteren naar wat zich in de gemeentestichtingsbeweging afspeelt.
Het lichaam hoort in zijn geheel bij elkaar. Daar hoort ook prenatale zorg bij. Ik mag toch hopen dat de kerken en gemeentes hun handen af houden van de eigen prenatale zorg. Abortussen of miskramen moeten op allerlei manieren worden voorkomen. Van beiden heb ik helaas de afgelopen jaren genoeg voorbeelden gezien en gehoord. Laten we gezamenlijk zorgen voor onze geestelijke kinderen, ook voor hen die nog op weg zijn en nog in de buik van het lichaam van Christus in Nederland aan het groeien zijn - of ze nu een klein net bevrucht eicelletje zijn of een bijna voldragen foetus.
Geef ze de kans te groeien
Een van de zaken die in mijn geest is blijven hangen naar aanleiding van de gemeentestichtersdag van afgelopen zaterdag, is het probleem van gemeentestichters in achterstandswijken om mensen op te leiden tot leiderschap.
Van meet af aan ben ik de mening toegedaan, dat mensen die bij ons komen niet "gepamperd" moeten worden, maar na verloop van tijd een duwtje in de rug nodig hebben om uit hun luie zitzak op te staan. Eind vorig seizoen hielden we daarom een speciale bijeenkomst met enkele vaste bezoekers. We vroegen ze na te denken over wat ze zoal hadden geleerd. En tegelijkertijd daagden we ze uit om in actie te komen, omdat we zagen dat ze veel meer potentie hebben dan zijzelf voor mogelijk hielden.
Enkelen hebben zich dat aangetrokken, geloof ik. Als we nu menskracht tekort komen en van tevoren vragen om mee te helpen met de brunch voor te bereiden, zijn zij bereidwillig om daaraan gehoor te geven.
Daarmee zijn ze nog niet van me af. Ik zei zaterdagavond, tijdens het ophalen van het niet-verkochte brood, maar eens tussen neus en lippen door dat ik graag eens met hen een zondags praatje wilde voorbereiden. Verbazing alom op hun gezichten. "Dat kan jij toch veel beter..." zei een van hen. Jawel, maar ik heb ook iemand gehad die mij voor het blok zette en mij positief wist te stimuleren.
Zondag vertelde ik enkele vaste bezoekers dat wij deze week in de stad een gebedsweek houden en of zij niet daaraan wilden meedoen. Enthousiasme was het antwoord op mijn vraag. Zij wilden wel. Het werd vanavond nog versterkt, doordat mijn vrouw Aneta nog niet helemaal is opgeknapt waardoor de vaste computeravond van een andere bezoekster uitviel. Ik moest haar daar toch over bellen en zei even tussendoor dat ik wel een goed alternatief had voor de computeravond.
Vanavond zaten ze in de zaal. Gedrieën. Nog nooit zo'n gebedsavond meegemaakt. Ze vonden het prachtig en werden uitgedaagd om ook zelf op zo'n nieuwe manier te praten met onze (en hun) Heer.
Dit zijn wat voorbeeldjes van hoe ik op mijn gebrekkige manier probeer de mensen die wij mogen bedienen te stimuleren verder te gaan.
Je kunt op twee manieren omgaan met plantjes. Je kunt ervan genieten, ze water geven, ze mooi voor het raam zetten, vol in de zon (als ze dat aankunnen) en af en toe vieze blaadjes weghalen. Die plantjes blijven leven, maar hebben het gevaar in zich dat ze zo lief, maar ook zo klein blijven. Je kunt ze ook verpotten. Af en toe stoppen in een grotere pot, met verse aarde. Waardoor ze weer de kans krijgen om verder door te groeien. Dat is niet leuk voor het plantje. Want het oude vertrouwde potje maakt plaats voor iets anders. Maar het van oorsprong rotte plantje zal verder doorgroeien door een combinatie van goede verzorging en de ruimte die wordt gegeven voor eigen groei.
Een deel van de groei ligt bij die plantjes zelf. Maar misschien gaan sommige klein gebleven plantjes dood, omdat ze niet meer verder kunnen groeien en ze niet in staat zijn zelf van pot te veranderen. Doordat de verzorger teveel gericht is op de verzorging van die lieve, kleine, breekbare plantjes.
Zijn wij planters die alleen bezig zijn met het in de goede pot plaatsen van de plantjes en die te verzorgen? Of kijken we verder naar mogelijkheden om onze plantjes de ruime te bieden zover te groeien, dat ze stevige bomen worden die ook weer zelf vruchten gaan voortbrengen?
Van meet af aan ben ik de mening toegedaan, dat mensen die bij ons komen niet "gepamperd" moeten worden, maar na verloop van tijd een duwtje in de rug nodig hebben om uit hun luie zitzak op te staan. Eind vorig seizoen hielden we daarom een speciale bijeenkomst met enkele vaste bezoekers. We vroegen ze na te denken over wat ze zoal hadden geleerd. En tegelijkertijd daagden we ze uit om in actie te komen, omdat we zagen dat ze veel meer potentie hebben dan zijzelf voor mogelijk hielden.
Enkelen hebben zich dat aangetrokken, geloof ik. Als we nu menskracht tekort komen en van tevoren vragen om mee te helpen met de brunch voor te bereiden, zijn zij bereidwillig om daaraan gehoor te geven.
Daarmee zijn ze nog niet van me af. Ik zei zaterdagavond, tijdens het ophalen van het niet-verkochte brood, maar eens tussen neus en lippen door dat ik graag eens met hen een zondags praatje wilde voorbereiden. Verbazing alom op hun gezichten. "Dat kan jij toch veel beter..." zei een van hen. Jawel, maar ik heb ook iemand gehad die mij voor het blok zette en mij positief wist te stimuleren.
Zondag vertelde ik enkele vaste bezoekers dat wij deze week in de stad een gebedsweek houden en of zij niet daaraan wilden meedoen. Enthousiasme was het antwoord op mijn vraag. Zij wilden wel. Het werd vanavond nog versterkt, doordat mijn vrouw Aneta nog niet helemaal is opgeknapt waardoor de vaste computeravond van een andere bezoekster uitviel. Ik moest haar daar toch over bellen en zei even tussendoor dat ik wel een goed alternatief had voor de computeravond.
Vanavond zaten ze in de zaal. Gedrieën. Nog nooit zo'n gebedsavond meegemaakt. Ze vonden het prachtig en werden uitgedaagd om ook zelf op zo'n nieuwe manier te praten met onze (en hun) Heer.
Dit zijn wat voorbeeldjes van hoe ik op mijn gebrekkige manier probeer de mensen die wij mogen bedienen te stimuleren verder te gaan.
Je kunt op twee manieren omgaan met plantjes. Je kunt ervan genieten, ze water geven, ze mooi voor het raam zetten, vol in de zon (als ze dat aankunnen) en af en toe vieze blaadjes weghalen. Die plantjes blijven leven, maar hebben het gevaar in zich dat ze zo lief, maar ook zo klein blijven. Je kunt ze ook verpotten. Af en toe stoppen in een grotere pot, met verse aarde. Waardoor ze weer de kans krijgen om verder door te groeien. Dat is niet leuk voor het plantje. Want het oude vertrouwde potje maakt plaats voor iets anders. Maar het van oorsprong rotte plantje zal verder doorgroeien door een combinatie van goede verzorging en de ruimte die wordt gegeven voor eigen groei.
Een deel van de groei ligt bij die plantjes zelf. Maar misschien gaan sommige klein gebleven plantjes dood, omdat ze niet meer verder kunnen groeien en ze niet in staat zijn zelf van pot te veranderen. Doordat de verzorger teveel gericht is op de verzorging van die lieve, kleine, breekbare plantjes.
Zijn wij planters die alleen bezig zijn met het in de goede pot plaatsen van de plantjes en die te verzorgen? Of kijken we verder naar mogelijkheden om onze plantjes de ruime te bieden zover te groeien, dat ze stevige bomen worden die ook weer zelf vruchten gaan voortbrengen?
Abonneren op:
Posts (Atom)