woensdag 25 januari 2012

Column Friesch Dagblad 41: Wijk van de kaart

Het was weer eens zo ver afgelopen week. Het nieuws stond bol van een steekpartij waarbij een meisje van 14 en haar vader betrokken was. Het meisje is zelfs na een week aan haar verwondingen overleden. Dader was een jongen van 15 jaar die werd aangemoedigd door een oudere man.

De wijk waar het gebeurde werd met naam en toenaam genoemd. Inderdaad: een van de prachtwijken. De lezer werd bevestigd in zijn vooroordeel dat je vooral niet in die wijk moet wonen. Dat de dader uit Capelle aan den IJssel komt weten we, maar niet uit welke wijk hij komt. De wijk waar het gebeurde blijft gestigmatiseerd als probleemwijk. Ver weg van blijven, is wat je tussen de regels door de schrijver hoort zeggen.

Slecht nieuws is nieuws. Goed nieuws is dat niet. Steeds meer prachtwijken verbeteren zienderogen. Dat nieuws wordt niet gehoord. Of wordt geplaatst als kleine mededeling op de achterpagina. Dat de sociale betrokkenheid in deze wijken groot is. Dat mensen steeds meer oog voor elkaar hebben. Dat mensen uit hun sociale isolement worden getrokken en door activiteiten de weg naar de gewone samenleving weer terugvinden. Je hoort er gewoon niets van.

Het lijkt wel of de problemen van andere wijken niet worden gezien. Nogal logisch natuurlijk. Over het algemeen worden daar de problemen ver achter de voordeur gehouden. Zodat niemand ze ziet of hoort. Dan krijg je van die toestanden als dat bekende paar uit een dorp midden in Arnhem. Op een dag staan de dochters 's avonds laat op straat en belt de man de politie dat hij zijn vrouw heeft omgebracht. Omwille van de privacy van het gezin wordt de toedracht niet vermeld. Hij was de directeur van Gelredome. Heel het dorp in rep en roer. Het was zo'n mooi gezin. Ze deden zoveel voor de buurt.

Beide situaties zijn vreselijk en wens je niemand toe. Maar waarom wordt de directeur in de fraaie dorpswijk beschermd en ligt het probleem van het meisje in de prachtwijk op straat? Het doet bewoners van prachtwijken pijn. Zijn ze jaren aan het vechten om hun wijk boven jan te krijgen, is er een gebeurtenis waardoor het nieuws er bovenop zit, waardoor al het vechten voor niets lijkt te zijn geweest. "De wijk leeft! Zet de wijk op de kaart" zei een postercampagne in een andere prachtwijk Ook deze wijk stond op de kaart. En is nu van de kaart. In meerdere opzichten. De liefde voor de wijk blijft. De saamhorigheid is groot. Daar kunnen bewoners uit andere wijken een voorbeeld aan nemen.

dinsdag 3 januari 2012

Transformationeel leiderschap heeft de toekomst

In een artikel van Sam Rainer III waarin hij 10 trends voor de toekomst van de
kerk beschrijft, lees ik het volgende.

Charismatic leadership is based on the personality and charisma of a senior leader. Transformational leadership is based on the collective vision of an entire group. Both have their place, even in the church. A popular teacher should not lessen his or her charisma to detract followers. When the entire ministry structure is in place to elevate the leader, however, is when major problems arise.Charismatic teachers and leaders will always exist, but transformational leadership will become more popular in the coming decade.

Transformational leaders inspire people to reach for a common goal. They develop, train, and mentor future talent. They empower people to accomplish tasks. Creativity, transparency and authenticity are valued. Leaders and followers alike know what the goal is and how to achieve it. These leaders show everyone the big picture and why it’s important. The next 10 years will bring a fresh focus on local pastors leading local churches to become focused on a local mission.


Vrij vertaald: de behoefte aan charismatische leiders neemt af. Die aan transformationele leiders neemt toe. Transformationele leiders zijn leiders die oog hebben voor de ontwikkeling van hun mensen. Ze willen hen 'empoweren', zodat ze de juiste plek kunnen innemen.

Dat spreekt mij aan! Nog teveel worden wij in christelijk Nederland geconfronteerd met de vraag naar charismatische leiders. Ook in gemeentestichtingsland heerst nog steeds de gedachte dat we het niet kunnen zonder die leider die iedereen op sleeptouw neemt. En ben je niet zo'n leider, dan ben je niet geschikt voor gemeentestichting.

Ik heb daar altijd mijn vraagtekens bij gehad. Het probleem van een dergelijk model is de focus op 1 persoon. En wat gebeurt er dan als die persoon een mindere tijd heeft of zelfs een scheve schaats rijdt? Juist! Dan valt het hele werk in duigen.

Ik geloof daarom veel meer in een combinatie van transformationeel leiderschap en teamleiderschap. De nadruk op het ontwikkelen van mensen en het verbreden van het leiderschap over meerdere personen. Natuurlijk moet je voor het laatste wel goede afspraken maken en uitgaan van gezonde taakverantwoordelijkheid. Maar als dat er is, is dit een veel gezondere basis voor gemeentestichting, -vorming en -zijn, dan het oude afhankelijkheidsmodel van de Grote Geestelijke Leider. De christelijke Kim Yung Il. Dat laatste zeg ik cynisch, maar laat tegelijkertijd het gevaar van dat model zien, waarin alleen jaknikkers worden toegelaten tot de happy few rond het leiderschap.

vrijdag 30 december 2011

Column Friesch Dagblad 40: Oud en nieuw

Deze periode worden we overspoeld met lijstjes en overzichten. We zien het jaaroverzicht van het journaal, waardoor we een 'O ja-ervaring' ondergaan. Iets dergelijks gebeurt als we luisteren naar de muziek van de R 2 top 2000, de Serious Request top 2000 of de christelijke top 100 lijstjesvariant van Xnoizz Radio.

We zijn in deze periode van het jaar tgevoelig voor het terugkijken en -denken aan het verleden. Aan het afgelopen jaar of aan verder terug. Anders zouden de kijk- en luistercijfers wel anders uitwijzen en zouden de lijstjesprogramma's al lang van de buis of de radio vertrokken zijn.

De tijd tussen Kerst en Oud en Nieuw is een tijd van reflectie. Terugdenken aan wat is geweest. Vooruitdenken aan wat gaat komen. Daarin vinden de spreekwoordelijke goede voornemens hun basis. Ook ik ben deze dagen vrij van mijn gewone werk. Even tijd voor iets anders, terwijl het gewone werk in de wijk op kleine schaal door blijft gaan. Want de inwendige en uitwendige mens blijft behoefte houden aan zijn gewone en levende brood.

Reflecterend op het afgelopen jaar denk ik aan dat modewoord 'missionair gemeente-zijn' die de belangstelling voor 'emerging church' behoorlijk heeft verdrongen. Sommigen hebben de emerging church in ons land alweer ten grave gedragen. Er was overal belangstelling voor de missionaire gemeente. Boeken kwamen uit. Conferenties werden gehouden. Afdelingen bij PKN en de EA.
De missionaire gemeente werd ook onder vuur genomen. Wim Dekker sprak in zijn boek 'Marginaal en Missionair' uit dat de missionaire beweging van de kerk samen moet gaan met een nieuwe bezinning op de eigen identiteit. Iets dergelijks verkondigde missionair pionier Matthijs Vlaardingerbroek in de titel van het congres 'Buiten winnen is binnen beginnen' naar aanleiding van zijn boek 'Grensverleggend'.

We zijn op zoek, in de hele breedte van het christelijk erf. We zien landelijk een krimpende kerk, die niet wordt tegengehouden door de groei van de evangelische beweging. Ook in die beweging is de grote vraag hoe jongeren geholpen kunnen worden bij hun geloof. Ook daar doemt het seculariseringsspook op. Daarom worden kerkgenootschappen naar elkaar toe gedrongen. In deze tijd kunnen ze niet meer zonder elkaar, laat staan tegenover elkaar staan. Dat is een hoopgevende beweging. Een beweging over de kerkmuren heen, met respect voor de ontstane muren.

2012 komt eraan. Ik weet niet wat dat jaar gaat geven. Ook niet in onze prachtwijk. Maar ik blijf hoop houden als wij onze hoop putten uit de waarheid van alle tijden. Ik hou ook dit jaar vast aan onze gezinslijfspreuk 'ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen'. Wat er ook gebeurt.

zondag 11 december 2011

Zomaar een weekend

Gisteren waren we op een feest voor vrijwilligers in onze wijk Klarendal. Alle vrijwilligers waren uitgenodigd. Helaas waren er wat groepen vergeten, waardoor Villa Klarendal en Voedselbank vrijwilligers niet waren uitgenodigd. Wij waren er wel als vrijwilligers van het wijkcentrum.

Een grote tent was opgezet en er was heel veel eten ingekocht. Helaas kwam de helft van de aangekondigde vrijwilligers niet opdagen. We moesten dus gisteren vooral onze buik goed vol eten. Nadat we dat hadden gedaan, werden we spontaan aangesproken. Of we niet iets mee wilden nemen van het eten. Natuurlijk. Bij ons komt het altijd wel op. "Iets" was een hele grote, nauwelijks te dragen, schaal met allerlei vis- en vleeslekkernijen en twee schalen met luxe beleg. We kwamen aan op het wijkcentrum om de spullen af te leveren. We kwamen erachter dat er totaal geen boodschappen waren gedaan door de vaste boodschappendames. Een van hen had deze week een sterfgeval in eigen familie en was bezig geweest met alle beslommeringen daaromheen. De ander was het gewoon vergeten.

Zo zie je, zeiden we vanochtend, hoe goed God voor ons zorgt. Wij weten nog niet dat er niet voor eten is gezorgd en we krijgen het al... Dus deden we ons in plaats van kaas, vlees en eieren tegoed aan vis en luxe vlees- en kaaswaren. Het was zo heerlijk. We konden gewoon niet stoppen.

Voor en na het eten was het niet rustig. De "praatjesmaker" was aan de beterende hand, dus kwam pas bij de maaltijd. De mede-helper kwam pas rond kwart over tien aanlopen. Toen hadden wij de tafels al klaar gezet, de borden en bestek neergelegd, de koffie en thee in kannen gedaan en de entourage voor de viering gereed gemaakt. Tja, en als er na het eten niemand aanstalten maakt om actie te ondernemen, was ik wel bereid om die afwasjes te doen.

Vlak voor het begin van de viering bleek de internetverbinding uitgevallen, waardoor we het liedje "Mary did you know" niet van Youtube konden laten horen. Geen probleem. De computerzaal en printer is gewilig dus tijdens de eerste twee liederen zette ik het lied via PowerPoint op mijn USB stick en kon ik de gitaargrepen uitprinten. Het werd een mooie geïmproviseerde viering waar niemand iets merkte van de improvisaties...

Na de viering werd ik gevraagd voor een gesprekje met een vaste bezoeker. Duurde even een tijd, maar het was mooi om samen na te denken waar zij met haar dochtertje naar toe moest gaan.

Bijna was dit het einde, ware het niet dat een van de bezoekers waarschijnlijk iets te veel had genoten van het lekkers tijdens het eten. Zijn darmen protesteerden en bracht de verwerking op plaatsen waar je hem liever niet achtergelaten ziet. Dan kun je ervoor kiezen om het over te laten aan de schoonmakers van de volgende dag onder het mom van " ik betaal er toch voor en dit is niet mijn werk". Dat vond ik een te onprettige gedachte. Dus sleepte ik een emmer met ontzettend ontsmettend middel mee naar de wc om daar de overblijfselen op te ruimen. Niet teveel over nadenken, gewoon doen. Na 10 minuten was het schoon en bleef alleen de stank als overblijfsel van het gebeurde achter.

Dat was het einde, dacht ik, van een mooie, volgens het rooster "vrije", ochtend. Nee, toch niet. De schaal waarop de vis lag moest nog even worden teruggebracht. En teruggekomen bij het wijkcentrum dacht ik terug aan een opmerking van de tweede beheerder dat de lege bakken van de Voedselbank (waarvan we de inhoud op vrijdagmiddag uitdelen) de branduitgang versperden. Dus keek ik bij vol daglicht naar hoe ze waren opgestapeld. Daar stonden dan 64 bakken en 15 koelhoudbakken door elkaar heen. Door ze weer wat netter te herverdelen, kon ik weer een doorgang creëren.

Zo kon ik huiswaarts keren, waar ik nu rustig op de bank lig. We hadden een bezoekverzoek al afgeslagen, hoorde ik van Aneta. Lastig toch. Je wilt iedereen zo graag helpen. Maar ja, afgelopen maandag had Aneta er ook al uitgebreid over doorgepraat en -gebeden. Dus nu even niet. En dat is gezien mijn voorgaande verhaal ook wel een beetje begrijpelijk...

maandag 5 december 2011

De scheiding tussen het geestelijke en het natuurlijke

Al een paar jaar ben ik aan het nadenken over een belangrijk onderwerp. Doordat ik voor de politiek werk, vraag ik me af waarom ik zo weinig christenen zie die zich op dat vlak bewegen.
Ik lees over honderden christenen die zich bij Opwekking of de EO Jongerendag bekeren of laten vullen met Gods Geest. Dat gebeurt jaarlijks. Waarom zien we zo weinig in onze samenleving van die geestelijke opwekkingsbeweging. Mensen veranderen geweldig, maar het lijkt geen effect te hebben op onze samenleving.

Het begin van een oplossing kwam toen ik het boek van John Stott las “Uitdagingen van deze tijd in bijbels perspectief”. De organisatie die hij heeft gestart na het schrijven van dit boek heeft mij verder geholpen in het verder doordenken van dt probleem: het London Institute for Contemporary Christianity.
Die organisatie noemt het probleem "The Sacred-Secular Divide". Wij hebben onbewust een scheiding aangebracht tussen de geestelijke wereld en de natuurlijke wereld. De geestelijke (of sacrale wereld) is waar God is, waar het goed is, waar rust heerst, waar we dicht bij God komen. Het natuurlijke (het seculiere) is alles wat niet van God is. De wereld rondom ons. Het hele hebben en houden waar de kerk niets (meer) mee te maken heeft.

Waarom is er zo weinig effect van christenen in de samenleving? Omdat ze niet is geleerd hoe dat te doen. De scheiding tussen geestelijk leven en leven in de wereld zorgt ervoor dat we in onze gedachten maar een centrale plek hebben waar het goed is: de kerk of de gemeente. Gaat het daar werkelijk over? Als Jezus spreekt over dat we licht op een berg zijn en zout op aarde, is het dan zijn bedoeling dat we het vooral samen fijn hebben?

De grote scheiding tussen geestelijke en natuurlijke zien we in hoe we mensen benaderen. Wat is de belangrijkste taak in de gemeente? Is het niet vaak zo dat we zeggen “alle christenen zijn gelijk geboren, maar de christen die "fulltime werkt in Gods koninkrijk" is meer gelijk dan de anderen”?
Ik ben in mijn gedachten opgegroeid met een zekere hiërarchie in het christelijk leven: eerst komt de fulltime voorganger, dan de zendeling die ver weg is gegaan, dan de zendeling die tenten maakt, dan de oudsten, dan de diakenen en daarna de gemeenteleden.
Wat tentenmakers betreft zien we een interessant gegeven. Wat geweldig dat iemand jaren van zijn leven geeft om in een bedrijf, laten we zeggen Shell, te werken dat in Saoedie-Arabië werkt. Dan kun je werken en in je vrije tijd zending bedrijven. Daar bidden we voor. Voor die mensen hebben we een fotootje op de muur, zodat we regelmatig aan hen kunnen denken. Maar hoe zit het met de werker van Shell in Rotterdam? Hangt er ook van hem of haar een fotootje aan de muur?

Een rekensommetje. Een week bestaat uit 168 uur. Laten we ervan uitgaan dat we 48 daarvan gebruiken voor slaap. Dan houden we 120 uur over. Wat gebeurt er tijdens die uren? Tenzij we gepensioneerd zijn, of in dienst zijn van de kerkelijke gemeente, is het niet te verwachten dat gemeenteleden meer dan 10 uur per week zullen besteden aan kerkelijke activiteiten. Daarom zijn die 10 uur belangrijk. En de andere 110 uur? Dat is de tijd waarin we leven: werken, vrije tijd en gezin. Waar zullen we leren groeien, vergeven, wijsheid nodig hebben, niet-christenen tegenkomen? Juist: in die 110 uur. De vraag is dan: hoe kunnen de 10 uur betrokkenheid bij de kerkelijke gemeente ons voorbereiden voor discipelschap, zending, evangelisatie en leven met God in deze wereld?
Waar spreken we over tijdens de preken op zondag? Een onderzoek wees uit dat het merendeel van de christenen nog geen enkele preek heeft gehoord over het belang van werk in de samenleving voor een christen. Op een schaal van 0-4 was de uitkomst dat de preek relevant is voor:
persoonlijk geestelijk leven 2,57
Kerkelijk leven 2,12
Thuis 1,83
Werk 1,68

Als we kijken naar Leviticus, waar heiligheid het centrale woord is, zien we dat die heiligheid wordt gemeten aan alledaagse dingen. Lees bijvoorbeeld maar eens Leviticus 18 en 19. Het gaat daar om hoe je dingen weegt. Hoe je seksueel met elkaar omgaat. Het gaat over de algemene manier van omgaan met elkaar. Het gaat over de economie van het genoeg (laat nog wat liggen voor de arme en de vreemdeling). Over het eerlijk uitbetalen van werknemers. Over gezonde rechtspraak. Over respect voor de natuur. Het heilige leven is daar dus verweven met het geestelijke leven.

Waar gaat het centrum van ons leven naar uit? Een mooie zin die deze zelfde organisatie in Engeland uitsprak was ‘Iedereen is een fulltime geestelijk werker’. Of om het met de eerder gemelde frase te zeggen: 'iedereen werkt in Gods koninkrijk'. Een eye-opener. Toen ik een paar jaar geleden op de zendingsconferentie van Opwekking werd aangesproken door een zendingsorganisatie met de vraag of ik iets met zending heb, was mijn antwoord: “Ja, ik ben een tentenmaker. In Nederland”. Het woord, bekend van de zendingsliteratuur die aanduidt dat je van een bepaalde geestelijke orde bent, toegepast op het leven van alledag. Want we zijn allemaal door God geroepen om in deze wereld te staan en hem daarin te dienen.

Grote vraag voor kerkleiders van deze tijd is of zij gemeenteleden helpen om hun taak in deze wereld in te nemen. Beseffen onze gemeenteleden dat zij die taak hebben. Krijgen zij van hun voorgangers de tools om midden in de samenleving te staan en daar getuige in woord en daad van Jezus te zijn?

Een paar vragen voor oudsten, voorgangers, dominees en andere sprekers:

- Wanneer heb je voor het laatst gesproken over werk, of over aspecten waar mensen in werk mee te maken krijgen, zoals werkdruk, omgaan met moeilijke collega’s, enzovoorts.

- Weet jij welk werk elk van je gemeenteleden doet. Weet je tegen welke problemen hij of zij oploopt. Geef je hen hulpmiddelen om daarmee om te gaan?

- In hoeverre is jouw eigen denken verward met het dualisme tussen wereld en kerk? Hoe kun je daar uit komen?

zondag 4 december 2011

Kennismaking: Geert Rozema, buurtpastor Klarendal

Wij werken als Villa Klarendal niet alleen in de wijk. "Samenwerken waar het kan, alleen werken wanneer het niet anders kan" is daarbij ons motto.

Een van de mensen met wie we nauw samenwerken is Geert Rozema, buurtpastor voor de Rooms-Katholieke kerk. Onlangs is er een interview met hem verschenen in de wijkkrant van Sint Marten, de wijk die naast Klarendal ligt en waarvoor Geert ook buurtpastor is.

Het interview geeft een goed beeld van wat Geert in de wijk doet. We willen hem graag aan het woord laten.

Lees het interview hier.

Boekbespreking: nooit meer evangeliseren - Mark de Boer

Ik las de titel een paar weken geleden in de christelijke pers. Een titel die me aansprak, omdat het dichtbij mijn eigen ervaringen komt. Maar ook, omdat het weer lekker aanzet tot gesprek. De titel alleen al.

Dus toen ik het boek kreeg, ben ik er direct in gaan lezen. Om het in een weekend uit te lezen. Dat zegt voor mij heel veel. Als ik iets mooi en aangrijpend vind, kan ik er niet meer mee stoppen.

Schrijver Mark de Boer, directeur van de evangelisatiebeweging Agapè, geeft in het boek een uitgebreide preek in drie delen: verval, ontdekking en herstel.

In Verval schetst hij de omstandigheden die geleid hebben tot het verval van de kerk zoals we het ooit hebben gekend. Hij eindigt met de conclusie dat in het oog van de wervelwind van de 21e eeuw de autonome, zelfstandige mens staat "die zich niets laat gezeggen, in niets meer gelooft en wiens wereldbeeld op vrijwel alle fronten lijkt te botsen met dat van een ouderwetse christen".

In Ontdekking gaat Mark langs bekende aspecten van evangelieverkondiging om tot nieuwe conclusies te komen. In Goed nieuws komt hij tot de conclusie dat het evangelie anders is dan hij ervan had begrepen. Niet de versmalde versie die ons jarenlang in evangelisatiebrochures is voorgehouden en als een zip-bestand kon worden uitgepakt. Maar dat het evangelie "art, not science is; kunst - levenskunst, geen wetenschap". Evangelisatie betekent dat het koninkrijk wordt gedemonstreerd in woord en daad, in het dagelijks leven. En daarmee is the medium the message: "ik hoef mensen niet te overtuigen van de waarheid van allerlei leerstellingen, maar kan wijzen naar Jezus".

In Herstel gaat de schrijver op zoek naar nieuwe wegen om het goede nieuws in deze tijd door te geven. In verbondenheid met mensen om ons heen, die op zoek zijn naar community. Met een evangelie van daden èn woorden. Om tot de conclusie te komen "nooit meer evangeliseren" zoals hij aan het begin beschrijft op Hoog Catharijne: Een zanger met gitaar, een oudere broeder in de rol van straatprediker en een stuk of tien amateurs zoals ik, die samen een koortje vormen. We zingen liederen uit het genre 'Welk een vriend is onze Jezus' en de prediker roept de voorbijgangers op luide toon op om zich te bekeren en Jezus aan te nemen voor het te laat is.. Niet meer zó evangeliseren, maar een getuige zijn, terwijl de Heilige Geest optreedt als advocaat.

Ook na het lezen van het boek, bleef het een boek naar mijn hart. Geen onmogelijke opgave voor gewone christenen. Maar een relaxte manier van leven, waardoor anderen in een echte relatie met ons, maar ook met God komen. Lezen dus, dat boek!

Titel: Nooit meer evangeliseren
Schrijver: Mark de Boer
Uitgever: Ark Media

zaterdag 3 december 2011

Is de gemeente alleen missionair?

De missionaire gemeente is in. Overal waar je komt, hoor je hierover. Elke gemeente moet missionair zijn. Met de grote aandacht die iedereen eraan geeft, groeit de kritiek. Afgelopen week werd in een artikel in het Nederlands Dagblad Prof. Jakob van Bruggen aangehaald die een behoorlijke kritiek op het hele concept geeft. Jos Douma heeft hier in vier delen een inhoudelijke reactie op gegeven: deel 1 deel 2 deel 3 deel 4.

Daarom ga ik hier niet in op dat artikel van Prof. Van Bruggen of de reacties van Douma daarop. Wat ik hier wel wil doen is een eigen visie geven op de gemeente die God heeft ingesteld.

We beginnen bij de ongelovige die in aanraking komt met de missionaire gemeente. Hij ontmoet mensen die deel uitmaken van die gemeente. Die activiteiten ondernemen om mensen buiten de kerk te benaderen. Maar die ook uit liefde voor de medemens diaconale activiteiten ondernemen. Ook wel de diaconale gemeente genoemd. Hij gaat voor het eerst naar een samenkomst, waar de preken op zijn leven zijn afgestemd. De gemeente is 'seeker-sensitive'. De nog-ongelovige gaat delnemen aan de Alphacursus en wordt daar door God overtuigd van de christelijke waarheid. Hij wordt echter ook overweldigd door de liefdevolle gemeente. De gemeente die gekend wordt door de liefdevolle onderlinge verhoudingen en die daar zichtbaar uiting aan geeft.

Na verloop van tijd wordt hij gedoopt en opgenomen in de gemeenschap die heel sterk is in het laten groeien van nieuwe christenen. Laten we dit maar de groeigemeente noemen. Als de gelovige verder groeit wordt hij opgenomen in de gemeente. Samen gaat hij door een proces van het ontdekken van zijn gaven die hij mag inzetten voor de gemeente. De gavengerichte gemeente. Hij wordt ook deel van een kring van christenen in zijn buurt, waarmee hij de bijbel leest, zijn zorgen en vreugde deelt, kortom zijn leven deelt. Hij maakt deel uit van een kringengemeente.

Op het moment dat hij begint leiding te nemen aan een bepaalde activiteit, merkt hij dat de gemeente heel efficiënt is in de richting die wordt gekozen. Er is een scherpe richting waar men op wil gaan. De gemeente blijkt een doelgerichte gemeente te zijn.

Zomaar een levensverhaal van een onbestaande persoon in een onbestaande gemeente. Maar het laat zien wat ik bedoel. De afgelopen jaren zijn tal van bewegingen ontstaan, die een bepaald deel van de gemeente dat tot dan toe onderbelicht was benadrukten. Zo kenden we de doelgerichte gemeente (Rick Warren), de seeker sentitive gemeente (Willow Creek), de liefdevolle gemeente (Christian Schwartz), de Geestvervulde gemeente (pinksterbeweging), de piëtistische gemeente en zoveel andere deelaspecten van kerk-zijn.

De gemeente is dus in zijn volmaakte wezen een totaal van al die aspecten. In de praktijk van alle dag is die volmaaktheid er nog niet en zullen we moeten leven met de onvolmaaktheid van een gemeente die een of meerdere van die aspecten ontbeert. De werkelijkheid gebiedt te erkennen dat niet iedereen in de gemeente missionair is. Maar dat geldt ook voor al die andere deelaspecten. Binnen de gemeente zal dus actief (doel- en gavengericht) gezocht moeten worden naar welke mensen welk deelaspect kunnen vertegenwoordigen. Dat ontslaat de rest niet van eenzelfde intentie, maar helpt mensen zich te richten. Daarmee wordt de gemeente niet alleen missionair, maar ook een gemeente die al die andere aspecten in zich bergt. Dat voorkomt frustraties van theologisch geschoolde en daarmee onderwijsgerichte gemeenteleden als Prof. Van Bruggen.

vrijdag 2 december 2011

Eerst op zoek naar identiteit, dan pas missionair

Dit verslag is vandaag verschenen in het Friesch Dagblad.

Iedere kerk heeft een eigen identiteit, een specifieke roeping. Pas als je die hebt ontdekt, kun je als gemeente echt missionair zijn. Dat stelt kerkstichter Matthijs Vlaardingerbroek.

Stel, je bent een gemeenteleider, voorganger, of predikant. Je hebt een zieltogende gemeente. Een kerk die niet groeit, maar enkel krimpt. Waar meer mensen sterven dan dat er mensen bij komen. De vraag bekruipt je of er nog hoop is voor deze gemeente.
Dan lees je een advertentie van een bekende missionair werker, Matthijs Vlaardingerbroek, die in Den Haag uit het niets een nieuwe gemeente is begonnen. Wellicht kun je iets leren van deze werker, denk je.

Niet iedereen die deze week naar de conferentie Grensverleggend Missionair: Buiten winnen is binnen beginnen ging zal die motivatie hebben gehad, maar de verwachting was in elk geval groot. De conferentie was een initiatief van uitgeverij Medema, rond het verschijnen van het boek Grensverleggend. Hoe de kerk opnieuw missionair kan zijn van Vlaardingerbroek.

De kerkplanter, inmiddels ook bekend als buikspreker met zijn pop Henkie, deed zijn creatieve roem eer aan door de pop meteen aan het begin met een goocheltruc door midden te zagen. Henkies hoofd en de benen werden van elkaar gescheiden, ter illustratie van hoe wij van God zijn gescheiden. Henkie dook zijn koffer weer in, de afgezaagde benen achterlatend op het blok. Achter die benen toverde Matthijs een andere pop tevoorschijn, die de van God afgesneden mens symboliseerde. De buurman die God niet kent, noemde Matthijs hem. Waar kan hij God vinden? In de koffer van Henkie? Nee, want die vertrouwt hij niet. De kerk, plaats van Gods heerlijkheid, wordt gewantrouwd door de gemiddelde burger. De vraag is daarom: kunnen wij niet beter naar de ander toe gaan, in plaats van te wachten tot hij of zij naar ons als kerk toekomt?

Aan de hand van het verhaal uit de Bijbel over de mannen die hun verlamde vriend bij Jezus brachten (Lucas 5: 17-26), ontvouwde Matthijs Vlaardingerbroek zijn visie voor missionair werk. Hij haalde een aantal principes uit het verhaal.

De vrienden hadden een krachtige ideologie: als onze vriend bij Jezus komt, komt het goed. Ze blijken een heldere visie te hebben: getroffen door de pijn van hun vriend, zijn huidige situatie, willen ze dat Jezus hem van die pijn geneest.

Mensen zijn net als de verlamde vriend, vervolgde Vlaardingerbroek. Ze kunnen niet zelf de deur openen. Ze zijn geestelijk verlamd. Ze kunnen niet naar de kerk toe komen. Wij moeten naar hen toe gaan. Wij moeten een ze ,,haalbare belofte” geven. Net zoals de vrienden: ‘Wij brengen jou bij Jezus.’

De vrienden hadden ook een unieke kracht. Ze zagen wegen die er eigenlijk niet waren. Ze konden niet door de deur, ze konden niet door het raam. Daarom klommen ze het dak op, om van daaruit hun vriend bij Jezus te brengen.
En ze hebben een hoopvolle ambitie: ze verwachten dat Jezus tegen hun vriend zegt dat hij moet opstaan en lopen.
Identiteit

Belangrijk in Vlaardingerbroeks boodschap is de identiteit van de gemeente. Die kent verschillende aspecten: ‘De gewenste identiteit, de huidige identiteit en de door God gegeven identiteit.’ De vraag is op welke identiteit wij onze pijlen richten. We moeten zoeken naar de parel die God ons heeft gegeven: de identiteit die we als gemeente van God hebben gekregen, stelde Vlaardingerbroek. Die is vaak verstopt. ,,De vraag is of we bereid zijn die parel te zoeken, ook als het ons alles kost.”
Als die identiteit eenmaal is gevonden, kunnen we hem gaan inzetten. Niet alleen binnen de gemeente, maar ook voor ‘buiten’. Om de identiteit van je gemeente daadwerkelijk te gebruiken is een heldere visie onmisbaar, betoogde Vlaardingerbroek. Daarvoor is een start nodig (wat zie jij en wat doet je pijn?). En een finish (Wat zou ik willen zien? Wat geeft mij hoop?). Als je die twee hebt vastgesteld, wordt een route zichtbaar die je van start naar finish brengt.
Vlaardingerbroek ziet veel gemeenten met de visie: wij willen er zijn voor iedereen. Bij zo’n vage visie dreigt echter het gevaar, dat je er voor niemand bent. Daarom is de beginvraag ‘wie zie jij?’ belangrijk. Wie zijn de mensen die God op jouw hart legt?
Achterstandswijken

Na zijn gepassioneerde betoog overhandigde Matthijs Vlaardingerbroek zijn boek aan Oeds Blok, voorzitter van Urban Expression, een beweging die gemeentes sticht in de achterstandswijken. Vlaardingerbroek wil met zijn boek hoop bieden aan bestaande kerken, vanuit liefde voor de kerk.
Naast lovende woorden past ook een pas op de plaats. Mijn grote vraag is of de kerk vernieuwd kan worden door een methode te omarmen die is gebaseerd op identiteitsmarketing. In hoeverre is dit weer een nieuwe methode voor kerken, die er geld en tijd in moeten steken? Om er wellicht na enkele jaren achter te komen dat de methode het vuur niet heeft kunnen aanwakkeren waar we zo naar verlangen. De tijd zal het uitwijzen. Aan de passie van Matthijs Vlaardingerbroek zal het niet liggen.

dinsdag 29 november 2011

Column Friesch Dagblad 39: Flauwe kerken

De ‘temperatuur’ in kerken in Nederland is te laag. Het is niet goed, te lauw. De kerk is ziek. We gaan te veel voor de kant-en-klare hap op zondag en zijn te veel bezig met kerkje spelen. Een zin uit een artikel dat ik vandaag las in op het nieuwe platform van het Friesch Dagblad Hetgoedeleven.com over de Global Leadership Summit in Drachten, de jaarlijkse leiderschapsconferentie van Willow Creek. Arjan Zantingh, onderwijspastor van de Vrije Baptistengemeente in Groningen, wordt aangehaald. Hij constateert dat een kerkelijke gemeente vanaf de buitenkant wel goed naar voren komen - bijvoorbeeld door mooie diensten en veel activiteiten - maar dat dat niks zegt over de vraag of individuele gemeenteleden er kunnen groeien. Daarom is ‘een geestelijke blik onder de motorkap nodig’.
Het is een terugkerende riedel die ik in mijn 35-jarige ervaring in christelijk Nederland steeds weer terug hoor. En die ook geregeld aan den lijve heb ervaren. Wat is er aan de hand in ons christelijke land?, vraag ik me dan af. En vooral de vervolgvraag: valt er iets aan te veranderen?

De vraag of het individuele gemeentelid in onze kerkelijke gemeente groeit, komt voor een deel voort uit een consumtiementaliteit. Christenen groeien op in een wereld waarin hen alles wordt aangeboden. De dominee moet zorgen voor een goede preek. De koster moet zorgen voor warme voeten, goed zittende stoelen en goed werkende toiletten. De muziekgroep moet rekening houden met mijn muzikale smaak en zorgen voor een goede aanbidding waardoor ik dichter tot God kom. En als het aanbod de christen niet meer zint, gaat hij stampvoetend weg, want hij groeit er niet meer. Op zoek naar een betere kerk waar het aanbod wel naar de zin is van de zoekende gelovige.

Onderzoek wijst uit dat de geloofsopvoeding het beste tot zijn recht komt in de gezinnen. De plek waar kinderen leren om te leven volgens het christelijke geloof. In hoeverre is daar sprake van geloofsleven? Of gaat het alleen om belijden? Met de mond verkondigen en opvoeden dat het geloof de waarheid is. Maar er in de praktijk niets mee doen. Ik denk aan de woorden uit de Bijbel waarin Jezus ons aanspreekt om licht en zout te zijn in deze wereld. En aan de zin van de apostel Jakobus: ‘Wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? Zou dat geloof hem soms kunnen redden?’

Blijft de vraag of het geloof in de lauwe kerken met flauwe gelovigen nog wel te redden is.

donderdag 17 november 2011

Mission Possible? Ja, ook in Nederland

Dit artikel is vandaag gepubliceerd in het Friesch Dagblad.

De Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE) laten zich niet gek maken door de secularisatie. Leiders uit de VPE confereerden juist over missie en kansen. Rick Jansen was er bij.

Bunnik | ‘Hoe wil Christus dat de gemeente van vandaag Zijn missie volbrengt? Waar wil God dat we mee bezig zijn als gemeente? Wat is jouw missie? Welke uitdagingen moet je als gemeente aangaan om missionair te zijn?‘
Het waren vragen die werden gesteld op de speciale website van de leiderschapsconferentie VPE onder de titel ‘Mission possible? De uitdaging van missionair gemeente zijn’.
‘Daar moet ik bij zijn, zeker omdat ik ook nog eens lid van de VPE ben’, dacht ik en daarom toog ik afgelopen weekend naar de conferentie die dit jaar in Bunnik werd gehouden. Hoofdsprekers over het onderwerp waren Theo Visser (International Church Plants) en Ruben Flach (secretaris van de VPE). Alton Garrisson (vicevoorzitter van de Assemblies of God in de Verenigde Staten) hield een tweetal inspirationals om de bezoekende geestelijke leiders te bemoedigen in hun persoonlijke leven en in hun bediening. In dit artikel beperk ik me tot het antwoord van Visser en Flach op de vraag van de conferentie, die donderdag en vrijdag gemiddeld tweehonderd bezoekers trok

Beweging
Theo Visser beet het spits af. Hij heeft jarenlange ervaring als gemeentestichter in Rotterdam. Hij vertelde dat de door hem gestarte beweging werkt vanuit het motto ‘Passion for God, compassion for the world’. Doel is, vanuit een gerichtheid op God, zoveel mogelijk mensen uit de wereld bereiken. ,,De beweging wil geen mensen uit andere gemeentes trekken en we hebben dit ook opgenomen in de visie voor ons werk.’’
Volgens Visser biedt kerkplanting veel missionaire kansen. Hoofdreden daarvoor is dat God zelf een missionaire God is. ,,Die God woont in ons en zendt ons uit naar deze wereld.’’
Als antwoord op de vraag hoe dat te doen, haalde Visser een vraag aan van een moslim die vaak in zijn gemeente komt: ,,‘De wereld is een slagveld. Hoe komt het dat de kerk, die zichzelf ziet als een geestelijk Amsterdam Medisch Centrum, niet ambulances af en aan laten rijden naar het slagveld en dat daar geen veldhospitalen zijn, zodat AMC en veldhospitalen samen de wereld kunnen redden?’.’’ Kortom: waar zijn de kerken als het gaat om het redden van levens.

Achterdeur en voordeur
Nieuwe gemeentes zijn het meest effectief in hun eigen omgeving en zouden goed kunnen samenwerken met bestaande gemeentes, aldus Visser. Gemeentes hebben een ,,goede voordeur en een goede achterdeur’’ nodig, is zijn idee. De voordeur is volgens Visser tweeledig. Hij is incarnational: net zoals Jezus uitgaan en ons vereenzelvigen met mensen, onze veilige gebieden (comfort zone) verlaten en de wijken intrekken. En Hij is attractional: samenkomsten zijn afgestemd op mensen die van buiten komen.
Aan de achterdeur staan gemeenschap en discipelschap: mensen blijven als een gemeenschap ‘24/7 ‘op elkaar betrokken is en zorgt voor discipelschapscursussen en mentoren die mensen opvangen.

Ruben Flach nam de congresgangers mee naar de situatie van zending anno nu, in Nederland. Het blijkt dat in ons land 42 procent van de inwoners zich niet kerkelijk noemt. In de hele wereld is het opvallend dat 3575 bevolkingsgroepen niet in beeld zijn bij de christelijke zending, terwijl in 6672 bevolkingsgroepen minder dan 2 procent christen is.

Flach ziet enkele trends in ons land. Zo is er steeds meer visie voor missionair werk in de vorm van kerkplanting en revitalisering van gemeenten.
Het groeiend aantal gebedsbewegingen is een andere opvallende trend. Short time zending - voor enkele weken of maanden het zendingsveld in - is een derde interessante trend. Jongeren staan bij tientallen kramen van zendingsorganisaties om te vragen waar zij hun vakantie of periode na het afstuderen zinvol kunnen besteden.

Daaraan verbond Flach het belang van coachen van jongeren die een zendingservaring hebben gehad. Ten slotte vroeg hij aandacht voor vernieuwende initiatieven zoals de onlangs uitgekomen straatbijbel, de Torri van Mattie. Deze initiatieven worden helaas, onterecht, bekritiseerd.
Met de vraag ‘Wat is onze werkelijkheid?’ hield Flach de aanwezige leiders een spiegel voor. Hij werkte dat uit door hen de vraag voor te leggen of hun gemeentes daadwerkelijk actief bezig mensen die ‘buiten zijn’ te bereiken, of dat ze naar binnen gericht zijn, omdat ze ‘het zo goed met elkaar hebben’. En zijn gemeentes eigenlijk wel betrokken bij de nood in de wereld of ‘alleen bezig met onze eigen problemen, bezig om te overleven’.
,,Zending is niet de opdracht, maar de identiteit van de gemeente. Zending hoort bij het wezen van de gemeente’’, aldus Flach.

De vraag Mission possible? werd door op de twee conferentiedagen positief beantwoord. Door gemeentes te stichten, door daarin de leiding van God te zoeken en te beseffen dat zending deel is van de identiteit van gemeentes.

Het bestuur van de VPE gaat ondersteuning bieden om de aangeboden principes in daden om te zetten.

woensdag 2 november 2011

Column Friesch Dagblad 38: kerkplanting is geen fabriek

Vorige week dinsdag, woensdag en donderdag was in Berlijn het eerst grote City to City congres over gemeentestichting in Europa. Honderden Europese geïnteresseerden in gemeentestichting, waaronder honderd Nederlanders, kwamen naar de Duitse hoofdstad om zich te laten enthousiasmeren over het stichten van nieuwe kerken.

Wie kwam om een blauwdruk te ontvangen voor het stichten van een gemeente kwam van een koude kermis thuis. Hoofdspreker Tim Keller vertelde dat de methode voor gemeentestichting niet bestaat. Een zin naar mijn hart.

Mensen horen van een succesverhaal. Ze willen er meer van horen en zien. En gaan naar het succesverhaal om te zien wat daar gebeurt. Maar vooral ook om te horen hoe dat verhaal tot stand is gekomen. Ergens in de hoofden van die christenen is de gedachte postgevat dat gemeentestichting een soort fabriek is. Je gaat naar die succesvolle fabriek toe. Je kijkt naar het fabrieksproces. Je onderzoekt waardoor het proces zo succesvol is. En je kopieert het proces in je eigen omgeving. Waardoor jouw fabriek ook succesvol wordt.

Zo komen groepen christenen ook bij ons. "Wat kunnen we van jullie leren?" is hun eerste vraag. "In ieder geval geen succesmethode" is steeds mijn antwoord geweest. Want die is er dus niet in gemeentestichting. Je bent op zoek naar Gods weg, in deze tijd, op deze plaats, met de mensen en middelen die jou zijn gegeven. Elke plaats is anders, de mensen die het doen zijn anders en de middelen zijn verschillend. God is de enige constante factor in dit alles.

Daar begint gemeentestichting mee. Wat wil God in deze tijd, op deze plek met deze mensen die deze middelen voorhanden hebben? Daar ga je naar op zoek. Biddend met je mensen door, over en voor de wijk. Ploeterend zoeken hoe God in deze wijk wil werken. Dat is niet een instant-methode. Dat vergt tijd, veel tijd. Met veel vallen en weer opstaan. De wijk leren kennen, mensen leren kennen, gesprekken aangaan, weten wie wie is in de buurt. Kennen, maar ook gekend worden. Dat wij mensen leren kennen, maar dat mensen ook ons leren kennen.

Zo zijn bezoekers weer weggestuurd. Bij mij en ook in Berlijn. Leer van wat wij hebben gedaan, maar ga vooral zelf aan de slag in je eigen buurt. Als een nieuwe tijd waarin Jezus opnieuw zijn discipelen wegzendt met een "Gaat dan henen...".

Hebben wij niets overgenomen van "succesformules"? O, zeker. Onze viering is een "seeker-service" a la Willow Creek. De combinatie brunch en viering is overgenomen van In de Praktijk in Den Haag. Maar de invulling ervan is afgestemd op de wijk Klarendal in Arnhem.

donderdag 27 oktober 2011

Werken voor God

Gisteren spraken we tijdens een vergadering kort over een tekst in Marcus 4, waarin Jezus diverse vergelijkingen maakt over het koninkrijk van God.

En hij zei: ‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.’

In een cultuur waarin werken het hoogste goed is, is dit een vreemde tekst. Wat moet ik dan nog doen? Het belangrijste: het ontkiemen, groeien en vrucht voort brengen gebeurt vanzelf.

In veel literatuur over gemeentegroei en gemeentestichting gaat het om methodes om mensen tot geloof te brengen, om groei te geven. De gemeentegroeibeweging uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw keek naar principes die groei bevorderden en brachten die aan de man als groeipotenties voor de kerk.

Als ik de tekst lees, zie ik daar niets van. Alles wat te maken heeft met groei, komt vanzelf. Je kunt er niets aan doen. Ineens is het er. Ineens is er een groen puntje dat boven de aarde komt na een langer proces van groei onder de aarde.

Wat moeten wij dan nog doen, was onze vraag gisteren. Dat lijkt me duidelijk. Voorafgaand aan het proces van zaaien is dat het zorgen dat de aarde vruchtbaar wordt. In sommige plekken betrkent dat stenen weghalen. Ploegen hoort erbij. De aarde moet omgewoeld worden, zodat het zaad er goed in kan vallen. Zodat de aarde niet te hard is, waardoor het zaad op de aarde blijft liggen. En als het eenmaal is gezaaid, gooi je mest op de aarde. Die vreselijk geurende smurrie waar je van over je nek gaat. Maar het werkt wel.

Ons werk is te zorgen dat de voorwaarden goed zijn om het evangelie te verkondigen (het zaad te strooien). Mogelijke barrieres wegnemen: slechte ervaringen met christenen, verkeerde gedachten over het geloof. Maar daar ook positieve dingen voor in de plaats zetten: samenwerken op sociaal gebied, oprecht meeleven, met mensen meedenken om hun leven weer op de rails te krijgen. Maar het zaaien hoort er ook bij. Voor een deel vertellen over wat wij geloven. Voor een ander deel laten zien dat wat wij vertellen ook uitwerkt in ons eigen leven. Het geloof uitleven, maar ook voorleven.

De boer die nadat hij heeft gezaaid alleen maar op zijn lauweren rust is geen goede boer. Er moet ook geirrigeerd worden als er geen regen valt. Onkruid moet worden weggesneden. Kortom, het is geen proces dat zomaar komt. Je moet er veel voor doen om de voorwaarden goed te laten blijven. Dat geldt ook voor ons. Niet alleen maar: God doet het wel. Maar ook constant kijken en luisteren of alles nog goed gaat. Of we als medewerkers niet in een sleur terecht komen. Alleen maar voor de grote oogst gaan en geen zicht meer hebben voor de plantjes zelf.

Maar uiteindelijk zorgt God voor de groei. En dat zien wij zelf ook. In veel levens van mensen met wie we werken zien we dat het zaad ontkiemt, groeit, groot groeit. En hier en daar mochten we al oogsten. En samen kijken hoe we de vruchten weer verder mochten uitzaaien op andere plekken.

zondag 16 oktober 2011

MEER van hetzelfde

Een paar maanden geleden werd ik er al mee geconfronteerd. Ds. Hans Eschbach, voorheen voorzitter van het Evangelisch Werkverband binnen de PKN, ging zich bezighouden met een groots evangelisatieproject. De verwezenlijking van een droom van Peter Vlug sr., las ik onlangs. Een glossy samenstellen onder de titel 'Meer' dat wordt verspreid in alle huizen in Nederland. Hoera, nu wordt het evangelie verkondigd op een moderne, aansprekelijke manier. Nu zullen alle gezinnen het evangelie lezen. Dat was de teneur van de reacties op dit initiatief.

Prachtig, niets mis mee, laten ze het vooral doen. Dat denk ik dan zelf. Maar toch heb ik wat bedenkingen bij een dergelijk groots opgezet project. Het gaat namelijk uit van bepaalde vooronderstellingen waarvan. Ik me afvraag of ze juist zijn. De eerste is, dat als je maar een mooie glossy maakt geheel in de stijl van wat mensen tegenwoordig aanspreekt, mensen dat blad wel zullen lezen. Zo'n glossy wordt dan op de markt gezet van al die andere mooie bladen die mensen regelmatig in hun bus ontvangen. Maak iets aantrekkelijks en mensen zullen het vanzelf gaan lezen. Volgens mij is de concurrentie zo groot dat mensen, als ze het blad al in hun bus ontvangen (want is er rekening gehouden met adressen met NEE-NEE of NEE-JA stickers?), het al snel met de grote hoop direct in de vuilnisbak of nog beter in de papierbak gooien.

Een dergelijke glossy gaat ook nog uit van een zekere leescultuur. In wijken als Klarendal is die leescultuur er niet of nauwelijks. Ze kunnen niet lezen (want analfabeet of niet-Nederlandstalig), of ze zijn veel meer beeldgericht en kijken liever RTL Boulevard of GTST dan zich te gooien op dat mooie blad met die vele teksten.

MEER van hetzelfde heb ik bewust boven deze blog geschreven, omdat het lijkt alsof het een uniek project is, terwijl er in alle decennia tot nu toe dergelijke projecten zijn geweest. Er is Hoop in de jaren zeventig zou het helemaal gaan doen. En de afgelopen jaren zijn met kerst en pasen materiaal uitgekomen dat mensen vast zou aanspreken. Dat deed het voor een kleine groep, maar de vraag is of dergelijke groots opgezette acties ook het doel halen dat ze lijken te willen verwezenlijken. In dit geval is het een eenmalige activiteit die een groter gevolg moet gaan geven. Groots, meeslepend, mooi, aansprekend. Maar raakt dat het hart van de persoon die het in zijn bus krijgt? Laat het blad straks de levensstijl van een gelovige zien? Met alle vallen en opstaan van dien? Of wordt het een zoveelste blad met successtories waardoor je wel moet worden aangemoedigd gelovig te worden. Maar of dat een goede voorstelling van zaken is?

Tenslotte vrees ik dat de totstandkoming van dit glossy heel veel geld zal vragen van christenen en hun kerkelijke gemeenschappen. Geld dat zoveel andere projecten en activiteiten ontberen. Christen zijn op basis van levensstijl. Dat is een veel lastiger item. Daar kun je geen glossy over schrijven. Dat is misschien maar een vodje in de ogen van glossysamenstellers. Schijnbaar minder succesvol, want er gaat een langere tijd overheen. Veel minder leuk om te ondersteunen, wat het is niet altijd succes dat achter de horizon verschijnt. Niet meer van hetzelfde, maar anders dan anders. Waardoor mensen wel worden aagesproken.

Laat de glossy er maar komen. Maar mijn kanttekeningen zijn en blijven er.

zaterdag 8 oktober 2011

Het verhaal van de gouden Boeddha

Zo af en toe hoor ik een verhaal dat me erg aanspreekt. Dat geldt ook voor het verhaal van de gouden Boeddha. Net gehoord op een cursus coaching 1-op-1 van de School voor Coaching. Aansprekend, omdat het mij aan het nadenken zet over mijzelf. Het spreekt verder voor zichzelf.

In 1957 moest een klooster in Thailand verhuizen. Een groep monniken kreeg de taak een reusachtige Boeddha, die gemaakt was van klei, te verplaatsen. Terwijl ze daarmee bezig waren, zag één van de monniken plotseling een scheur in het Boeddhabeeld. De monniken waren bang dat ze het Boeddhabeeld zouden beschadigen en besloten daarom een dag te wachten alvorens verder te gaan met hun taak. Toen de nacht viel liep één van de monniken naar het reusachtige beeld om te kijken of alles goed was. Hij scheen met zijn lantaren over de gehele Boeddha. Op het moment dat het licht op de scheur viel, zag hij iets weerspiegelen.

De monnik werd nieuwsgierig, pakte de hamer en de beitel en begon stukjes klei van het Boeddhabeeld af te slaan. Naarmate hij meer klei wegsloeg werd de Boeddha helderder. Nadat de monnik uren had gewerkt, keek hij in verbazing op en zag hij een prachtige, puur gouden Boeddha voor hem staan. Historici denken dat de Boeddha enkele honderden jaren daarvoor door de Thaise monniken was bedekt met klei toen Birmese leger hen aanvielen. Zij bedekten de Boeddha met klei zodat hij niet zou worden gestolen. Tijdens de overval op het klooster werden alle monniken gedood. Pas in 1957, toen monniken het beeld verplaatst werd de grote schat ontdekt.

Net als de Boeddha beschermt onze buitenschil ons tegen de wereld; onze echte schat ligt binnen in ons verborgen onder een laag klei. We hoeven alleen de moed op te brengen om onze buitenste schil stukje bij beetje weg te slaan zodat onze ware kern naar buiten kan treden.

woensdag 5 oktober 2011

Column Friesch Dagblad 37: Jezus, mijn voorbeeld in wijkwerk

De Here Jezus is voor ons wijkwerk het grote voorbeeld. Hij leefde in deze wereld in was bereid mensen te nemen zoals zij zijn.
Een van de belangrijke aspecten in het leven en werk van Jezus was zijn incarnatie. Hij was bereid de directe nabijheid van Zijn Vader te verlaten en zijn goddelijke luister en privileges af te leggen en mens te worden zoals wij. Hij staat daardoor niet ver van ons af, maar is een van ons geworden. Hij heeft zichzelf met ons vereenzelvigd. Daardoor begrijpt Hij hoe het leven in elkaar zit en heeft Hij laten zien hoe een leven met God in deze wereld mogelijk is. Hij is “mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.”

Jezus had dit niet hoeven doen. Hij had er ook voor kunnen kiezen om te blijven wonen in de hemel en dagelijks af te dalen naar de woonplaats van de mensen. Dat deed hij niet. Daardoor zou hij buiten de mensheid blijven staan. Jezus had zich kunnen laten voorstaan op het feit dat Hij God is. Maar dat deed Hij niet. Hij kwam in deze wereld. Werd geboren in een gezin dat niet als groots bekend stond. Groeide op in een streek dat als achterlijk werd gezien. Was een zoon van een timmerman, toch niet het meest aanzienlijke beroep. Bovendien was het voor iedereen in het dorp waar Hij woonde bekend dat hij een bastaard was: zijn vader was niet zijn eigen vader. Daardoor werd hij in zijn dorp veracht.

In zijn houding naar mensen zien we dat hij zich niet hoog boven mensen opstelt. Hij stond naast mensen. Hij ging om met mensen die door anderen veracht werden. Toen hij bij tollenaar Levi thuis thuis wasmen de maaltijd gebruikte, werd hij door de geestelijke leiders daarop aangesproken. Zijn antwoord: 'ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.’ Hij vereenzelvigde zich met met mensen die ver van God waren afgeweken. In plaats van ze af te stoten en ze te veroordelen, lag hij bij ze aan tafel en had hij nauw contact met ze.

Wij leren ons te vereenzelvigen met de mensen die in de wijk wonen. Niet afstoten of veroordelen. Maar liefhebben en naast hen staan. Niet elke dag afdalen naar de wijk om daarna weer neer te ploffen in onze eigen gecreëerde hemel in de veilige buitenwijk. Wij willen leren van Jezus' incarnatie. Wij willen 'incarnatie-leven'.

donderdag 8 september 2011

Column Friesch Dagblad 36: kerk in de marge

In de tijd van mijn jeugd, de roerige jaren zestig en zeventig, gebeurde het regelmatig dat kerkleiders zich in de openbaarheid uitspraken over misstanden in de samenleving. Als zij spraken, luisterde de maatschappij. De kerk had zich een positie verworven midden in de samenleving. Een belangrijke ethische waakhond die het luisteren waard was.

Inmiddels is dat totaal veranderd. Alle kerken brokkelen af. Letterlijk en figuurlijk. Jaarlijks keren duizenden kerkleden de kerk van hun jeugd de rug toe. De volkskerken van toen zijn niet meer. Zij moeten in tal van plaatsen besluiten de godshuizen te sluiten. Voor degenen die daar hun herinneringen hebben een pijnlijke gebeurtenis. Bij ons in de wijk sluit eind deze maand de laatste kerk de deuren. Deze week kregen we de uitnodiging voor de laatste eucharistieviering. Het laatste avondmaal is aanstaande. Dan sluiten de deuren na meer dan honderd jaar trouwe dienst en dito invloed in de wijksamenleving.

De kerk wordt teruggedrongen naar de marge. De grootte wordt ingeruild voor het kleine. Van de speler waar iedereen naar moet luisteren wordt het een van de groepen die er zijn. Velen vragen zich af wat nog de toekomst van de kerk is. Sommigen kijken hoopvol naar nieuwe missionaire activiteiten. In missionaire actie ligt de toekomst van de kerk lijken ze te zeggen. Anderen leggen zich neer bij de marginale kerk. Geen grote volksbeweging meer. Geen grote woorden en daden. Geen houding van arrogantie meer, maar van nederig de eigen plaats aan de rand innemen.

Daar valt iets voor te zeggen. Kijk naar de geschiedenis en we zien een rol die ver van de macht af lag. Christenen hielden zich op aan de rand van de samenleving. Ze waren solidair met de armen, de verschopten, de outcasts. Opgesloten in de marge groeide de jonge kerk als kool. De Romeinse overheid was als de dood voor de groeiende invloed van die kleine groep. Niet zozeer door hun woorden. Wel doordat zij een oplossing boden voor de arme en verpauperde bevolking.

Is dat niet de plek die de kerk ook heden ten dage past? Jezus identificeerde zich ook met mensen om zich heen. Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. In de marge kunnen we ons identificeren met mensen die het moeilijk hebben. We bieden hoop in de hopeloosheid. Ik kies voor de kant van het onbeduidende. Op het gevaar af ook zelf als onbeduidend te worden weggezet. Maar de onbeduidende zelf ervaart dat ik hem als mens behandel. En zo help ik hem of haar zijn eigen waarde te hervinden.

zaterdag 3 september 2011

Aansluiten bij deze wereld: geloven in God die in ons gelooft

In mijn relaties met mensen om mij heen zal ik niet direct beginnen met het geloof in God. Het is echter wel een basis van waaruit ik mensen wil benaderen. God is de basis van mijn leven. Hij is mijn schepper. Hij is ook degene die mij daardoor waarde geeft.

Geloven in God is door veel christenen losgekoppeld van het leven van alledag. Theologische verhandelingen over God vinden daar geen verbinding mee. Ik zie in de bijbel een lijn die dat juist wel doet. Vanaf het eerste vers in het Boek lees ik hoe God zich wil verbinden aan ons als levende wezens. Hij wil een relatie met ons. En hij wil dat wij onderling met elkaar een relatie hebben.

Voor veel christenen is het leven met God losgekoppeld van het leven van alledag. Voor hen is het leven met God het allerbelangrijkst. En dat is te vinden in het leven in de kerk. Buiten de kerk is het maar moeilijk om christen te zijn. Goed, je bent het en je relatie met God verdiep je door persoonlijk de bijbel te lezen en te bidden. Maar daar houdt het bij op. Natuurlijk, wij bidden voor de mensen met wie we contact hebben om ons heen. Maar dat doen we vanuit ons natuurlijke hokje. De ander is niet gelovig en daarom is het lastig met die ander contact te hebben. Die ander ligt immers niet op dezelfde golflengte als wij. Zij zijn met heel andere dingen bezig als wij.

Ik wil die ander graag zien vanuit het perspectief dat God niet elk mens individueel op deze wereld heeft gezet. Hij heeft vanaf het begin het doel gehad om mensen in gemeenschap naast elkaar te zetten. Het was van meet af aan zijn bedoeling dat mensen in nauwe onderlinge relatie met elkaar zouden staan. Wij zien dat later ook als God vanaf Abraham een volk laat ontstaan dat als doel heeft Hem te dienen. Dat volk moet laten zien wat het betekent om volk van God te zijn. God geeft hen zijn wetten. De rest van de wereld kijkt toe hoe dat volk in een goede en harmonieuze verhouding tot elkaar staan.

Daarnaast zie ik hoe God mensen op deze wereld heeft gezet. Die mensen hebben niet alleen een geest, zodat ze direct met hem in contact staan. Zij hebben ook een lichaam waarmee ze dingen kunnen waarnemen en voelen. Zij hebben emotie gekregen om te genieten, maar ook om te huilen of woedend te worden. Kortom, God heeft mensen op deze wereld gezet waar Hij zelf in gelooft. Vanuit die wetenschap benader ik de mensen om mij heen. Zij zijn geen bekeringsobject die zo snel mogelijk de streep over getrokken moeten worden. Zij zijn allereerst mensen die een waardig leven leiden. In dat waardige leven is een streep getrokken. Sommigen zijn emotioneel beschadigd. Anderen zijn psychisch beschadigd. Weer anderen hebben problemen op financieel gebied. Of een probleem op sociaal gebied.

Voor mij staat het probleem van de ander niet centraal. Centraal staat de mens die door God op deze wereld is geplaatst en daardoor waarde heeft. Daarom wil ik die ander benaderen als een waardig persoon waar ik met respect mee om wil gaan. Vanuit dat uitgangspunt wil ik een relatie met die ander aangaan. Met die ander wil ik een weg opgaan waardoor die ander zijn maker gaat leren kennen.

vrijdag 2 september 2011

Aansluiten bij deze wereld: geen hokjesdenken

Op 21 augustus begon ik een reeks. In Idea, het blad van de Evangelische Alliantie in Nederland, was een themanummer gewijd aan "aansluiten bij niet-christenen". Daar wil ik op doordenken vanuit mijn ervaring.

De aanhef is al veranderd. Want volgens mij is dat het eerste waar je bij jezelf op moet letten. Wij zijn er zo goed in. Om mensen in een hokje te plaatsen. Wie ben jij? Gelovig of ongelovig. Christen of niet-christen. Homo of hetero. Man of vrouw. Protestant, katholiek of moslim.

Vanuit de hokjes beoordelen we de ander. Zetten we die ander eigenlijk gevangen. Hij hoort bij de groep van.... En daarmee komt de ander er niet meer uit.

Christenen zitten zonder het zelf te weten ook in een hokje. Ze voelen zich thuis in de kerk, in het kerkelijke leven en in de cultuur die daarmee gepaard gaat. Vanuit dat hokje oordelen we zonder ervan bewust te zijn over anderen buiten dat hokje. Terwijl we zelf in het veilige hokje blijven zitten.
Het is zo belangrijk om los te komen van dit hokjesdenken. Het hokjesdenken heeft in de jaren zestig afgedaan. Toen zijn de zuilen in ons land, de grote vier hokken die ons land bepaalden (de liberalen, de socialisten, de katholieken en de protestanten) met vrij grote snelheid afgebroken. Terwijl de wereld rondom ons ontzuilde en ontkerkelijkte bleven christenen actief in hun eigen zuil. Sterker nog, ze maakten een nieuwe erbij, de evangelisch-reformatorische zuil. Daarmee leek het alsof wij christenen een grote groep waren die invloed hadden op onze samenleving. Want we hadden even de Grootste Omroep van Nederland. Op toogdagen en jongerendagen wisten we het zeker. We betekenden iets in onze samenleving. En daar bovenop kwam die regering met twee christelijke partijen waarvan de premier zelfs op jongerendag en pinksterweekend verscheen.

Maar de wereld om ons heen was al lang veranderd. Die verbaasde zich over die toename van christelijke activiteiten. Maar niet meer dan dat. Mooi. Maar niet meer dan de andere religieuze fenomenen in onze samenleving. Mensen om ons heen zijn niet zo religieus. Ze zijn niet op zoek naar God. Halen hun schouders op bij visjes achterop de auto of de tekst "Jezus redt" op het dak van een boerderij. Want het zegt ze niets. Niet meer dan andere uitingen van religie.

Waar mensen open komen is wanneer ze merken dat christenen oprecht naast hen staan. Niet oordelen, niet preken, maar hun leven uitleven. Christenen die oprechte belangstelling hebben voor het leven van hun naasten. Het heeft mij geholpen om uit mijn pinksterhokje te komen en midden in de wereld te staan. Midden tussen mensen te wonen en te ervaren wat zij ervaren. Niet met een oordeel klaar staan als zij iets doen wat ik niet begrijp. Maar mensen nemen zoals ze op dat moment zijn. Ze oprecht accepteren zoals ze zijn.

Een relatie van hart tot hart. Daar verlang ik naar. Niet vanuit een bekeringsdrang. God zorgt wel voor bekering op de juiste tijd. Niet vanuit een dubbele agenda. Maar vanuit oprechte belangstelling. Zonder hokjesdenken. Dus niet: aansluiten bij niet-christenen, maar: aansluiten bij deze wereld.

Deelname aan iftar maaltijd in de wijkmoskee

Onderstaand bericht staat op Klarendal.nl en spreekt voor zich. De foto trouwens ook. Op mijn verjaardag, nadat ik met mijn familie al Chinees had gegeten, was er nog een klein gaatje tijdens het bezoek aan de moskee. Met nog drie anderen vanuit Villa Klarendal aten we in de moskee.

Foto © Paul Clappers - Arnhem.direct

Van 31 augustus t/m 3 september is het Suikerfeest; Het Suikerfeest of het Kleine feest is het islamitisch feest waarop het einde van de maand ramadan gevierd wordt. Het Arabische id-oel-fitr betekent "feestdag ter gelegenheid van het breken (van het vasten)" (bron Wikipedia). De Ramadan is negende maand van de Islamitische maankalender waarin gevast word.

In Klarendal leven veel Islamieten en er is de Ayia Sofia Moskee aan de Sonsbeeksingel. Op initiatief van buurtpastor Geert Rozema vanuit de (nu) Eusebiusparochie (voorheen de Wijngaard) is er eind augustus uitgenodigd de moskee tijdens de Iftar te bezoeken. Dit initiatief werd ondersteund door Rijnstad Participatiewerker van Wijkcentra Klarendal en De Hommel Anja van Hal, Stichting Kruispunt en Villa Klarendal.

De oproep was op de wijkwebsite van Sint Marten en Sonsbeekkwartier gepubliceerd, daar volgde wat discussie. Maar op 23 augustus gingen zo'n twintig bewoners naar de informatieve ontmoetingsavond i.s.m. de Aya Sofia moskee.

De redactie van Klarendal.nl was niet bij, maar laten graag zien hoe de redactie van Arnhem direct dat wél was. Met dank aan Paul Clappers voor o.a. de foto.