Wie mij kent weet dat ik niet erg graag dagelijks hetzelfde doe in hetzelfde stramien. Sterker nog, zodra iets een routine of een sleur wordt, ben ik weg of begin ik me te vervelen. Soms kan het ook wel eens iets teveel van het goede zijn (voor mijn gevoel dan).
Zondag
Het begon op de eerste dag van de week die wij in gristelijk Nederland zo mooi de dag des Heren noemen. Dan houden we een brunch en viering in Villa Klarendal. Meestal is dat fijn, leuke gesprekken en samen gaan voor een goed verhaal. Dat was deze week ook wel zo, maar er werd een streep doorheen gehaald door allerlei stapelingen van irritaties op die dag. Omdat anderen er bij betrokken zijn, wil ik niet in detail treden over het optreden van hen. Wij waren geïrriteerd en moesten dat met onze teamleden uitspreken. Voor je het weet ben je dan zomaar een uur later klaar met de afsluiting van het programma. Dodelijk vermoeiend is het om irritaties uit te spreken op een manier die niet bijtend overkomt op de ander. Dat is het ook omdat we zo met hart en ziel bezig zijn in dit werk. Als er dan dingen niet goed gaan, lijkt het alsof je weer eens met jezelf wordt geconfronteerd. Je zet jezelf voor de spiegel en vraagt je af of het aan jezelf ligt of aan de ander. Zo'n situatie is na zo'n gesprek niet gelijk uit het hoofd, laat staan uit het gevoel. Dus was er nog een hele dag waarbij hoofd en gevoel met andere dingen bezig waren dan de gewoonlijke zondagmiddagbezigheden.
Maandag
Na een wat onrustige nacht stond ik met letterlijke en figuurlijke pijn in de buik op. Om negen uur werd ik verwacht in een cursus projectmanagement die ik voor mijn werk mag volgen. Aangezien ik altijd een slow-starter ben op de dag, was het met buikpijn en al even weer mezelf erin gooien. Een dodelijk vermoeiend begin dus van de maandagochtend. Gelukkig hadden we vantevoren een leercurve ingevuld waaruit bleek dat er maar weinig studiebollen bij de cursus zitten die er van genieten om vier uur achtereen achter de tafel te zitten om de theorie tot zich te nemen. We werden al snel in de praktijk gegooid om zelf dingen uit te zoeken. Na een maaltijd en een iets langere theoriezit, kregen we huiswerk op voor de volgende keer en mochten we naar huis.
Voor mij niet dus, want mijn werk voor de gemeenteraad brengt soms met zich mee dat ik kan worden opgeroepen om stand-by te staan als er speciale vergaderingen zijn. Die was er dus maandagavond: de gemeenteraad van Arnhem moest een besluit nemen of er wel of niet moest worden ingestemd met een dwangakkoord om Arnhems trots Vitesse een schuld van ruim 12 miljoen euro kwijt te schelden. Goed, ik was er die avond, die al goed begon doordat mijn collega's pizza hadden besteld, maar mij daarbij voor het gemak waren vergeten. De jas die ik net had uitgedaan moest ik weer snel aandoen om zelf even mijn maaltijd bij elkaar te sprokkelen (op kosten van de baas, dat wel). Een halfuur later zat ik in pizzageuren een Thaise afhaalmaaltijd te verorberen. Terwijl ik dat deed kreeg ik mijn instructies voor die avond. Of ik de computer dichtbij de raadzaal kon bedienen. Bij die zaal was het een drukte van jewelste. Vanaf 18.00 uur kwamen de gasten binnen die bij de ingang als kaf van het koren werden gescheiden. Supporters en andere lieden die zich niet van tevoren hadden opgegeven door de deuren naar de hal. Bobo's, ambtenaren en andere hoogwaardigheidsbekleders met de lift naar de zaal of de publieke tribune voor de elite. Twee gescheiden werelden met twee verschillende redenen om te komen. De supporters met de bekende spreekkoren om hun cluppie een hart onder de riem te steken. De raadzaal en de publieke tribune om het vuur van het debat over het onderwerp mee te maken of om te horen hoe de Arnhemse Tweede Kamer zich zou uitspreken over het dilemma "spuiten of slikken" (of zoals een raadslid later in het openbaar verklaarde "in dit besluit moesten we een keuze maken tussen wurgen of verdrinken"). Drie uur later, waarbinnen ik tot wel tweemaal toe mijn taak mocht verrichten en voor de rest betaald rondliep om de sfeer op te snuiven, was de klus geklaard. De ruiten sneuvelden niet, de spreekkoren werden vervangen door lofliederen op het cluppie en haar redders, de redder der redders wuifde het voetvolk als een Ceauscescu toe. Dodelijk vermoeid sloften mijn collega en ik naar de kelder waar we nog mochten nagenieten van wat zo mooi "een hapje en een drankje" wordt genoemd. Net zomin als ik een oordeel vel over teamleden, zal ik een oordeel vellen over de besluitvorming van die avond. De entourage was prachtig. Over de uitkomst mag ieder het zijne zeggen.
Na zo'n avond leg ik niet direct mijn hoofd in het kussen en moest er even onthaast worden. Aneta geeft elke maandagavond een computerles in de wijk, waar ik haar in ondersteun als ik geen avondwerk heb. Dus praatten we even na over haar belevenissen en die van mij. Nog een drankje wordt dan ter hand genomen en door de keel gegoten, waarna de aangename rust toch de overhand nam.
Dinsdag
De slow-starter liet zich niet eerder dan tien uur op het stadhuis zien de volgende ochtend. Die dag stond natuurlijk in het teken van terugkijken op de vorige dag die door ons tot in de puntjes was georganiseerd. En over de consequenties van de besluitvorming die voor ons weer nieuw werk met zich meebracht, waardoor een collega al weer een hele dag zoet was om griffies in andere steden te bellen voor advies over de inrichting van een raadsonderzoek (een uitgeklede soort parlementaire enquete). Eigenlijk was de maandagavond gereserveerd voor een gewone politieke avond. Onder druk van het gevaar van een faillissement van ons lokale sportieve suffertje moest die avond op stel en sprong worden verplaatst naar de dinsdag. Dus werd de rest van de dag ingeruimd voor het organiseren en voorbereiden van de avond, tussen alle hectische gesprekken over voetbalperikelen door. Aneta had overdag ook nog een sollicitatiegesprek, dus werd er tussendoor ook nog eens op die manier contact gelegd met mijn thuisfront. De pizza en Thai werd die avond vervangen door een gezonde vegetarische maaltijd waarvoor we even buitengaats mochten gaan. De rest van de avond werd besteed met het aanhoren en gelijktijdig aan de laptop toevertrouwen van meningen en standpunten over zes verschillende onderwerpen variërend van de visie over cultuureducatie, de begroting van de lokale sociale werkplaats tot discussies over de opvang voor dak- en thuislozen. Interessant genoeg om mijn hoofd erbij te houden (wat toch wel nodig was, anders weet niemand over een paar weken meer wat erover gezegd is), maar, je raadt het al, dodelijk vermoeiend, omdat ik van zeven uur tot halfelf bijna aan een stuk door de concentratie vast moest houden, moest luisteren en moest schrijven. Na het bijeen harken van alle belangrijke overgebleven papieren, naambordjes, EHBO-dozen en mijn laptop, kon ik genieten van een rustig wandelingetje naar huis, alwaar ik neerzeeg en evenals de vorige dag met een hapje en drankje mijn ei kwijt kon en mocht horen hoe Aneta de dag met sollicitatie, boodschappen doen en de tweede computercursus van de week (weer zonder mij) was doorgekomen. Na zo'n supergeconcentreerde avond, voorafgegaan door een enerverende andere avond en een persoonlijk vermoeiende dag daarvoor, bemerkte ik terwijl ik probeerde te slapen dat mijn lichaam protesteerde tegen mijn enerverende leven. Met een gepiep in mijn hoofd probeerde mijn lichaam de dodelijke vermoeidheid kwijt te raken.
Woensdag
Gelukkig was de moeheid er de volgende ochtend al redelijk uit geslapen. Om ongeveer dezelfde tijd als de dag daarvoor tengevolge van een verplichte wandeling omdat dochterlief haar fiets nog bij de fietsdokter had staan en zij bijgevolg mijn fiets maar had meegenomen. De dagelijkse rituelen van computer aanzetten, inloggen, koffie halen en bijpraten waren er bijna niet bij, want ik zat nog maar net of een collega vroeg me om die dag wat brieven te versturen die van belang waren voor een bijeenkomst die we volgende week weer houden. Daardoor kon ik pas tegen twaalf uur een start maken met het uitwerken van de verslagen van de avond daarvoor. Dat doe ik het liefst direct de dag erna, omdat de inhoud van de vergaderingen dan nog vers in mijn hoofd zitten. Nog voor ik aan het einde van mijn eerste verslag was, werd ik gestoord door mijn chef die me vroeg welk drinken hij voor mij kon meenemen. Dat noopte mij ertoe op de klok te kijken, waardoor ik tot de ontdekking kwam dat het alweer tijd was voor een regelmatig een-op-een gesprek met hem. Verslag moest aan de kant en we konden driekwartier aan de klets over onszelf, het werk en alles wat daartussen zat. Daarna lonkte het verslag weer en zag ik in mijn tas mijn brooddoos nog liggen. Het gebeurt nogal eens dat de inhoud daarvan wordt opgegeten terwijl ik bezig ben met zo'n verslag en dat deed ik toen ook maar weer eens. Niet zo gezond voor lijf en leden, maar ik bedacht me dat ik mijn pauze op een andere keer wel weer zou inhalen. Om en nabij halfzes, later dan gepland, liep ik terug naar huis. Daar zat mijn wekelijkse woensdag-eet-vriend Michiel klaar om samen met mij aan te vallen. Aneta had al naar het werk gebeld op het moment dat ik al weg was en besefte dat de tijd tussen werk en thuiskomen langer zou duren omdat ik nog steeds niet de loopsnelheid van een fiets heb kunnen halen. Het is altijd genieten om met mijn eetvriend te dineren, want we spreken over van alles en nog wat: wat we meemaken, waar we over nadenken, frustraties, moeilijkheden of gewone leuke dingen. Om zeven uur vielen zijn ogen bijna dicht van al het lekkers en de intensieve gesprekken en moest hij snel opstappen om zijn volgende afspraak te halen. Niet lang daarna trok ik ook mijn jas weer aan om naar een kort overleg te gaan van de Voedselbank, waarvan ik in onze wijk de coördinator ben. Een prettig fietstochtje eindigde in een dorpje naast Arnhem waar ik met koffie en koek werd ontvangen. Gelukkig een kort overleg, want al vijf kwartier later kon ik de terugtocht alweer ondernemen. De bank was thuis gewillig, evenals de computer die ik gedurende een korte tijd mocht raadplegen. Nadat Aneta rond halftwaalf vertrok voor haar regelmatige vliegmeerdaagse, stapte ik iets na twaalven het bed in om snel in slaap te kunnen sukkelen.
Donderdag
En zo zijn we aanbeland in de dag van vandaag die het uitwerken van de rest van de verslagen op het werk met zich meebracht. Daar had ik toch nog een groot deel van de dag voor nodig, naast allerlei kleine klusjes, telefoontjes en andere kleinigheden waardoor de dag vol loopt met zaken waardoor ik achteraf me afvraag wat ik nu zoal heb gedaan. Een verlate vraag van een collega over adressen uit het verleden en of ik mogelijk mensen ken die aan een activiteit over een paar weken mee kunnen doen zorgde n ervoor dat ik pas rond zes uur moest bellen naar Villa Klarendal dat ik later zou komen. Eens in de twee weken bidden we namelijk samen met wijkbewoners voor de wijk. En eenmaal per maand begint dat met een gezamenlijke maaltijd. Dus door wind en regen naar huis gereden, mijn tas en paasgeschenk van het werk daar achter gelaten, mijn dochter voorzien van een euro voor de meidenclub op het wijkcentrum en weer snel door naar Villa Klarendal. Het was weer een gezellige maaltijd, waarin we konden meeleven met het leven van een van de wijkbewoners die haar belevenissen van de afgelopen periode vertelde. Daarna baden we voor de activiteiten die we in de wijk mogen doen.
Heb je nog wel een leven?
Waarom schrijf ik dit nu? Misschien om een inkijkje te geven in mijn leven. De manier te laten zien waarop ik geniet van alles wat ik doe. De frustratie die ik soms heb om meer in de wijk te kunnen doen en te worden tegengehouden door de hectiek van alle dag. De vragen die soms door mijn hoofd heen spelen als "wat heeft het allemaal voor zin", "waar doe ik het allemaal toch voor". Ik raad niet iedereen aan te leven zoals wij dat doen. Ik ben bang dat ik in dit verhaaltje nog zeker een aantal dingen ben vergeten die tussendoor gebeuren. De moderne media zorgen ervoor dat je altijd overal bereikbaar bent. Waardoor het wijkcentrum telefonisch met een vraag komt. Waardoor we per mail het verslag van de computerlesvergadering krijgen. Waardoor een teamlid per mail of sms een vraag stelt die ik per ommegaande in enkele minuten beantwoord.
In dit soort weken mis ik mijn vrienden in de wijk. Het werk roept me en ik weet dat daar een deel van mijn taak ligt. Afgelopen maandag in de pauze tijdens de cursus liep ik naar de boekhandel om de "Waarom Pasen" DVD te kopen. Die gaan we uitdelen aan onze vrienden en vaste bezoekers van de Villa. Later sms'te een teamgenoot dat zij de DVD's al via internet had besteld. Ik was weer eens te snel geweest. Een dag later bedachten we dat de eigen gekochte DVD's als paaspresentje konden worden uitgedeeld aan collega's. Dat heb ik vandaag ook gedaan. Mooie reacties daarop. Geef mensen eens iets extra's en ze glunderen. Vooral degenen die op afdelingen werken waar ze alleen maar als voetveeg worden behandeld. Op het werk mis ik mijn wijk en al de dingen die ik daar zou kunnen doen of opzetten. Maar tegelijkertijd weet ik dat mijn werk ook weer een plek is waar mensen zijn die mij nodig hebben. En bij de Voedselbank, de computerles, het wijkcentrum....
De titel van de blog lijkt erg aanmatigend. Alsof het in het leven alleen maar gaat om veel werk te verzetten. Leuk als je ziek bent, door ouderdom niets meer kunt doen, of aan een chronische aandoening leidt. Het leven draait niet om het doen van veel werk. Ook wij zijn weleens ziek. Gelukkig kennen wij ook periodes waarin de druk allemaal ineens voorbij is. In mei, als de computerlessen stoppen, in juni als de laatste vergadering voorbij is. Dan is er het andere genieten van de rust...
Rust en drukte, ze horen beide bij het leven. Het enerverende leven dat we leiden doen we niet vanwege het enerverende aspect ervan. We doen het, omdat we de Here God willen dienen. De ene mag dat doen vanuit de studeerkamer in de boeken of achter de computer. Wij mogen dat doen in Villa Klarendal, computercursussen, Voedselbank, wijkcentrum, het gemeentehuis en in alle functies en vrijwilligerstaken die Aneta tot nu toe heeft uitgevoerd. De taak staat niet voorop: God staat voorop. Zoals Jezus bereid was te gaan. Zo mogen ook wij gaan.
...ook al is dat soms dodelijk vermoeiend. Maar ja, wat zei Jezus in Gethsemane en op Golgotha?
Blog van Rick Jansen over leven en werken als kerkelijk pionier in een achterstandswijk
donderdag 20 maart 2008
zaterdag 8 maart 2008
Niet mijn wil
Het was me het weekje wel. Zeker afgelopen donderdag was er bij ons thuis veel hectiek. Niet zozeer uiterlijk, maar veeleer innerlijk.
Het zou een week van verandering worden. Ik was woensdag uitgenodigd voor een tweede gesprek voor een nieuwe functie binnen de gemeente. Ik was nog de enige interne kandidaat. Dus alles leek in kannen en kruiken.
Aneta zou deze week haar vaste contract krijgen, volgens afspraak tussen haar, het uitzendbureau en het werk waar zij was gedetacheerd. Alles leek in kannen en kruiken.
Maar alles liep anders dan gedacht. Ik kreeg donderdag een telefoontje dat ze niet met mij doorgingen. Ze hadden teveel twijfel of ik zelfstandig genoeg was en of ik kon functioneren in een volledig nieuwe situatie. Ik dacht dat ik duidelijk had gemaakt dat dit twee sterke kanten van mijzelf waren, maar dat bleek niet te zijn overgekomen.
Aneta kwam donderdag bij haar chef. Die had met een telefoontje meegeluisterd. Op basis van dat telefoontje meldde hij haar dat zij niet met haar door zouden gaan. En, zei hij er nog droog achteraan, ik denk dat je niet meer in een telefonische helpdesk moet werken. Terugdenkend aan alle lovende kritiek die Aneta van meet af aan kreeg over haar manier van werken, was dit een domper van heb ik jou daar.
Hoe ga je daar nu als christen mee om. In beide gevallen hadden we de neiging er tegenin te gaan. "Hebben ze niet geluisterd?", "Kon er geen derde gesprek plaatsvinden?", "Is het doorgestoken kaart?", "hebben ze het moedwillig gedaan, omdat ze iets anders van plan waren?" Allemaal gedachten van onrechtvaardigheid gingen door ons heen.
Toch hadden we allebei van tevoren gebeden dat God zijn wil laat zien. Door een deur wijd open te zetten of hem met een duidelijk "nee" te sluiten. In ons beider geval was het laatste aan de orde. Toch blijft het een hard gelag. Zeker voor Aneta die zes maanden dag in dag uit werkte en bijna tien uur onderweg was om acht uur te werken. Dan krijg je allerlei positiviteiten over je heen en word je uiteindelijk om een dergelijke stomme reden weggestuurd. Voor mij was de knal niet zo hard, behalve dan dat de argumenten absoluut niet overkwamen met mijn eigenkennis en -gevoel.
In zo'n bevreemdende situatie komt ons geloof om de hoek kijken. Kan ik zeggen: "dank U God voor uw leiding"? Mag ik tevreden zijn met waar ik nu sta? In deze paasdagen denken we natuurlijk terug aan Jezus die op het zwaarst van de strijd uitsprak dat hij Gods wil wilde doen, niet zijn eigen wil. En hoeveel zin we ook hadden om dat nieuwe aan te gaan, we zijn bereid om die andere weg te gaan. God heeft ongetwijfeld iets veel beters in petto dan wijzelf kunnen bedenken. Ook al weten we nu nog niet hoe en wat. En ondertussen werken we gewoon door en genieten we van wat we mogen meemaken, want dat is zeker niet niks....
Het zou een week van verandering worden. Ik was woensdag uitgenodigd voor een tweede gesprek voor een nieuwe functie binnen de gemeente. Ik was nog de enige interne kandidaat. Dus alles leek in kannen en kruiken.
Aneta zou deze week haar vaste contract krijgen, volgens afspraak tussen haar, het uitzendbureau en het werk waar zij was gedetacheerd. Alles leek in kannen en kruiken.
Maar alles liep anders dan gedacht. Ik kreeg donderdag een telefoontje dat ze niet met mij doorgingen. Ze hadden teveel twijfel of ik zelfstandig genoeg was en of ik kon functioneren in een volledig nieuwe situatie. Ik dacht dat ik duidelijk had gemaakt dat dit twee sterke kanten van mijzelf waren, maar dat bleek niet te zijn overgekomen.
Aneta kwam donderdag bij haar chef. Die had met een telefoontje meegeluisterd. Op basis van dat telefoontje meldde hij haar dat zij niet met haar door zouden gaan. En, zei hij er nog droog achteraan, ik denk dat je niet meer in een telefonische helpdesk moet werken. Terugdenkend aan alle lovende kritiek die Aneta van meet af aan kreeg over haar manier van werken, was dit een domper van heb ik jou daar.
Hoe ga je daar nu als christen mee om. In beide gevallen hadden we de neiging er tegenin te gaan. "Hebben ze niet geluisterd?", "Kon er geen derde gesprek plaatsvinden?", "Is het doorgestoken kaart?", "hebben ze het moedwillig gedaan, omdat ze iets anders van plan waren?" Allemaal gedachten van onrechtvaardigheid gingen door ons heen.
Toch hadden we allebei van tevoren gebeden dat God zijn wil laat zien. Door een deur wijd open te zetten of hem met een duidelijk "nee" te sluiten. In ons beider geval was het laatste aan de orde. Toch blijft het een hard gelag. Zeker voor Aneta die zes maanden dag in dag uit werkte en bijna tien uur onderweg was om acht uur te werken. Dan krijg je allerlei positiviteiten over je heen en word je uiteindelijk om een dergelijke stomme reden weggestuurd. Voor mij was de knal niet zo hard, behalve dan dat de argumenten absoluut niet overkwamen met mijn eigenkennis en -gevoel.
In zo'n bevreemdende situatie komt ons geloof om de hoek kijken. Kan ik zeggen: "dank U God voor uw leiding"? Mag ik tevreden zijn met waar ik nu sta? In deze paasdagen denken we natuurlijk terug aan Jezus die op het zwaarst van de strijd uitsprak dat hij Gods wil wilde doen, niet zijn eigen wil. En hoeveel zin we ook hadden om dat nieuwe aan te gaan, we zijn bereid om die andere weg te gaan. God heeft ongetwijfeld iets veel beters in petto dan wijzelf kunnen bedenken. Ook al weten we nu nog niet hoe en wat. En ondertussen werken we gewoon door en genieten we van wat we mogen meemaken, want dat is zeker niet niks....
dinsdag 19 februari 2008
En dan nu: feesten!!!
Mijn post over Missionaire Liedcultuur heeft op diverse blogs een reactie opgeleverd.
De leukste tot nu toe is een concrete uitwerking van mijn vraag om feestnummers. Johan ter Beek heeft de creatieve pen ter hand genomen en is met het volgende nummer gekomen. Als een "klein kadootje voor de Villa". Met dank neem ik hem hier over.

HET LAATSTE VEL
(refrein)
Denk niet bij het laatste vel, wie na mij komt, wie na mij komt
Denk niet bij het laatste vel, die redt zich wel.
La, la, la, la, laaaaa, la, laaaa, la, la, la
La, la, la ,la, laaaaa. la, la, la, la, laaaa
(couplet1)
Ik zat laatst een te poepen, de hele pot lag vol!
Het bleef ook erg plakken en dat was echt geen lol.
Een regenwoud aan WC papier verdween toen in de pot.
En toen het laatste vel bedrukt was ging de deur weer van het slot.
(refrein)
(couplet2)
Nu praat ik over het milieu, 't is net een scheiterij.
Ik stinkt haast m'n auto uit als ik in die file rij.
Mijn kinderen zullen nooit meer spelen in bossen zoals hier.
Want die zijn gekapt voor meubels en voor WC papier!
(refrein)
(couplet3)
En als je wil geloven, dan lees je in de bijbel:
Gods liefde staat geschreven en wel tot op HET LAATSTE VEL.
En als je dat gelezen hebt en je doet het boek weer dicht...
dan ben je een sukkel als je denkt: ik ben tot niets verplicht.
want... ik... zeg.... (refrein 2-18x met polonaise)
Wie volgt???
De leukste tot nu toe is een concrete uitwerking van mijn vraag om feestnummers. Johan ter Beek heeft de creatieve pen ter hand genomen en is met het volgende nummer gekomen. Als een "klein kadootje voor de Villa". Met dank neem ik hem hier over.
HET LAATSTE VEL
(refrein)
Denk niet bij het laatste vel, wie na mij komt, wie na mij komt
Denk niet bij het laatste vel, die redt zich wel.
La, la, la, la, laaaaa, la, laaaa, la, la, la
La, la, la ,la, laaaaa. la, la, la, la, laaaa
(couplet1)
Ik zat laatst een te poepen, de hele pot lag vol!
Het bleef ook erg plakken en dat was echt geen lol.
Een regenwoud aan WC papier verdween toen in de pot.
En toen het laatste vel bedrukt was ging de deur weer van het slot.
(refrein)
(couplet2)
Nu praat ik over het milieu, 't is net een scheiterij.
Ik stinkt haast m'n auto uit als ik in die file rij.
Mijn kinderen zullen nooit meer spelen in bossen zoals hier.
Want die zijn gekapt voor meubels en voor WC papier!
(refrein)
(couplet3)
En als je wil geloven, dan lees je in de bijbel:
Gods liefde staat geschreven en wel tot op HET LAATSTE VEL.
En als je dat gelezen hebt en je doet het boek weer dicht...
dan ben je een sukkel als je denkt: ik ben tot niets verplicht.
want... ik... zeg.... (refrein 2-18x met polonaise)
Wie volgt???
zaterdag 16 februari 2008
Missionaire liedcultuur
Terwijl ik nadacht over het "succes"-verhaal van Matthijs Vlaardingerbroek (zie mijn vorige blog), moest ik aan iets anders denken. Ik wilde dat in mijn reactie op zijn weblog zetten, maar ik denk dat het beter is een aparte blog daarover te schrijven.
Het heeft namelijk te maken met de hele discussie over de liedcultuur in de evangelische en charismatische gemeentes (ik mag inmiddels wel kerken zeggen). Daarin neemt de liederenbundel van Opwekking een centrale plek in. In de discussie daarover las ik een lezenswaardige bijdrage van Kees van Zetten in het Friesch Dagblad van dinsdag 12 februari jl. (met dank aan weblog Kole's Queeste).
Van Zetten begint zijn artikel met de opmerking dat zijn kritiek wordt gegeven vanuit betrokkenheid met deze liedcultuur en de mensen erachter. En dat iedereen kan constateren dat deze liedcultuur voor veel mensen een grote zegen is. Dat is voor hem van belang om aan te geven vanuit welke achtergrond de kritiek wordt gegeven. Het citaat waar ik dieper op wil ingaan begint hij met de opmerking dat er genoeg aan te merken is op het opwekkingslied. Daarna gaat hij verder:
"Ik beperk me tot enkele essentiële punten. Het belangrijkste is de ijking aan de grondwet van het kerklied: de psalmen. Er zit behoorlijk wat frictie tussen deze twee. De in de opwekkingsbundel opgenomen psalmen bestaan uit positief gekleurde fragmenten. Op zich kunnen dit goede liederen zijn, maar ze missen een aardedraad. In dit verband leidt de kennelijk gewenste schifting tussen ‘liederen die op God gericht zijn’ en ‘liederen die al te mensgericht zijn’ tot een uiterst merkwaardige discussie. Immers, in de psalmen komen beide kanten aan het woord. Het psalter staat bol van existentieel-menselijke beleving én het goddelijke gegenüber. Het is - Buberiaans gezegd - het boek van de Ontmoeting waar beide partijen elkaar vinden of soms niet.. Wat bijvoorbeeld te denken van psalm 95 en 89 die beginnen met uitbundige lofprijzing en overgaan in een tomeloze klacht?"
Dit citaat raakt me diep. In onze zoektocht naar goede, fijne, positieve teksten waardoor we gezegend worden en we God aanbidden, zijn we de menselijke kant kwijtgeraakt. Ik kan me een zangleider herinneren die zei dat hij bij lied 497 "ik wil leven door uw Geest" niet uit de voeten kon met de zinsnede "Ieder woord schiet te kort en ik voel me verward...", want: als christen kun je toch niet verward zijn, laat staan erover zingen! Hij zong dan maar "verwarmd".
In de cultuur van positivisme lijken onze aanbiddingsliederen te worden meegezogen. Het zijn prachtige liederen, maar gaan maar naar een kant toe: van mij naar God. Dat er daarnaast nog een menselijke kant is met emoties waaruit verdriet, twijfel, woede, angst spreken; dat wordt in die liederen niet (of nauwelijks) meer geuit. De vraag is dan ook of die emoties, die vooral te maken hebben met onze eigen gebrokenheid, uit die gemeentes worden weggeduwd (onder het mom van "we zijn toch overwinnaars?").
Is het tijd voor Opwekking om zich ook eens te richten op andersoortige liederen? In de christelijke liedcultuur mis ik de volksmuziek en de feestmuziek. Ik zou het heel prettig vinden als ik met een gerust hart een Opwekkingslied aan de straat met carnaval zou kunnen afspelen. Want als er al feestmuziek in de bundel is opgenomen, is die erg sterk gericht op de toekomst: wanneer Jezus komt, lopend door de gouden straten. Ik zie al voor me dat de swingende carnavalsoptocht voorbij komt en ik "dansend over de gouden straten" afspeel. Die straten zijn nu echt nog steeds van steen of asfalt, hoor!
Muziek en liederen die gericht zijn op het hier en nu, die de menselijke emotie aan- en uitspreken. Die mensen laat zeggen: "dit lied zegt precies de strijd, pijn en moeite die ik nu voel".
Wordt het tijd om de eerste "Villa"liederen op te nemen in de Opwekkingsbundel?
Het heeft namelijk te maken met de hele discussie over de liedcultuur in de evangelische en charismatische gemeentes (ik mag inmiddels wel kerken zeggen). Daarin neemt de liederenbundel van Opwekking een centrale plek in. In de discussie daarover las ik een lezenswaardige bijdrage van Kees van Zetten in het Friesch Dagblad van dinsdag 12 februari jl. (met dank aan weblog Kole's Queeste).
Van Zetten begint zijn artikel met de opmerking dat zijn kritiek wordt gegeven vanuit betrokkenheid met deze liedcultuur en de mensen erachter. En dat iedereen kan constateren dat deze liedcultuur voor veel mensen een grote zegen is. Dat is voor hem van belang om aan te geven vanuit welke achtergrond de kritiek wordt gegeven. Het citaat waar ik dieper op wil ingaan begint hij met de opmerking dat er genoeg aan te merken is op het opwekkingslied. Daarna gaat hij verder:
"Ik beperk me tot enkele essentiële punten. Het belangrijkste is de ijking aan de grondwet van het kerklied: de psalmen. Er zit behoorlijk wat frictie tussen deze twee. De in de opwekkingsbundel opgenomen psalmen bestaan uit positief gekleurde fragmenten. Op zich kunnen dit goede liederen zijn, maar ze missen een aardedraad. In dit verband leidt de kennelijk gewenste schifting tussen ‘liederen die op God gericht zijn’ en ‘liederen die al te mensgericht zijn’ tot een uiterst merkwaardige discussie. Immers, in de psalmen komen beide kanten aan het woord. Het psalter staat bol van existentieel-menselijke beleving én het goddelijke gegenüber. Het is - Buberiaans gezegd - het boek van de Ontmoeting waar beide partijen elkaar vinden of soms niet.. Wat bijvoorbeeld te denken van psalm 95 en 89 die beginnen met uitbundige lofprijzing en overgaan in een tomeloze klacht?"
Dit citaat raakt me diep. In onze zoektocht naar goede, fijne, positieve teksten waardoor we gezegend worden en we God aanbidden, zijn we de menselijke kant kwijtgeraakt. Ik kan me een zangleider herinneren die zei dat hij bij lied 497 "ik wil leven door uw Geest" niet uit de voeten kon met de zinsnede "Ieder woord schiet te kort en ik voel me verward...", want: als christen kun je toch niet verward zijn, laat staan erover zingen! Hij zong dan maar "verwarmd".
In de cultuur van positivisme lijken onze aanbiddingsliederen te worden meegezogen. Het zijn prachtige liederen, maar gaan maar naar een kant toe: van mij naar God. Dat er daarnaast nog een menselijke kant is met emoties waaruit verdriet, twijfel, woede, angst spreken; dat wordt in die liederen niet (of nauwelijks) meer geuit. De vraag is dan ook of die emoties, die vooral te maken hebben met onze eigen gebrokenheid, uit die gemeentes worden weggeduwd (onder het mom van "we zijn toch overwinnaars?").
Is het tijd voor Opwekking om zich ook eens te richten op andersoortige liederen? In de christelijke liedcultuur mis ik de volksmuziek en de feestmuziek. Ik zou het heel prettig vinden als ik met een gerust hart een Opwekkingslied aan de straat met carnaval zou kunnen afspelen. Want als er al feestmuziek in de bundel is opgenomen, is die erg sterk gericht op de toekomst: wanneer Jezus komt, lopend door de gouden straten. Ik zie al voor me dat de swingende carnavalsoptocht voorbij komt en ik "dansend over de gouden straten" afspeel. Die straten zijn nu echt nog steeds van steen of asfalt, hoor!
Muziek en liederen die gericht zijn op het hier en nu, die de menselijke emotie aan- en uitspreken. Die mensen laat zeggen: "dit lied zegt precies de strijd, pijn en moeite die ik nu voel".
Wordt het tijd om de eerste "Villa"liederen op te nemen in de Opwekkingsbundel?
Mooi werk, moeilijk werk
De afgelopen dagen heeft Matthijs Vlaardingerbroek zich in zijn weblog uitgesproken over het gevaar dat we over ons werk als christenen alleen maar positief nieuws verspreiden.
Ik denk dan na over de afgelopen jaren die we nu in Villa Klarendal bezig zijn. Nog geen twee maanden na de eerste brunch en viering zaten we al vol met bijna 30 mensen. Bezoekers vonden het gezellig en leuk en kwamen graag.
Langzamerhand begonnen we hen wat beter te leren kennen en zagen we een driedeling tussen bezoekers. Sommigen genoten werkelijk van het eten en de onderlinge contacten (hoewel sommigen zelfs met het laatste moeite hadden, want de rest was wel heel erg "zwart"). Anderen vonden de bijbelverhalen ook heel mooi. Een derde groep wilde met die bijbelverhalen ook graag iets in hun persoonlijke leven doen.
We zijn nu tweeëneenhalf jaar verder. Vorige week hadden we als team een gezellig etentje waar we allerlei vragen bespraken. Een van de vragen was waarom de laatste tijd veel minder volwassenen komen. Er is namelijk een vaste kern kinderen dat gemiddeld een keer per twee weken komt (de andere week zijn ze een weekendje bij de eigen vader of moeder). Het aantal vaste volwassen bezoekers is geslonken tot een kleine tien mensen.
Mijn antwoord op deze vraag was dat het nieuwtje er voor sommigen ervan af is. Ze hebben het gezien, er is weer iets anders voor in de plaats gekomen waar ze nu al hun tijd in steken (het is zo druk - ik heb een kleinkind - ik ben veel ziek). Waar richten we onze aandacht dan nu op, is de vraag. Laten we die mensen die ooit geweest zijn en die nu minder vaak komen hun eigen gang gaan, of doen we alle moeite om hen erbij te blijven betrekken? Vragen waar we niet direct antwoord op hebben. Voor mijzelf hoef ik niet zo nodig tijd te steken in mensen die niet verder willen. We bieden het aan en ze komen niet (meer).
Was het Jezus zelf niet die een verschil maakte tussen de menigte (de mensen die hem volgden omdat hij zo interessant was en mensen genas) en zijn volgelingen? Hij besteedde een groot deel van zijn tijd aan die laatste groep. Dat waren er uiteindelijk maar twintig of twaalf (afhankelijk van of je vrouwen bij die groep rekent). Toen de menigte zich na verloop van tijd van Hem afkeerde (het nieuwtje was eraf, zijn boodschap was toch wel heel moeilijk), vroeg hij zijn volgelingen of zij die menigte ook niet moesten volgen. Ze bleven en toonden daarmee werkelijk volgeling van Jezus te zijn. Dat aantal volgelingen was maar klein in de ogen van modernistische gemeentegroei experts. Het was toch dat aantal, dat werd uitgezonden en een verandering teweeg bracht in de toenmalige wereld.
In die zin is ons werk in de wijk moeilijk. We moeten namelijk daarmee ook onze eigen wensen en gedachten achter ons laten en niet blijven denken in termen van aantallen, maar leren denken in termen van kwaliteit. Bovendien zien we de mensen die wel komen niet alleen op zondag, maar ook op meerdere dagen in de week. Niet alleen de zondag waarop bijbels onderwijs wordt gegeven is heilig. Ook de dagen waarop we samen werken, samen met mensen op straat kletsen of sociaal werk doen zijn belangrijk om mensen te helpen iets van Jezus' liefde te laten zien.
Tegelijkertijd moeten we dit in het totale perspectief blijven zien. Elke dag spreken we met mensen in onze buurt over belangrijke zaken in het leven (waaronder over het geloof), waar gevestigde kerken jaren zonder succes bezig zijn geweest deze wijk te beëvangeliseren. Regelmatig vinden er clubs plaats waar mensen, kinderen en jongeren, kunnen zien hoe gelovigen reageren en leven. De groep mensen die ons kent groeit met behoorlijke regelmaat. Het grootste deel van deze mensen heeft nog nooit een kerk van binnen gezien. Ik vrees dat ze, naast ons, alleen maar christenen zijn tegengekomen die schreeuwend een "bekeer u" preek afstaken richting het winkelend publiek. Het zal dan ook een tijd duren voordat we met deze groep mensen over het geloof zullen spreken. Maar ik weet dat God werkt in rustige groei en niet met haast of manipulatie. Laat die mensen dus maar rustig genieten van de dingen die we samen met hen of voor hen doen. Wat begint met een positief woordje of een knipoog, kan uiteindelijk uitgroeien tot iemand die er echt voor gaat
Ik wil geen positief nieuws verspreiden, maar ook geen negatief nieuws. Er is een tijd om te genieten van de mooie dingen en de vele mensen die op een activiteit afkomen. Er zijn tijden waarop bepaalde dingen wat minder mensen trekken. Daarom wil ik eerlijke verhalen vertellen. Van genieten van succes tot zweten en tranen op momenten dat het minder gaat. En of dat "minder" nu ook minder is in de ogen van God is dan maar de grote vraag.
Missionair werk: het is vallen en opstaan; lachen en huilen; werken en uitrusten; praten en luisteren. Missionair werk is daarom volgens mij niet anders dan het gewone leven. Als wij maar bereid zijn ons te geven en niet bij de minste geringste tegenslag de oren te laten hangen. Mocht dat wel gebeuren (niets menselijks is ons vreemd), dan willen we opnieuw de ogen en al het andere dat in ons is ten hemel richten om ons nieuwe moed, nieuwe kracht en nieuwe ogen te geven om weer door te gaan.
Ik denk dan na over de afgelopen jaren die we nu in Villa Klarendal bezig zijn. Nog geen twee maanden na de eerste brunch en viering zaten we al vol met bijna 30 mensen. Bezoekers vonden het gezellig en leuk en kwamen graag.
Langzamerhand begonnen we hen wat beter te leren kennen en zagen we een driedeling tussen bezoekers. Sommigen genoten werkelijk van het eten en de onderlinge contacten (hoewel sommigen zelfs met het laatste moeite hadden, want de rest was wel heel erg "zwart"). Anderen vonden de bijbelverhalen ook heel mooi. Een derde groep wilde met die bijbelverhalen ook graag iets in hun persoonlijke leven doen.
We zijn nu tweeëneenhalf jaar verder. Vorige week hadden we als team een gezellig etentje waar we allerlei vragen bespraken. Een van de vragen was waarom de laatste tijd veel minder volwassenen komen. Er is namelijk een vaste kern kinderen dat gemiddeld een keer per twee weken komt (de andere week zijn ze een weekendje bij de eigen vader of moeder). Het aantal vaste volwassen bezoekers is geslonken tot een kleine tien mensen.
Mijn antwoord op deze vraag was dat het nieuwtje er voor sommigen ervan af is. Ze hebben het gezien, er is weer iets anders voor in de plaats gekomen waar ze nu al hun tijd in steken (het is zo druk - ik heb een kleinkind - ik ben veel ziek). Waar richten we onze aandacht dan nu op, is de vraag. Laten we die mensen die ooit geweest zijn en die nu minder vaak komen hun eigen gang gaan, of doen we alle moeite om hen erbij te blijven betrekken? Vragen waar we niet direct antwoord op hebben. Voor mijzelf hoef ik niet zo nodig tijd te steken in mensen die niet verder willen. We bieden het aan en ze komen niet (meer).
Was het Jezus zelf niet die een verschil maakte tussen de menigte (de mensen die hem volgden omdat hij zo interessant was en mensen genas) en zijn volgelingen? Hij besteedde een groot deel van zijn tijd aan die laatste groep. Dat waren er uiteindelijk maar twintig of twaalf (afhankelijk van of je vrouwen bij die groep rekent). Toen de menigte zich na verloop van tijd van Hem afkeerde (het nieuwtje was eraf, zijn boodschap was toch wel heel moeilijk), vroeg hij zijn volgelingen of zij die menigte ook niet moesten volgen. Ze bleven en toonden daarmee werkelijk volgeling van Jezus te zijn. Dat aantal volgelingen was maar klein in de ogen van modernistische gemeentegroei experts. Het was toch dat aantal, dat werd uitgezonden en een verandering teweeg bracht in de toenmalige wereld.
In die zin is ons werk in de wijk moeilijk. We moeten namelijk daarmee ook onze eigen wensen en gedachten achter ons laten en niet blijven denken in termen van aantallen, maar leren denken in termen van kwaliteit. Bovendien zien we de mensen die wel komen niet alleen op zondag, maar ook op meerdere dagen in de week. Niet alleen de zondag waarop bijbels onderwijs wordt gegeven is heilig. Ook de dagen waarop we samen werken, samen met mensen op straat kletsen of sociaal werk doen zijn belangrijk om mensen te helpen iets van Jezus' liefde te laten zien.
Tegelijkertijd moeten we dit in het totale perspectief blijven zien. Elke dag spreken we met mensen in onze buurt over belangrijke zaken in het leven (waaronder over het geloof), waar gevestigde kerken jaren zonder succes bezig zijn geweest deze wijk te beëvangeliseren. Regelmatig vinden er clubs plaats waar mensen, kinderen en jongeren, kunnen zien hoe gelovigen reageren en leven. De groep mensen die ons kent groeit met behoorlijke regelmaat. Het grootste deel van deze mensen heeft nog nooit een kerk van binnen gezien. Ik vrees dat ze, naast ons, alleen maar christenen zijn tegengekomen die schreeuwend een "bekeer u" preek afstaken richting het winkelend publiek. Het zal dan ook een tijd duren voordat we met deze groep mensen over het geloof zullen spreken. Maar ik weet dat God werkt in rustige groei en niet met haast of manipulatie. Laat die mensen dus maar rustig genieten van de dingen die we samen met hen of voor hen doen. Wat begint met een positief woordje of een knipoog, kan uiteindelijk uitgroeien tot iemand die er echt voor gaat
Ik wil geen positief nieuws verspreiden, maar ook geen negatief nieuws. Er is een tijd om te genieten van de mooie dingen en de vele mensen die op een activiteit afkomen. Er zijn tijden waarop bepaalde dingen wat minder mensen trekken. Daarom wil ik eerlijke verhalen vertellen. Van genieten van succes tot zweten en tranen op momenten dat het minder gaat. En of dat "minder" nu ook minder is in de ogen van God is dan maar de grote vraag.
Missionair werk: het is vallen en opstaan; lachen en huilen; werken en uitrusten; praten en luisteren. Missionair werk is daarom volgens mij niet anders dan het gewone leven. Als wij maar bereid zijn ons te geven en niet bij de minste geringste tegenslag de oren te laten hangen. Mocht dat wel gebeuren (niets menselijks is ons vreemd), dan willen we opnieuw de ogen en al het andere dat in ons is ten hemel richten om ons nieuwe moed, nieuwe kracht en nieuwe ogen te geven om weer door te gaan.
donderdag 31 januari 2008
Missionair en Deep Throat
Komende zondag wordt door de VPRO en BNN de pornofilm "Deep Throat" uitgezonden. Dit heeft tot grote beroering geleid in ons land. Althans, de minister van Jeugd en Gezin heeft een "moreel appèl" gedaan op de omroepen om de uitzending niet te laten doorgaan. De omroepen hebben gereageerd dat ze de uitzending toch door laten gaan. Daarop heeft de minister verklaard te laten uitzoeken of de film kan worden verboden.
Op zich een interessant gegeven. De politiek is er weer even zoet mee. Maar wat heeft dat te maken met het hoofdonderwerp van deze blog: missionair werken?
Deze manier van doen en reageren lijkt sterk op hoe veel christenen geneigd zijn te reageren als ze het ergens niet mee eens zijn. Als het ze niet lukt om de andersdenkenden te overtuigen van hun gelijk, zetten ze machtsmiddelen in zoals een verbod. Ik denk dat de minister van Jeugd en Gezin, ook nog eens partijleider van de ChristenUnie, daar de plank misslaat. Natuurlijk is dit goed voor de eigen achterban die hiermee niet wordt vervreemd van de eigen minister. Aan de andere kant worden christenen hiermee opnieuw in verband gebracht met hun neiging het eigen gedachtengoed op anderen te leggen.
Christenen zijn zeker in ons land een kleine minderheid. Daarmee zijn we niet minderwaardig. Maar dat moet ons wel aan het nadenken zetten hoe we omgaan met de andere groepen die anders denken dan wij. Staan we moreel boven hen en hebben we daarmee het recht om onzedelijke en in onze ogen immorele uitingen te verbieden? Of staan we naast hen en gaan daarmee het debat met hen aan. Juist in een tijd dat de EO een prachtig programma heeft "40 dagen zonder seks" waarin niet moraliserend wordt gepraat met jongeren op een niet EO-achtige, maar op een jongerenmanier, zenden VPRO en BNN deze film uit. Overigens gebeurt dat ook in een avondvullend programma waarin de hoofdrolspeelster van de film het woord krijgt over wat zij er nu van vindt dat zij erin heeft gespeeld. Seks wordt dus bespreekbaar gemaakt. Enerzijds door de EO, anderzijds door VPRO en BNN. Laat daarna de discussie maar losbarsten over wat de beste manier van seks bedrijven is.
In missionair werk kom ik regelmatig voor dit soort morele vragen te staan.
Hoe gaan we om met jongeren die op zoek zijn naar God, maar in een wel heel erg uitdagend bloesje de bijeenkomsten bezoeken? Sommigen willen hen al gelijk aanspreken op het gevaar van het dragen van die kleding en het eigenlijk liever direct verbieden (waar kijken de jongens naar?). Anderen waarderen de Caraïbische en Latijnsamerikaanse cultuur waar de meisjes vandaan komen en geven hen de ruimte om naar God toe te groeien die hen vanzelf wel zal laten zien wat goed en fout is (ook al blijft het heel moeilijk om mijn mannelijke ogen van die jong-vrouwelijke rondingen af te houden, die op deze manier zo fraai worden geëtaleerd).
Het is nog niet gebeurd, maar wat zou er gebeuren als naar God zoekende homostellen hand in hand bij ons in de Villa zouden komen? Ik denk dat we als team zouden slikken en nog even een extra schietgebedje naar boven zouden doen, zodat we wijsheid krijgen. Maar ik denk dat we dan diezelfde houding zouden moeten hebben: geef ze de vrijheid om te komen, naar God toe te groeien en laat God maar dusdanig in hen werken, zodat Hij aan hen kan doorgeven wat goed en niet goed voor hen is.
Missionair, dat betekent in deze tijd: naast mensen staan en ruimte geven voor hun anders-denken. Tot hoever dat gaat en wanneer de grens bereikt is waarop je dingen toestaat of moet gaan verbieden? Dat is een prachtig, maar o zo moeilijk spanningsveld, waarop we alleen werkend, experimenterend en biddend het antwoord kunnen vinden.
Op zich een interessant gegeven. De politiek is er weer even zoet mee. Maar wat heeft dat te maken met het hoofdonderwerp van deze blog: missionair werken?
Deze manier van doen en reageren lijkt sterk op hoe veel christenen geneigd zijn te reageren als ze het ergens niet mee eens zijn. Als het ze niet lukt om de andersdenkenden te overtuigen van hun gelijk, zetten ze machtsmiddelen in zoals een verbod. Ik denk dat de minister van Jeugd en Gezin, ook nog eens partijleider van de ChristenUnie, daar de plank misslaat. Natuurlijk is dit goed voor de eigen achterban die hiermee niet wordt vervreemd van de eigen minister. Aan de andere kant worden christenen hiermee opnieuw in verband gebracht met hun neiging het eigen gedachtengoed op anderen te leggen.
Christenen zijn zeker in ons land een kleine minderheid. Daarmee zijn we niet minderwaardig. Maar dat moet ons wel aan het nadenken zetten hoe we omgaan met de andere groepen die anders denken dan wij. Staan we moreel boven hen en hebben we daarmee het recht om onzedelijke en in onze ogen immorele uitingen te verbieden? Of staan we naast hen en gaan daarmee het debat met hen aan. Juist in een tijd dat de EO een prachtig programma heeft "40 dagen zonder seks" waarin niet moraliserend wordt gepraat met jongeren op een niet EO-achtige, maar op een jongerenmanier, zenden VPRO en BNN deze film uit. Overigens gebeurt dat ook in een avondvullend programma waarin de hoofdrolspeelster van de film het woord krijgt over wat zij er nu van vindt dat zij erin heeft gespeeld. Seks wordt dus bespreekbaar gemaakt. Enerzijds door de EO, anderzijds door VPRO en BNN. Laat daarna de discussie maar losbarsten over wat de beste manier van seks bedrijven is.
In missionair werk kom ik regelmatig voor dit soort morele vragen te staan.
Hoe gaan we om met jongeren die op zoek zijn naar God, maar in een wel heel erg uitdagend bloesje de bijeenkomsten bezoeken? Sommigen willen hen al gelijk aanspreken op het gevaar van het dragen van die kleding en het eigenlijk liever direct verbieden (waar kijken de jongens naar?). Anderen waarderen de Caraïbische en Latijnsamerikaanse cultuur waar de meisjes vandaan komen en geven hen de ruimte om naar God toe te groeien die hen vanzelf wel zal laten zien wat goed en fout is (ook al blijft het heel moeilijk om mijn mannelijke ogen van die jong-vrouwelijke rondingen af te houden, die op deze manier zo fraai worden geëtaleerd).
Het is nog niet gebeurd, maar wat zou er gebeuren als naar God zoekende homostellen hand in hand bij ons in de Villa zouden komen? Ik denk dat we als team zouden slikken en nog even een extra schietgebedje naar boven zouden doen, zodat we wijsheid krijgen. Maar ik denk dat we dan diezelfde houding zouden moeten hebben: geef ze de vrijheid om te komen, naar God toe te groeien en laat God maar dusdanig in hen werken, zodat Hij aan hen kan doorgeven wat goed en niet goed voor hen is.
Missionair, dat betekent in deze tijd: naast mensen staan en ruimte geven voor hun anders-denken. Tot hoever dat gaat en wanneer de grens bereikt is waarop je dingen toestaat of moet gaan verbieden? Dat is een prachtig, maar o zo moeilijk spanningsveld, waarop we alleen werkend, experimenterend en biddend het antwoord kunnen vinden.
zondag 27 januari 2008
Motivatie voor het werk
Als reactie op mijn laatste blog schreef Johannes: Ik mis nog een label voor het stukje; liefde! Waarschijnlijk zit dat in al je stukjes, maar in deze proef ik het heel sterk.
Tja, die liefde. Die is er zeker. Toch denk ik dat lezers gemakkelijk het gevoel kunnen krijgen dat het ons wel heel gemakkelijk afgaat. Dat alles bij ons op rolletjes loopt en dat er helemaal niets mis gaat.
Nou, nee dus. Als ik zo terugkijk, is onze motivatie voor dit werk heel vaak op de proef gesteld. In onze relatie met bezoekers, tussen bezoekers onderling, tussen leden van het kernteam, met andere vrijwilligers, maar ook in praktische aangelegenheden. Onduidelijkheden en slechte afspraken onderling, waardoor er wrijving en irritatie ontstond; vrijwilligers die meer kwamen om te eten dat om te helpen terwijl wij als kernteamleden het vuur uit de sloffen liepen; bezoekers die na twee jaar nog steeds aan ons vroegen of we ze thee of koffie konden inschenken; een ruzie tussen twee bezoekers die zeer hoog opliep (gelukkig niet in de Villa zelf gebeurd); de waterleiding die bevroor, waardoor we met jerrycans en thermoskannen water uit ons eigen huis moesten sjouwen; kinderen die zeer irriterend waren en eerder kwamen om te keten dan om leuk mee te doen; moeheid, ziekte of lamlendigheid voorafgaand aan een brunch of diner waardoor we uitgeteld aan een zondag begonnen; kortom: we hebben alle vormen van problemen hebben we meegemaakt, waardoor een goed lopend project menselijkerwijs uiteen kan spatten.
Dan word je teruggeworpen op je motivatie. En komt de vraag naar boven waarvoor je het doet. Is het om eigen eer te behalen? Naar anderen te kunnen vertellen hoe goed het gaat? Of is er Iemand anders die ons tot dit werk heeft geroepen? Na verloop van tijd kwamen we op dat laatste uit.
Ik kan me herinneren dat ik heel vaak geen zin had om te beginnen. Dan sleepte ik me toch maar weer naar het gebouw toe. En vertelde de anderen hoe ik mezelf voelde. We baden vervolgens dat we kracht en nieuwe motivatie mochten krijgen. De ene keer was de lamlendigheid na afloop omgeslagen in vreugde. Mensen die allerlei vragen over het geloof stelden. Die het zo heerlijk gezellig vonden. En letterlijk zeiden dat ze "Gods rust ervaarden". Dan konden we alleen God maar danken dat Hij het opnieuw in ons mogelijk had gemaakt. En keerden we diep tevreden terug naar huis. Andere keren maakten we echter dingen mee, waardoor ons de moed nog verder in de schoenen zonk. Dat we moedeloos waren door allerlei situaties die we meemaakten. Dan legden we die situaties opnieuw terug bij de Here God. En gingen, teleurgesteld, weer terug naar huis. Ik heb daarvan geleerd, dat we niet alles in de hand hebben. Uiteindelijk is God degene die situaties en mensen kan veranderen. Soms werden we dan pas na maanden weer bemoedigd door veranderingen in die situaties of mensen. Maar in andere gevallen moesten we het ook bij God achterlaten zonder resultaat te zien.
In gevallen waarin we als team onderlinge irritaties ervoeren, hadden we de neiging die hard tegenover elkaar uit te spreken. Ook dan kwam weer de motivatievraag naar boven: "waar doe je dit voor...?" En leerden we de ander te respecteren met de eigen gaven, talenten en onzekerheden. We kozen dan voor het team en niet voor onze eigen wensen en gevoelens. Onze stelregel is daarom nu: "We zoeken als team gezamenlijk Gods weg. Als een van de teamleden zich niet kan verenigen met een bepaalde richting, zal dat (nog) niet de weg zijn waarop God ons leidt."
De motivatie moest dus telkens bij God vandaan worden gehaald. Hoezeer enthousiast we ook vaak zijn over ons werk, er blijven toch momenten waarop het enthousiasme ("geestdrift") tot op het nulpunt is gedaald. Dan hebben we een andere, diepere, Geestdrift nodig, die niet uit onszelf komt. Die alleen door die ene Geest kan worden aangewakkerd. Maar als die er is, merken mensen de echtheid van ons geloof. En zullen ze God door ons heen gaan ervaren. Al is dat voor ons gevoel door vallen en opstaan heen.
Tja, die liefde. Die is er zeker. Toch denk ik dat lezers gemakkelijk het gevoel kunnen krijgen dat het ons wel heel gemakkelijk afgaat. Dat alles bij ons op rolletjes loopt en dat er helemaal niets mis gaat.
Nou, nee dus. Als ik zo terugkijk, is onze motivatie voor dit werk heel vaak op de proef gesteld. In onze relatie met bezoekers, tussen bezoekers onderling, tussen leden van het kernteam, met andere vrijwilligers, maar ook in praktische aangelegenheden. Onduidelijkheden en slechte afspraken onderling, waardoor er wrijving en irritatie ontstond; vrijwilligers die meer kwamen om te eten dat om te helpen terwijl wij als kernteamleden het vuur uit de sloffen liepen; bezoekers die na twee jaar nog steeds aan ons vroegen of we ze thee of koffie konden inschenken; een ruzie tussen twee bezoekers die zeer hoog opliep (gelukkig niet in de Villa zelf gebeurd); de waterleiding die bevroor, waardoor we met jerrycans en thermoskannen water uit ons eigen huis moesten sjouwen; kinderen die zeer irriterend waren en eerder kwamen om te keten dan om leuk mee te doen; moeheid, ziekte of lamlendigheid voorafgaand aan een brunch of diner waardoor we uitgeteld aan een zondag begonnen; kortom: we hebben alle vormen van problemen hebben we meegemaakt, waardoor een goed lopend project menselijkerwijs uiteen kan spatten.
Dan word je teruggeworpen op je motivatie. En komt de vraag naar boven waarvoor je het doet. Is het om eigen eer te behalen? Naar anderen te kunnen vertellen hoe goed het gaat? Of is er Iemand anders die ons tot dit werk heeft geroepen? Na verloop van tijd kwamen we op dat laatste uit.
Ik kan me herinneren dat ik heel vaak geen zin had om te beginnen. Dan sleepte ik me toch maar weer naar het gebouw toe. En vertelde de anderen hoe ik mezelf voelde. We baden vervolgens dat we kracht en nieuwe motivatie mochten krijgen. De ene keer was de lamlendigheid na afloop omgeslagen in vreugde. Mensen die allerlei vragen over het geloof stelden. Die het zo heerlijk gezellig vonden. En letterlijk zeiden dat ze "Gods rust ervaarden". Dan konden we alleen God maar danken dat Hij het opnieuw in ons mogelijk had gemaakt. En keerden we diep tevreden terug naar huis. Andere keren maakten we echter dingen mee, waardoor ons de moed nog verder in de schoenen zonk. Dat we moedeloos waren door allerlei situaties die we meemaakten. Dan legden we die situaties opnieuw terug bij de Here God. En gingen, teleurgesteld, weer terug naar huis. Ik heb daarvan geleerd, dat we niet alles in de hand hebben. Uiteindelijk is God degene die situaties en mensen kan veranderen. Soms werden we dan pas na maanden weer bemoedigd door veranderingen in die situaties of mensen. Maar in andere gevallen moesten we het ook bij God achterlaten zonder resultaat te zien.
In gevallen waarin we als team onderlinge irritaties ervoeren, hadden we de neiging die hard tegenover elkaar uit te spreken. Ook dan kwam weer de motivatievraag naar boven: "waar doe je dit voor...?" En leerden we de ander te respecteren met de eigen gaven, talenten en onzekerheden. We kozen dan voor het team en niet voor onze eigen wensen en gevoelens. Onze stelregel is daarom nu: "We zoeken als team gezamenlijk Gods weg. Als een van de teamleden zich niet kan verenigen met een bepaalde richting, zal dat (nog) niet de weg zijn waarop God ons leidt."
De motivatie moest dus telkens bij God vandaan worden gehaald. Hoezeer enthousiast we ook vaak zijn over ons werk, er blijven toch momenten waarop het enthousiasme ("geestdrift") tot op het nulpunt is gedaald. Dan hebben we een andere, diepere, Geestdrift nodig, die niet uit onszelf komt. Die alleen door die ene Geest kan worden aangewakkerd. Maar als die er is, merken mensen de echtheid van ons geloof. En zullen ze God door ons heen gaan ervaren. Al is dat voor ons gevoel door vallen en opstaan heen.
vrijdag 25 januari 2008
Missionair en diaconaal
Missionair. Dat wordt vaak gelijkgesteld met mensen die het geloof verkondigen. Die de straat op gaan en daar hun geloof uitdragen.
Diaconaal. Dat wordt vaak gelijkgesteld aan mensen die helpen en naast mensen staan. Die de straat op gaan om daar de medemens te ondersteunen.
Dat het een samen kan gaan met het andere, was tot voor kort niet denkbaar. Wie diaconaal was, was er voor mensen en geen haar op zijn hoofd dacht eraan om iets te vertellen over zijn geloof. Wie missionair was, was er om te verkondigen en geen enkel celletje in zijn brein dacht eraan hoe belangrijk het is om naast mensen te staan die het moeilijk hebben.
Gelukkig begint er kentering te komen in die schijnbare tegenstellingen. Want dat zijn ze. Ik zie toch steeds weer hoe die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Missionair betekent niet altijd verkondigen. Diaconaal betekent niet altijd alleen maar helpen.
Ik zag dat deze week weer. Woensdag werd ik gevraagd door een goede bekende uit de buurt om samen met haar een sollicitatiebrief te schrijven voor een vacature die ik haar zelf had opgestuurd. Dan ben je een avond bezig om iemand te helpen verder te komen in de samenleving, te leren een sollicitatiebrief te schrijven en zekerheid te krijgen in de vaardigheid om dat voortaan zelf te doen. Tussentijds en voorafgaand daaraan hadden we korte gesprekjes rondom de koffie. Het ging dan om het leven, maar ook over het geloof. Praktische daden gaan op een natuurlijke manier samen met een gesprekje over het geloof.
Vanmiddag werd ik opgebeld door een vrouw die een wekelijks voedselpakket van ons krijgt. Anderen deelden vandaag de voedselpakketten uit (ik ging naar een oudermiddag van mijn zoon die in opleiding is bij de landmacht in Assen...). Deze vrouw was vrij laat, daarom trok ik snel mijn jas aan en rende twee minuten verder naar de plek waar de voedselpakketten worden uitgedeeld om de anderen te vragen nog iets langer te blijven. Natuurlijk ging ik niet gelijk weg, hadden we een gesprekje over hoe het vandaag ging en wat er goed en fout was gegaan. De vrouw kwam toen ik er nog was en we raakten nog kort in gesprek. Niet over geloof of over God, maar wel over zaken die haar raakten. De geplande vijf minuten werden er twintig. Dan is het belangrijk om niet op de tijd te letten, maar oog te hebben voor degene met wie ik sprak.
Thuisgekomen ging de telefoon. Of we een bekende uit de wijk tien euro konden lenen. Dat wil ik graag eerst met mijn vrouw overleggen. Samen zeiden we dat het voor deze vrouw beter was om een voedselpakket ter waarde van tien euro samen te stellen, omdat zij de neiging heeft naar de fles te grijpen. Ik belde terug met die mededeling, ze was er blij mee en ze zou het morgen op komen halen. Moe van de hele dag plofte ik op de bank neer, wat een dutje tot gevolg had. Dat dutje werd ruw verstoord door geklop op de deur. De vrouw van het telefoongesprek stond voor de deur. Of we haar toch geen tien euro cash konden geven. Nee dus, legde ik uit, dat kan ik voor mijn geweten niet verantwoorden, ook al kon ze duizend keer roepen dat ze het niet aan drank zou uitgeven. Waarna ze zichtbaar teleurgesteld afdroop.
Missionair en diaconaal. Leuke combinatie en toch soms zo moeilijk. Je wilt mensen zoveel geven, maar met de weinige tijd die ons is gegeven, kunnen we maar zo weinig doen. Drie momenten waarop ik deze week op verschillende manieren een steentje kon bijdragen. Twee aanvaardden het in liefde. Voor de derde wachten we morgen af of ze nog komt voor het voedselpakket. Drie momenten waarop ik op verschillende manieren kon laten zien hoe de liefde die ik niet van mijzelf heb gekregen toch praktisch handen en voeten kan worden gegeven. Mensen zien en ervaren dat. En weten daardoor dat Degene die mij drijft niet een Heer is van alleen woorden en daarna "bekijk het maar", maar woord en daad onlosmakelijk aan elkaar verbindt.
Ik hoop dat ze hiermee iets hebben geproefd van onze Schepper die de daad bij het woord voegde en ons met woord en daad voor elkaar en voor de schepping om ons heen op deze aarde plaatste.
Diaconaal. Dat wordt vaak gelijkgesteld aan mensen die helpen en naast mensen staan. Die de straat op gaan om daar de medemens te ondersteunen.
Dat het een samen kan gaan met het andere, was tot voor kort niet denkbaar. Wie diaconaal was, was er voor mensen en geen haar op zijn hoofd dacht eraan om iets te vertellen over zijn geloof. Wie missionair was, was er om te verkondigen en geen enkel celletje in zijn brein dacht eraan hoe belangrijk het is om naast mensen te staan die het moeilijk hebben.
Gelukkig begint er kentering te komen in die schijnbare tegenstellingen. Want dat zijn ze. Ik zie toch steeds weer hoe die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Missionair betekent niet altijd verkondigen. Diaconaal betekent niet altijd alleen maar helpen.
Ik zag dat deze week weer. Woensdag werd ik gevraagd door een goede bekende uit de buurt om samen met haar een sollicitatiebrief te schrijven voor een vacature die ik haar zelf had opgestuurd. Dan ben je een avond bezig om iemand te helpen verder te komen in de samenleving, te leren een sollicitatiebrief te schrijven en zekerheid te krijgen in de vaardigheid om dat voortaan zelf te doen. Tussentijds en voorafgaand daaraan hadden we korte gesprekjes rondom de koffie. Het ging dan om het leven, maar ook over het geloof. Praktische daden gaan op een natuurlijke manier samen met een gesprekje over het geloof.
Vanmiddag werd ik opgebeld door een vrouw die een wekelijks voedselpakket van ons krijgt. Anderen deelden vandaag de voedselpakketten uit (ik ging naar een oudermiddag van mijn zoon die in opleiding is bij de landmacht in Assen...). Deze vrouw was vrij laat, daarom trok ik snel mijn jas aan en rende twee minuten verder naar de plek waar de voedselpakketten worden uitgedeeld om de anderen te vragen nog iets langer te blijven. Natuurlijk ging ik niet gelijk weg, hadden we een gesprekje over hoe het vandaag ging en wat er goed en fout was gegaan. De vrouw kwam toen ik er nog was en we raakten nog kort in gesprek. Niet over geloof of over God, maar wel over zaken die haar raakten. De geplande vijf minuten werden er twintig. Dan is het belangrijk om niet op de tijd te letten, maar oog te hebben voor degene met wie ik sprak.
Thuisgekomen ging de telefoon. Of we een bekende uit de wijk tien euro konden lenen. Dat wil ik graag eerst met mijn vrouw overleggen. Samen zeiden we dat het voor deze vrouw beter was om een voedselpakket ter waarde van tien euro samen te stellen, omdat zij de neiging heeft naar de fles te grijpen. Ik belde terug met die mededeling, ze was er blij mee en ze zou het morgen op komen halen. Moe van de hele dag plofte ik op de bank neer, wat een dutje tot gevolg had. Dat dutje werd ruw verstoord door geklop op de deur. De vrouw van het telefoongesprek stond voor de deur. Of we haar toch geen tien euro cash konden geven. Nee dus, legde ik uit, dat kan ik voor mijn geweten niet verantwoorden, ook al kon ze duizend keer roepen dat ze het niet aan drank zou uitgeven. Waarna ze zichtbaar teleurgesteld afdroop.
Missionair en diaconaal. Leuke combinatie en toch soms zo moeilijk. Je wilt mensen zoveel geven, maar met de weinige tijd die ons is gegeven, kunnen we maar zo weinig doen. Drie momenten waarop ik deze week op verschillende manieren een steentje kon bijdragen. Twee aanvaardden het in liefde. Voor de derde wachten we morgen af of ze nog komt voor het voedselpakket. Drie momenten waarop ik op verschillende manieren kon laten zien hoe de liefde die ik niet van mijzelf heb gekregen toch praktisch handen en voeten kan worden gegeven. Mensen zien en ervaren dat. En weten daardoor dat Degene die mij drijft niet een Heer is van alleen woorden en daarna "bekijk het maar", maar woord en daad onlosmakelijk aan elkaar verbindt.
Ik hoop dat ze hiermee iets hebben geproefd van onze Schepper die de daad bij het woord voegde en ons met woord en daad voor elkaar en voor de schepping om ons heen op deze aarde plaatste.
Weekend weg om verhalen te delen
In Nederland zoeken steeds meer mensen naar nieuwe kerkvormen, naar manieren om hun geloof een plek te geven in hun leven en verbindingen te leggen met mensen die Jezus niet kennen. In april is er een weekend voor mensen die hiermee bezig zijn of over nadenken.
Tijdens het weekend leer je nieuwe mensen kennen, kun je je hart delen en kun je je laten inspireren door de grote verscheidenheid aan manieren om met je geloof bezig te zijn. Die verscheidenheid varieert van de christelijke kloostertradities tot het bewerken van nummers van Jan Smit.
De hoofdingrediënten van het weekend vormen de diverse bezinningsmomenten en de gezamenlijke maaltijden. Omdat we het belangrijk vinden dat je kunt bouwen aan relaties gaan er maximaal 35 mensen mee. Daarnaast is het programma niet al te vol en hechten we eraan dat mensen niet voor een dagje langskomen, maar er het hele weekend zijn. Het is in principe niet de bedoeling dat er kinderen meegaan.
Data: van vrijdagavond 11 april tot zondagmiddag 13 april 2008
Lokatie: Assel Don Bosco Centrum - De Villa
Prijs: 75 per persoon, inclusief overnachtingen, eten en drinken
Kamers: er zijn eenpersoons en tweepersoonskamers beschikbaar
Aanmelding: per mail bij Rick Jansen
Wil je meer informatie? Neem dan gerust contact op met Nico-Dirk van Loo (078 6228 366) of Rosalie Vellekoop (06 1644 8853). Bij Rick Jansen kun je je opgeven.
Tijdens het weekend leer je nieuwe mensen kennen, kun je je hart delen en kun je je laten inspireren door de grote verscheidenheid aan manieren om met je geloof bezig te zijn. Die verscheidenheid varieert van de christelijke kloostertradities tot het bewerken van nummers van Jan Smit.
De hoofdingrediënten van het weekend vormen de diverse bezinningsmomenten en de gezamenlijke maaltijden. Omdat we het belangrijk vinden dat je kunt bouwen aan relaties gaan er maximaal 35 mensen mee. Daarnaast is het programma niet al te vol en hechten we eraan dat mensen niet voor een dagje langskomen, maar er het hele weekend zijn. Het is in principe niet de bedoeling dat er kinderen meegaan.
Data: van vrijdagavond 11 april tot zondagmiddag 13 april 2008
Lokatie: Assel Don Bosco Centrum - De Villa
Prijs: 75 per persoon, inclusief overnachtingen, eten en drinken
Kamers: er zijn eenpersoons en tweepersoonskamers beschikbaar
Aanmelding: per mail bij Rick Jansen
Wil je meer informatie? Neem dan gerust contact op met Nico-Dirk van Loo (078 6228 366) of Rosalie Vellekoop (06 1644 8853). Bij Rick Jansen kun je je opgeven.
woensdag 23 januari 2008
Gemeentestichting versus de kerk
Ik werd vannacht geraakt door wat Jos Douma schreef. Op zijn weblog. Ik las het overigens weer (dank daarvoor) op de weblog van Nico-Dirk van Loo.
De post zegt:
Het is interessant dat Maris verwoordt wat er ook bij mij kriebelt: de hele gemeentestichtingsbeweging en het emerging church gebeuren heeft een geur om zich heen hangen van: 'dit is toch het eigenlijke werk, de gevestigde kerken doen niks anders dan voor zichzelf zorgen en de tuin een beetje bijhouden'. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat er in de gevestigde kerken heel veel naarbinnengekeerdheid is die haaks staat op Jezus' verlangen dat nog velen hem zullen leren kennen. En dat wordt terecht pijnlijk aangeraakt door de dynamiek van gemeentestichting en emerging church. Maar andersom is er wel eens wat weinig oog, naar mijn indruk, voor de geestelijke nood en het geestelijke verlangen dat er ook binnen de gevestigde kerken is van gelovigen (maar ook on-gelovigen, bijna-gelovigen, bijna-niet-meer-gelovigen etc.) die verlangen naar een werkelijk kennen van Christus, die verlangen naar echt geestelijke zorg voor hun ziel.
Hier wordt volgens mij een tegenstelling gemaakt die er helemaal niet is. Er zijn mensen in de kerk die op zoek zijn en het moeilijk hebben. En er zijn mensen buiten waar een bepaalde groep ineens veel aandacht voor heeft.
De oplossing voor deze schijnbare tegenstelling ligt in de vergelijking met de medische wetenschap. Als we gemeente-zijn vergelijken met een lichaam, dan zien we in de gezondheidszorg allerlei ontwikkelingen op het gebied van het menselijk lichaam. Doordat veel moeders problemen kregen tijdens de zwangerschap, is er een aparte tak ontstaan binnen de gezondheidszorg die zich bezig ging houden met de situatie van moeder en ongeboren kind. Gelijktijdig met die ontwikkeling ging de ontwikkeling van de gewone gezondheidszorg door.
Ik beschouw de huidige aandacht voor gemeentestichting en Emerging Church als een gevolg van het feit dat de afgelopen jaren weinig is gedaan aan dat werkveld. Gemeentes en kerken lopen steeds meer leeg of vergrijzen. Dat komt omdat er wel veel aandacht is geweest voor de zorg voor de "gewone kerkleden", maar niet voor degenen die daar volledig buiten staan. Daardoor dreigt de kerk in haar zwangerschap dood te gaan. Sterker nog, veel kerken raken niet eens meer zwanger, zijn onvruchtbaar geworden, doordat ze niet meer weten hoe ze mensen zonder geloof moeten bereiken.
Daardoor is nu binnen en buiten de kerkelijke muren een nieuw specialisme aan het ontstaan dat zich richt op de buitenstaanders. Ik hoop dat door dit specialisme zowel de christenen binnen de kerken als zij die daarbuiten opereren kunnen leren hoe zij weer vrucht kunnen gaan dragen. Daar heb je nu eenmaal specialisten voor nodig.
Ik hoop dat de gemeentestichtingsbeweging en de Emerging Church zich niet gaat isoleren van de rest van kerkelijk Nederland. En ik hoop ook niet dat die bewegingen door de kerkelijke wereld wordt buitengezet. Ik hoop op een kruisbestuiving over en weer. Ik zie wel degelijk de nood die er binnen de kerken en vrije kringen in Nederland onder gemeenteleden bestaat. Er zijn weer andere specialisten voor nodig om die gemeenteleden op te vangen en te ondersteunen. Bepaalde onderdelen van het specialisme gemeentestichting zullen zeer bruikbaar blijken voor de andere specialisten. Vooral waar het de kennis van de cultuur buiten de kerkmuren betreft. Want veel gemeenteleden, hoezeer geïsoleerd van de samenleving wellicht, zullen toch door opleiding, werk en hobbies geïnfecteerd worden door het postmoderne denken. Daarom is het goed als de kerkelijk specialisten blijven luisteren naar wat zich in de gemeentestichtingsbeweging afspeelt.
Het lichaam hoort in zijn geheel bij elkaar. Daar hoort ook prenatale zorg bij. Ik mag toch hopen dat de kerken en gemeentes hun handen af houden van de eigen prenatale zorg. Abortussen of miskramen moeten op allerlei manieren worden voorkomen. Van beiden heb ik helaas de afgelopen jaren genoeg voorbeelden gezien en gehoord. Laten we gezamenlijk zorgen voor onze geestelijke kinderen, ook voor hen die nog op weg zijn en nog in de buik van het lichaam van Christus in Nederland aan het groeien zijn - of ze nu een klein net bevrucht eicelletje zijn of een bijna voldragen foetus.
De post zegt:
Het is interessant dat Maris verwoordt wat er ook bij mij kriebelt: de hele gemeentestichtingsbeweging en het emerging church gebeuren heeft een geur om zich heen hangen van: 'dit is toch het eigenlijke werk, de gevestigde kerken doen niks anders dan voor zichzelf zorgen en de tuin een beetje bijhouden'. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat er in de gevestigde kerken heel veel naarbinnengekeerdheid is die haaks staat op Jezus' verlangen dat nog velen hem zullen leren kennen. En dat wordt terecht pijnlijk aangeraakt door de dynamiek van gemeentestichting en emerging church. Maar andersom is er wel eens wat weinig oog, naar mijn indruk, voor de geestelijke nood en het geestelijke verlangen dat er ook binnen de gevestigde kerken is van gelovigen (maar ook on-gelovigen, bijna-gelovigen, bijna-niet-meer-gelovigen etc.) die verlangen naar een werkelijk kennen van Christus, die verlangen naar echt geestelijke zorg voor hun ziel.
Hier wordt volgens mij een tegenstelling gemaakt die er helemaal niet is. Er zijn mensen in de kerk die op zoek zijn en het moeilijk hebben. En er zijn mensen buiten waar een bepaalde groep ineens veel aandacht voor heeft.
De oplossing voor deze schijnbare tegenstelling ligt in de vergelijking met de medische wetenschap. Als we gemeente-zijn vergelijken met een lichaam, dan zien we in de gezondheidszorg allerlei ontwikkelingen op het gebied van het menselijk lichaam. Doordat veel moeders problemen kregen tijdens de zwangerschap, is er een aparte tak ontstaan binnen de gezondheidszorg die zich bezig ging houden met de situatie van moeder en ongeboren kind. Gelijktijdig met die ontwikkeling ging de ontwikkeling van de gewone gezondheidszorg door.
Ik beschouw de huidige aandacht voor gemeentestichting en Emerging Church als een gevolg van het feit dat de afgelopen jaren weinig is gedaan aan dat werkveld. Gemeentes en kerken lopen steeds meer leeg of vergrijzen. Dat komt omdat er wel veel aandacht is geweest voor de zorg voor de "gewone kerkleden", maar niet voor degenen die daar volledig buiten staan. Daardoor dreigt de kerk in haar zwangerschap dood te gaan. Sterker nog, veel kerken raken niet eens meer zwanger, zijn onvruchtbaar geworden, doordat ze niet meer weten hoe ze mensen zonder geloof moeten bereiken.
Daardoor is nu binnen en buiten de kerkelijke muren een nieuw specialisme aan het ontstaan dat zich richt op de buitenstaanders. Ik hoop dat door dit specialisme zowel de christenen binnen de kerken als zij die daarbuiten opereren kunnen leren hoe zij weer vrucht kunnen gaan dragen. Daar heb je nu eenmaal specialisten voor nodig.
Ik hoop dat de gemeentestichtingsbeweging en de Emerging Church zich niet gaat isoleren van de rest van kerkelijk Nederland. En ik hoop ook niet dat die bewegingen door de kerkelijke wereld wordt buitengezet. Ik hoop op een kruisbestuiving over en weer. Ik zie wel degelijk de nood die er binnen de kerken en vrije kringen in Nederland onder gemeenteleden bestaat. Er zijn weer andere specialisten voor nodig om die gemeenteleden op te vangen en te ondersteunen. Bepaalde onderdelen van het specialisme gemeentestichting zullen zeer bruikbaar blijken voor de andere specialisten. Vooral waar het de kennis van de cultuur buiten de kerkmuren betreft. Want veel gemeenteleden, hoezeer geïsoleerd van de samenleving wellicht, zullen toch door opleiding, werk en hobbies geïnfecteerd worden door het postmoderne denken. Daarom is het goed als de kerkelijk specialisten blijven luisteren naar wat zich in de gemeentestichtingsbeweging afspeelt.
Het lichaam hoort in zijn geheel bij elkaar. Daar hoort ook prenatale zorg bij. Ik mag toch hopen dat de kerken en gemeentes hun handen af houden van de eigen prenatale zorg. Abortussen of miskramen moeten op allerlei manieren worden voorkomen. Van beiden heb ik helaas de afgelopen jaren genoeg voorbeelden gezien en gehoord. Laten we gezamenlijk zorgen voor onze geestelijke kinderen, ook voor hen die nog op weg zijn en nog in de buik van het lichaam van Christus in Nederland aan het groeien zijn - of ze nu een klein net bevrucht eicelletje zijn of een bijna voldragen foetus.
Geef ze de kans te groeien
Een van de zaken die in mijn geest is blijven hangen naar aanleiding van de gemeentestichtersdag van afgelopen zaterdag, is het probleem van gemeentestichters in achterstandswijken om mensen op te leiden tot leiderschap.
Van meet af aan ben ik de mening toegedaan, dat mensen die bij ons komen niet "gepamperd" moeten worden, maar na verloop van tijd een duwtje in de rug nodig hebben om uit hun luie zitzak op te staan. Eind vorig seizoen hielden we daarom een speciale bijeenkomst met enkele vaste bezoekers. We vroegen ze na te denken over wat ze zoal hadden geleerd. En tegelijkertijd daagden we ze uit om in actie te komen, omdat we zagen dat ze veel meer potentie hebben dan zijzelf voor mogelijk hielden.
Enkelen hebben zich dat aangetrokken, geloof ik. Als we nu menskracht tekort komen en van tevoren vragen om mee te helpen met de brunch voor te bereiden, zijn zij bereidwillig om daaraan gehoor te geven.
Daarmee zijn ze nog niet van me af. Ik zei zaterdagavond, tijdens het ophalen van het niet-verkochte brood, maar eens tussen neus en lippen door dat ik graag eens met hen een zondags praatje wilde voorbereiden. Verbazing alom op hun gezichten. "Dat kan jij toch veel beter..." zei een van hen. Jawel, maar ik heb ook iemand gehad die mij voor het blok zette en mij positief wist te stimuleren.
Zondag vertelde ik enkele vaste bezoekers dat wij deze week in de stad een gebedsweek houden en of zij niet daaraan wilden meedoen. Enthousiasme was het antwoord op mijn vraag. Zij wilden wel. Het werd vanavond nog versterkt, doordat mijn vrouw Aneta nog niet helemaal is opgeknapt waardoor de vaste computeravond van een andere bezoekster uitviel. Ik moest haar daar toch over bellen en zei even tussendoor dat ik wel een goed alternatief had voor de computeravond.
Vanavond zaten ze in de zaal. Gedrieën. Nog nooit zo'n gebedsavond meegemaakt. Ze vonden het prachtig en werden uitgedaagd om ook zelf op zo'n nieuwe manier te praten met onze (en hun) Heer.
Dit zijn wat voorbeeldjes van hoe ik op mijn gebrekkige manier probeer de mensen die wij mogen bedienen te stimuleren verder te gaan.
Je kunt op twee manieren omgaan met plantjes. Je kunt ervan genieten, ze water geven, ze mooi voor het raam zetten, vol in de zon (als ze dat aankunnen) en af en toe vieze blaadjes weghalen. Die plantjes blijven leven, maar hebben het gevaar in zich dat ze zo lief, maar ook zo klein blijven. Je kunt ze ook verpotten. Af en toe stoppen in een grotere pot, met verse aarde. Waardoor ze weer de kans krijgen om verder door te groeien. Dat is niet leuk voor het plantje. Want het oude vertrouwde potje maakt plaats voor iets anders. Maar het van oorsprong rotte plantje zal verder doorgroeien door een combinatie van goede verzorging en de ruimte die wordt gegeven voor eigen groei.
Een deel van de groei ligt bij die plantjes zelf. Maar misschien gaan sommige klein gebleven plantjes dood, omdat ze niet meer verder kunnen groeien en ze niet in staat zijn zelf van pot te veranderen. Doordat de verzorger teveel gericht is op de verzorging van die lieve, kleine, breekbare plantjes.
Zijn wij planters die alleen bezig zijn met het in de goede pot plaatsen van de plantjes en die te verzorgen? Of kijken we verder naar mogelijkheden om onze plantjes de ruime te bieden zover te groeien, dat ze stevige bomen worden die ook weer zelf vruchten gaan voortbrengen?
Van meet af aan ben ik de mening toegedaan, dat mensen die bij ons komen niet "gepamperd" moeten worden, maar na verloop van tijd een duwtje in de rug nodig hebben om uit hun luie zitzak op te staan. Eind vorig seizoen hielden we daarom een speciale bijeenkomst met enkele vaste bezoekers. We vroegen ze na te denken over wat ze zoal hadden geleerd. En tegelijkertijd daagden we ze uit om in actie te komen, omdat we zagen dat ze veel meer potentie hebben dan zijzelf voor mogelijk hielden.
Enkelen hebben zich dat aangetrokken, geloof ik. Als we nu menskracht tekort komen en van tevoren vragen om mee te helpen met de brunch voor te bereiden, zijn zij bereidwillig om daaraan gehoor te geven.
Daarmee zijn ze nog niet van me af. Ik zei zaterdagavond, tijdens het ophalen van het niet-verkochte brood, maar eens tussen neus en lippen door dat ik graag eens met hen een zondags praatje wilde voorbereiden. Verbazing alom op hun gezichten. "Dat kan jij toch veel beter..." zei een van hen. Jawel, maar ik heb ook iemand gehad die mij voor het blok zette en mij positief wist te stimuleren.
Zondag vertelde ik enkele vaste bezoekers dat wij deze week in de stad een gebedsweek houden en of zij niet daaraan wilden meedoen. Enthousiasme was het antwoord op mijn vraag. Zij wilden wel. Het werd vanavond nog versterkt, doordat mijn vrouw Aneta nog niet helemaal is opgeknapt waardoor de vaste computeravond van een andere bezoekster uitviel. Ik moest haar daar toch over bellen en zei even tussendoor dat ik wel een goed alternatief had voor de computeravond.
Vanavond zaten ze in de zaal. Gedrieën. Nog nooit zo'n gebedsavond meegemaakt. Ze vonden het prachtig en werden uitgedaagd om ook zelf op zo'n nieuwe manier te praten met onze (en hun) Heer.
Dit zijn wat voorbeeldjes van hoe ik op mijn gebrekkige manier probeer de mensen die wij mogen bedienen te stimuleren verder te gaan.
Je kunt op twee manieren omgaan met plantjes. Je kunt ervan genieten, ze water geven, ze mooi voor het raam zetten, vol in de zon (als ze dat aankunnen) en af en toe vieze blaadjes weghalen. Die plantjes blijven leven, maar hebben het gevaar in zich dat ze zo lief, maar ook zo klein blijven. Je kunt ze ook verpotten. Af en toe stoppen in een grotere pot, met verse aarde. Waardoor ze weer de kans krijgen om verder door te groeien. Dat is niet leuk voor het plantje. Want het oude vertrouwde potje maakt plaats voor iets anders. Maar het van oorsprong rotte plantje zal verder doorgroeien door een combinatie van goede verzorging en de ruimte die wordt gegeven voor eigen groei.
Een deel van de groei ligt bij die plantjes zelf. Maar misschien gaan sommige klein gebleven plantjes dood, omdat ze niet meer verder kunnen groeien en ze niet in staat zijn zelf van pot te veranderen. Doordat de verzorger teveel gericht is op de verzorging van die lieve, kleine, breekbare plantjes.
Zijn wij planters die alleen bezig zijn met het in de goede pot plaatsen van de plantjes en die te verzorgen? Of kijken we verder naar mogelijkheden om onze plantjes de ruime te bieden zover te groeien, dat ze stevige bomen worden die ook weer zelf vruchten gaan voortbrengen?
zondag 20 januari 2008
Emerging Church NL
Al een tijdlang broeit er iets onder de leden in christelijk Nederland. Er waait een nieuwe wind, die verfrissing, maar zoals altijd ook verwarring geeft. Een wind waardoor dorre takken kapot gaan, oud hout omwaait en die oude, prachtige bomen aan de wortels lijkt te raken.
Die wind heet Emerging Church. Overgewaaid uit het Angelsaksische deel van de wereld en nog maar net postgevat in ons koude kikkerland. Een beweging die in de Engelssprekende wereld veel stof heeft doen opwaaien. Die mensen in ons land enthousiast heeft gemaakt en aan het denken en werken heeft gezet.
Het een versterkt het ander. Toen ik al een tijdje bezig was met missionair werken, kwam ik op het pad van deze beweging. Toen ik er over begon te lezen en te denken, merkte ik dat het aansloot op de manier waarop ik al jaren bezig was. Jezus volgen is een van de credo's. Mensen opzoeken op de plek waar ze zijn. Maar ook: het doorbreken van de muur die door evangelischen is geplaatst tussen evangelisatie en diaconie.
Zo ben ik in deze wind mee gaan waaien, maar dan niet als iemand die met alle winden meewaait. Deze beweging sluit aan op mijn eigen weg met God in deze wereld. En daarom wil ik mijn eigen inbreng geven aan waar God mee bezig is.
Soms is dat lastig, omdat nieuwe bewegingen al snel geassocieerd worden met jonge honden, die alles nieuw willen hebben en de neiging hebben het kerkelijke kind met het door vastroesting vervuilde badwater weg te gooien. Termen die allemaal "post-" in zich bergen lopen mee met die beweging. We zijn het oude vertrouwde voorbij en op zoek naar iets nieuws. Daarom: post-christendom (niet te verwarren met post-christelijk), postmodern, maar ook: post-gereformeerd, post-evangelisch en zelfs post-liberaaltheologisch.
Ik zet deze termen bewust niet om in hyperlinks, omdat elk van deze onderdelen van de emerging church hun eigen zoektocht hebben door het christelijke wereldje, behoorlijk hun neus hebben gestoten tegen vastgeroeste waarden en normen in zowel reformatorische, gereformeerde als evangelische kringen. Dat respect voor die zoektocht wil ik hen gunnen en er geen waardeoordeel aan verbinden, zoals veel van mijn leeftijdsgenoten wel geneigd zijn te doen.
Tja, hoe "post-" ben ik dan, of hoe gaat mijn weg dan?
Het gereformeerd(-synodaal voor de vrijgemaakten onder ons) zijn heb ik afgelegd op het moment dat ik mijn dominee vroeg mij te willen ondersteunen in mijn verlangen om God te dienen onder moslims en hij antwoordde, dat ik dan beter een andere kerk moest zoeken.
Youth for Christ, zoals ik in een eerdere blog verwoordde mijn "moeder"beweging, dacht ik daarna te hebben afgelegd, omdat zij een veel te liberaal-theologisch karakter begon te krijgen en ik weer verder moest groeien, tijdelijk wortelen in de evangelische wereld.
Zo mocht ik een klein decennium verkeren in de kringen van de evangelische (toen Parousia) wereld en mij daaraan met hart en ziel verbinden. Ook daar was uiteindelijk het gebrek aan steun voor mijn verlangen moslims te helpen God te vinden de reden om afscheid te nemen van die wereld.
Om vervolgens een diepe gang te maken door de pinksterwereld van Broederschap en VPE. De ruimte die wij aanvankelijk binnen die gemeente kregen was hartverwarmend en verfrissend. Geen knellende regels en wetjes, maar doen wat je hart (en daarmee God) je ingaf te doen en dat na te streven. Binnen die ruimte heb ik mijn eerste stapjes gezet op de weg van kerk-zijn-in-de-wijk. En heb ik mogen experimenteren met de voorbereiding van de stichting van een nieuwe gemeente in onze woonplaats. Ook van die kerk moesten we in onze actieve dienst afscheid nemen, om vervolgens verder te gaan op de weg in onze wijk waarop we nu lopen.
Tussen al deze periodes in heb ik ook nog enkele post-(voor mijn gevoel toen traumatische) ervaringen gehad met enkele zendingsorganisaties.
Is deze "senior onder de emergers" (zoals sommigen me al benoemen) na een viertal "post-" en enkele andere vergelijkbare ervaringen nu een oude en verbitterde man (jongen nog, in mijn ogen), die alleen aantrapt tegen alles en iedereen die hem heeft dwarsgezeten? Ik durf geen hardop "nee" te zeggen, maar ik denk dat het die richting op gaat. De reden daarvan is dat ik (en als ik "ik" zeg is dat voor een deel ook de gezamenlijke ervaring met mijn vrouw) geleerd heb om Jezus' liefde voor zijn volk (zijn gemeente) te aanvaarden. Te leren vergeven en de minste te zijn in tijden dat men ons niet begreep. Niet voor eigen gelijk te gaan, maar de ander te respecteren, ook al was ik het hartgrondig met hem (of haar) oneens. Te beseffen dat we als christenen leven in een gebroken wereld, waardoor de manier waarop we leven met elkaar ook nogal eens gebroken kan zijn (ik zou zeggen: juist onder christenen).
Dat schrijf ik hier even makkelijk op, maar daar gingen telkens rouwperioden van enkele maanden overheen. Daardoor kan ik de pijn van sommigen die net weggescheurd zijn uit hun geboortekerk (soms letterlijk, soms geestelijk) zo goed begrijpen. De frustratie dat er niet wordt geluisterd, gegooid wordt met bijbelteksten of kerkelijke wetten. Maar houd ik mijn vrienden voor dat ze door dat rouwproces heen moeten gaan. Om daarna te leren die ander te vergeven. Zodat zij niet diezelfde fout jegens de ander maken.
Wat ben ik dan? Beschouw me maar als een christen op weg. Die veel heeft achtergelaten. Die (af en toe) terugkijkend ziet dat de pijn en moeite van als die ervaringen van het verleden er toe hebben bijgedragen dat hij nu is waar hij moet zijn. Die een hart heeft voor zijn Vader, die hem de ruimte heeft gegeven om verder te gaan, soms ver voor de troepen (kerken) uit.
Ik ben de Emerging Church beweging een warm hart toegedaan. Omdat ik nieuwe mogelijkheden zie, buiten alle kerkmuren om. Door wat ik in het verleden heb geleerd, ben ik blij met de (toen nog) gereformeerde kerk, YfC, de evangelische beweging en de pinksterbeweging. Die wil ik niet als afgedaan weggooien. Ik wil juist er tussenin staan. Ben ik daarom weer "teruggekomen" bij YfC, persoonlijk lid geworden van de VPE en nog steeds donateur van evangelische bewegingen? De ouderen in die bewegingen wil ik niet voor het hoofd stoten. Ik wil ze respecteren op de plek waar zij nu staan.
Ik zie een nieuwe tijd waarin jong en oud naast elkaar staan. Waarin onderling respect is voor wat men doet. Waarin christenen binnen de kerk- of gemeentemuren worden opgebouwd om God te dienen. Waarin ook buiten de kerk ruimte is om God te dienen, midden in de samenleving. Waarin de Emerging Church alle vrijheid krijgt om te experimenteren. Waarin de emergers die nu nog wel met hun oude leed kampen daarvan zijn verlost en met een verfrist hart, vol van vergeving samenwerken met de oude kerken die hen aanvankelijk hebben buitengezet.
Een sprookje of een fabeltje? Ik hoop dat Nederland leert om over de kerkmuren heen te kijken. Dat die typisch Nederlandse cultuur, waarin de eigen waarheid boven die van de ander wordt gesteld, doorbroken wordt. Waarin we niet meer bezig zijn met ieder zijn eigen kerkje te spelen, maar waarin we gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor Gods Volk in NL.
Die opkomende kerk, daar ga ik voor!
Die wind heet Emerging Church. Overgewaaid uit het Angelsaksische deel van de wereld en nog maar net postgevat in ons koude kikkerland. Een beweging die in de Engelssprekende wereld veel stof heeft doen opwaaien. Die mensen in ons land enthousiast heeft gemaakt en aan het denken en werken heeft gezet.
Het een versterkt het ander. Toen ik al een tijdje bezig was met missionair werken, kwam ik op het pad van deze beweging. Toen ik er over begon te lezen en te denken, merkte ik dat het aansloot op de manier waarop ik al jaren bezig was. Jezus volgen is een van de credo's. Mensen opzoeken op de plek waar ze zijn. Maar ook: het doorbreken van de muur die door evangelischen is geplaatst tussen evangelisatie en diaconie.
Zo ben ik in deze wind mee gaan waaien, maar dan niet als iemand die met alle winden meewaait. Deze beweging sluit aan op mijn eigen weg met God in deze wereld. En daarom wil ik mijn eigen inbreng geven aan waar God mee bezig is.
Soms is dat lastig, omdat nieuwe bewegingen al snel geassocieerd worden met jonge honden, die alles nieuw willen hebben en de neiging hebben het kerkelijke kind met het door vastroesting vervuilde badwater weg te gooien. Termen die allemaal "post-" in zich bergen lopen mee met die beweging. We zijn het oude vertrouwde voorbij en op zoek naar iets nieuws. Daarom: post-christendom (niet te verwarren met post-christelijk), postmodern, maar ook: post-gereformeerd, post-evangelisch en zelfs post-liberaaltheologisch.
Ik zet deze termen bewust niet om in hyperlinks, omdat elk van deze onderdelen van de emerging church hun eigen zoektocht hebben door het christelijke wereldje, behoorlijk hun neus hebben gestoten tegen vastgeroeste waarden en normen in zowel reformatorische, gereformeerde als evangelische kringen. Dat respect voor die zoektocht wil ik hen gunnen en er geen waardeoordeel aan verbinden, zoals veel van mijn leeftijdsgenoten wel geneigd zijn te doen.
Tja, hoe "post-" ben ik dan, of hoe gaat mijn weg dan?
Het gereformeerd(-synodaal voor de vrijgemaakten onder ons) zijn heb ik afgelegd op het moment dat ik mijn dominee vroeg mij te willen ondersteunen in mijn verlangen om God te dienen onder moslims en hij antwoordde, dat ik dan beter een andere kerk moest zoeken.
Youth for Christ, zoals ik in een eerdere blog verwoordde mijn "moeder"beweging, dacht ik daarna te hebben afgelegd, omdat zij een veel te liberaal-theologisch karakter begon te krijgen en ik weer verder moest groeien, tijdelijk wortelen in de evangelische wereld.
Zo mocht ik een klein decennium verkeren in de kringen van de evangelische (toen Parousia) wereld en mij daaraan met hart en ziel verbinden. Ook daar was uiteindelijk het gebrek aan steun voor mijn verlangen moslims te helpen God te vinden de reden om afscheid te nemen van die wereld.
Om vervolgens een diepe gang te maken door de pinksterwereld van Broederschap en VPE. De ruimte die wij aanvankelijk binnen die gemeente kregen was hartverwarmend en verfrissend. Geen knellende regels en wetjes, maar doen wat je hart (en daarmee God) je ingaf te doen en dat na te streven. Binnen die ruimte heb ik mijn eerste stapjes gezet op de weg van kerk-zijn-in-de-wijk. En heb ik mogen experimenteren met de voorbereiding van de stichting van een nieuwe gemeente in onze woonplaats. Ook van die kerk moesten we in onze actieve dienst afscheid nemen, om vervolgens verder te gaan op de weg in onze wijk waarop we nu lopen.
Tussen al deze periodes in heb ik ook nog enkele post-(voor mijn gevoel toen traumatische) ervaringen gehad met enkele zendingsorganisaties.
Is deze "senior onder de emergers" (zoals sommigen me al benoemen) na een viertal "post-" en enkele andere vergelijkbare ervaringen nu een oude en verbitterde man (jongen nog, in mijn ogen), die alleen aantrapt tegen alles en iedereen die hem heeft dwarsgezeten? Ik durf geen hardop "nee" te zeggen, maar ik denk dat het die richting op gaat. De reden daarvan is dat ik (en als ik "ik" zeg is dat voor een deel ook de gezamenlijke ervaring met mijn vrouw) geleerd heb om Jezus' liefde voor zijn volk (zijn gemeente) te aanvaarden. Te leren vergeven en de minste te zijn in tijden dat men ons niet begreep. Niet voor eigen gelijk te gaan, maar de ander te respecteren, ook al was ik het hartgrondig met hem (of haar) oneens. Te beseffen dat we als christenen leven in een gebroken wereld, waardoor de manier waarop we leven met elkaar ook nogal eens gebroken kan zijn (ik zou zeggen: juist onder christenen).
Dat schrijf ik hier even makkelijk op, maar daar gingen telkens rouwperioden van enkele maanden overheen. Daardoor kan ik de pijn van sommigen die net weggescheurd zijn uit hun geboortekerk (soms letterlijk, soms geestelijk) zo goed begrijpen. De frustratie dat er niet wordt geluisterd, gegooid wordt met bijbelteksten of kerkelijke wetten. Maar houd ik mijn vrienden voor dat ze door dat rouwproces heen moeten gaan. Om daarna te leren die ander te vergeven. Zodat zij niet diezelfde fout jegens de ander maken.
Wat ben ik dan? Beschouw me maar als een christen op weg. Die veel heeft achtergelaten. Die (af en toe) terugkijkend ziet dat de pijn en moeite van als die ervaringen van het verleden er toe hebben bijgedragen dat hij nu is waar hij moet zijn. Die een hart heeft voor zijn Vader, die hem de ruimte heeft gegeven om verder te gaan, soms ver voor de troepen (kerken) uit.
Ik ben de Emerging Church beweging een warm hart toegedaan. Omdat ik nieuwe mogelijkheden zie, buiten alle kerkmuren om. Door wat ik in het verleden heb geleerd, ben ik blij met de (toen nog) gereformeerde kerk, YfC, de evangelische beweging en de pinksterbeweging. Die wil ik niet als afgedaan weggooien. Ik wil juist er tussenin staan. Ben ik daarom weer "teruggekomen" bij YfC, persoonlijk lid geworden van de VPE en nog steeds donateur van evangelische bewegingen? De ouderen in die bewegingen wil ik niet voor het hoofd stoten. Ik wil ze respecteren op de plek waar zij nu staan.
Ik zie een nieuwe tijd waarin jong en oud naast elkaar staan. Waarin onderling respect is voor wat men doet. Waarin christenen binnen de kerk- of gemeentemuren worden opgebouwd om God te dienen. Waarin ook buiten de kerk ruimte is om God te dienen, midden in de samenleving. Waarin de Emerging Church alle vrijheid krijgt om te experimenteren. Waarin de emergers die nu nog wel met hun oude leed kampen daarvan zijn verlost en met een verfrist hart, vol van vergeving samenwerken met de oude kerken die hen aanvankelijk hebben buitengezet.
Een sprookje of een fabeltje? Ik hoop dat Nederland leert om over de kerkmuren heen te kijken. Dat die typisch Nederlandse cultuur, waarin de eigen waarheid boven die van de ander wordt gesteld, doorbroken wordt. Waarin we niet meer bezig zijn met ieder zijn eigen kerkje te spelen, maar waarin we gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor Gods Volk in NL.
Die opkomende kerk, daar ga ik voor!
Kerk en gemeenschap
Gisteren was ik in Utrecht op een netwerkdag voor gemeentestichters. Voor het eerst waren 110 mensen aanwezig uit alle gaten en hoeken van Nederland, zowel geografisch als theologisch, om samen na te denken over het stichten van gemeentes en om van elkaar te leren.
Mooi om te horen hoeveel er al gebeurt. Nog mooier om te merken dat er zoveel belangstelling is voor het onderwerp. Er zijn veel mensen die overwegen op een nieuwe manier een nieuwe kerk of gemeenschap te beginnen.
In gesprekken legde in telkens uit hoe wij bij Villa Klarendal de "brug naar de kerk", die Youth for Christ hoog in het vaandel heeft, proberen te zijn. En hoe wijzelf de naam kerk niet in onze mond nemen, maar vervolgens van onze bezoekers horen dat ons project hun kerk is.
Misschien moeten we ook maar eens af van onze hoge gedachten over wat een kerk moet zijn en terug gaan naar de pure plek waar mensen samen een christelijke gemeenschap vormen, ongeacht de vorm. Door op zo'n manier te leren denken, kunnen we makkelijker afkomen van allerlei "oude gedachten" die wijzelf nog hebben met kerk-zijn.
Een voorbeeld daarvan kwam in een gesprekje naar voren. De vraag van de ander was, waarom mensen wel op sociale projecten, maar niet op de kerkdiensten afkomen. Verder doorvragend, bleek dat zij inmiddels twee Alphacursussen hadden gedraaid met mensen uit de wijk waar zij wonen. De eerste groep komt nog wekelijks in gespreksvorm bij elkaar, maar komt niet op zondag naar de kerkdiensten. De tweede groep komt daar wel. Ik vroeg hen of de momenten waarop de eerste groep samenkomt, in feite niet kan worden beschouwd als een vorm van christelijke gemeenschap (zonder de term kerkdienst in de mond te nemen). Misschien past die gemeenschap niet bij de gedachten die wij hebben over de vorm of inhoud van een kerkdienst. Maar moeten wij bij onze eigen gedachten blijven?
Moeten wij, zoals een van de aanwezigen op deze dag zo treffend zei, onze gedachten, houdingen, theologie en culturele achtergrond door een wasmachine laten gaan, zodat we er los van komen?
Gisterenavond liep ik met wat overgebleven brood van Albert Heijn samen met vaste bezoekers van Villa Klarendal terug naar huis. Zij gingen dat brood nog uitdelen aan mensen in de wijk. Onderweg spraken we over de dingen die ik had meegemaakt. Op dat moment maakte ik gemeenschap mee, die niet onder doet voor elke andere vorm van christelijke gemeenschap. De daarin ervaren onderlinge hartelijkheid, liefde en waardering voor elkaar is niet afhankelijk van tijd, activiteit of vorm.
Ik hoop dat die vernieuwing zich in ons land voortzet, zodat niet-gelovige buren, vrienden en kennissen ruimte krijgen om christelijke gemeenschap van dichtbij mee te maken en er zelfs deel van te gaan uitmaken en daardoor verder groeien tot nieuwe christenen die weer anderen ruimte bieden om deelgenoot te worden van die gemeenschap.
Mooi om te horen hoeveel er al gebeurt. Nog mooier om te merken dat er zoveel belangstelling is voor het onderwerp. Er zijn veel mensen die overwegen op een nieuwe manier een nieuwe kerk of gemeenschap te beginnen.
In gesprekken legde in telkens uit hoe wij bij Villa Klarendal de "brug naar de kerk", die Youth for Christ hoog in het vaandel heeft, proberen te zijn. En hoe wijzelf de naam kerk niet in onze mond nemen, maar vervolgens van onze bezoekers horen dat ons project hun kerk is.
Misschien moeten we ook maar eens af van onze hoge gedachten over wat een kerk moet zijn en terug gaan naar de pure plek waar mensen samen een christelijke gemeenschap vormen, ongeacht de vorm. Door op zo'n manier te leren denken, kunnen we makkelijker afkomen van allerlei "oude gedachten" die wijzelf nog hebben met kerk-zijn.
Een voorbeeld daarvan kwam in een gesprekje naar voren. De vraag van de ander was, waarom mensen wel op sociale projecten, maar niet op de kerkdiensten afkomen. Verder doorvragend, bleek dat zij inmiddels twee Alphacursussen hadden gedraaid met mensen uit de wijk waar zij wonen. De eerste groep komt nog wekelijks in gespreksvorm bij elkaar, maar komt niet op zondag naar de kerkdiensten. De tweede groep komt daar wel. Ik vroeg hen of de momenten waarop de eerste groep samenkomt, in feite niet kan worden beschouwd als een vorm van christelijke gemeenschap (zonder de term kerkdienst in de mond te nemen). Misschien past die gemeenschap niet bij de gedachten die wij hebben over de vorm of inhoud van een kerkdienst. Maar moeten wij bij onze eigen gedachten blijven?
Moeten wij, zoals een van de aanwezigen op deze dag zo treffend zei, onze gedachten, houdingen, theologie en culturele achtergrond door een wasmachine laten gaan, zodat we er los van komen?
Gisterenavond liep ik met wat overgebleven brood van Albert Heijn samen met vaste bezoekers van Villa Klarendal terug naar huis. Zij gingen dat brood nog uitdelen aan mensen in de wijk. Onderweg spraken we over de dingen die ik had meegemaakt. Op dat moment maakte ik gemeenschap mee, die niet onder doet voor elke andere vorm van christelijke gemeenschap. De daarin ervaren onderlinge hartelijkheid, liefde en waardering voor elkaar is niet afhankelijk van tijd, activiteit of vorm.
Ik hoop dat die vernieuwing zich in ons land voortzet, zodat niet-gelovige buren, vrienden en kennissen ruimte krijgen om christelijke gemeenschap van dichtbij mee te maken en er zelfs deel van te gaan uitmaken en daardoor verder groeien tot nieuwe christenen die weer anderen ruimte bieden om deelgenoot te worden van die gemeenschap.
zondag 13 januari 2008
Te oud voor Youth for Christ?
De afgelopen week ben ik woensdag, donderdag en vrijdag op retraite geweest. Wij waren namelijk uitgenodigd voor de stafconferentie van Youth for Christ in Nederland (YfC). De trouwe lezer zal zich afvragen waarom de schrijver ineens bij zo'n stafconferentie verzeild raakt. Welnu, Villa Klarendal, het missionaire project in onze wijk, is onderdeel van die organisatie. Gezien onze betrokkenheid en tijdsbesteding hierbij ziet YfC ons als "kernvrijwilliger" en daarom mochten we meedoen aan de conferentie van vorige week.
Dat is een leuk gegeven, omdat ik YfC al eerder van binnenuit heb leren kennen. Ik was een diaconaal medewerker (dat heet tegenwoordig een "Action Diaconaal Jaar") in het seizoen 1977-1978. Daardoor leer je de sfeer in zo'n organisatie vrij goed kennen.
Wat schetst mijn verbazing? Die sfeer is niet veranderd! Tijdens de afgelopen conferentie werd mij regelmatig gevraagd hoe ik het vond. Mijn antwoord was dat het een "home coming" was. Het leuke was dan ook dat leeftijd er niet toe deed. Door de drie dagen heen had ik verschillende gesprekjes met stafmedewerkers, waarbij de jongste 16 was en de oudste tegen de 40. In plaats van de verwachte generatiekloof, hadden we hele leuke en diepgaande gesprekken. Goed, in een aantal gevallen kon ik putten uit ervaring en de wat jongere gespreksgenoot vertellen wat ik op dat gebied had beleefd. Maar op zo'n moment ervoer ik toch een klik met de ander, ondanks het leeftijdsverschil. De gesprekken waren dan ook niet eenzijdig van: "ik zal het wel effe vertellen", maar veel meer een samen delen van de ervaringen die we hadden meegemaakt. En soms moesten we hartelijk lachen om het feit dat ik diaconaal medewerker was op een moment dat mijn gesprekspartner nog lang niet "in de planning" was.
Ook de voor mij bij YfC vertrouwde combinatie van geestelijk leven en café-achtige afterparties was een verademing. Niet moeilijk doen over het schenken van alcohol. Maar wel binnen de vertrouwde muren duidelijk maken dat er met mate gedronken moet worden. Er werd ook ruimte gemaakt voor de jongsten door een disco (of heet dat tegenwoordig anders?) in te richten. Met alle moderne muzieksoorten die daarbij horen. Samen genieten, dansen en kletsen op de moderne klanken van top 40 muziek. Ik heb staan kijken en genieten van de vreugde die de jongeren er bij hadden. Buiten de zaal kon ik af en toe meedeinen en -zingen met die muziek. Wat prompt tot verbazing van enkele ook-buiten-staande jongeren leidde. Want hun ouders kenden die muziek niet meer, laat staan dat ze de tekst meezongen.
Tja, dan vertelde ik maar weer, dat ik graag dichtbij de mensen wil staan. Dat ik de popmuziek ben blijven volgen. Dat we bij Villa Klarendal veel jongeren over de vloer krijgen. Dat ik ook graag mijn eigen kinderen wil begrijpen. Als je hun muziek niet meer kent of begrijpt, is er geen gesprekstof meer. En ontstaat er een generaatiekloof. Door ook deze cultuur te begrijpen en te accepteren ben ik in staat om naast de jongeren (en ook mijn eigen kinderen) te staan. Natuurlijk doe ik niet aan alles mee. Alhoewel ik die avonden af en toe de kriebels voelde om de dansvloer op te gaan... Gelukkig had een goed excuus: ik was pas ziek geweest.
Ik kijk dus terug op drie prettige dagen binnen YfC verband. De cultuur was als vanouds. De organisatie is met de tijd was meegegroeid. De staf is (gelukkig) niet meer zo "wit" als in de tijd dat ik er nog nauw bij betrokken was (een unicum binnen christelijke organisaties). Ik heb dan ook hartverwarmende gesprekken gevoerd met Antilliaanse en Arubaanse stafmedewerkers.
Het motto is gebleven: Geared to the times, but anchored to the Rock: het geloof in Jezus Christus blijft het uitgangspunt (het ankerpunt), maar in het werk wordt zoveel mogelijk aangesloten op de actuele cultuur. Als ik nu terugdenk aan die eerste jaren bij YfC (1975-1980), denk ik dat ik mijn missionaire instelling niet van een vreemde heb. Ze zeggen niet voor niets: de appel valt niet ver van de boom. Je blijft toch lijken op degene waaruit je geboren bent. En met alle negatieve dingen die er ongetwijfeld over gezegd kunnen worden, ben ik blij dat mijn geestelijke wiegje en kinderbedje bij deze organisatie hebben gestaan.
Ik mocht even bij mama thuis komen.
Dat is een leuk gegeven, omdat ik YfC al eerder van binnenuit heb leren kennen. Ik was een diaconaal medewerker (dat heet tegenwoordig een "Action Diaconaal Jaar") in het seizoen 1977-1978. Daardoor leer je de sfeer in zo'n organisatie vrij goed kennen.
Wat schetst mijn verbazing? Die sfeer is niet veranderd! Tijdens de afgelopen conferentie werd mij regelmatig gevraagd hoe ik het vond. Mijn antwoord was dat het een "home coming" was. Het leuke was dan ook dat leeftijd er niet toe deed. Door de drie dagen heen had ik verschillende gesprekjes met stafmedewerkers, waarbij de jongste 16 was en de oudste tegen de 40. In plaats van de verwachte generatiekloof, hadden we hele leuke en diepgaande gesprekken. Goed, in een aantal gevallen kon ik putten uit ervaring en de wat jongere gespreksgenoot vertellen wat ik op dat gebied had beleefd. Maar op zo'n moment ervoer ik toch een klik met de ander, ondanks het leeftijdsverschil. De gesprekken waren dan ook niet eenzijdig van: "ik zal het wel effe vertellen", maar veel meer een samen delen van de ervaringen die we hadden meegemaakt. En soms moesten we hartelijk lachen om het feit dat ik diaconaal medewerker was op een moment dat mijn gesprekspartner nog lang niet "in de planning" was.
Ook de voor mij bij YfC vertrouwde combinatie van geestelijk leven en café-achtige afterparties was een verademing. Niet moeilijk doen over het schenken van alcohol. Maar wel binnen de vertrouwde muren duidelijk maken dat er met mate gedronken moet worden. Er werd ook ruimte gemaakt voor de jongsten door een disco (of heet dat tegenwoordig anders?) in te richten. Met alle moderne muzieksoorten die daarbij horen. Samen genieten, dansen en kletsen op de moderne klanken van top 40 muziek. Ik heb staan kijken en genieten van de vreugde die de jongeren er bij hadden. Buiten de zaal kon ik af en toe meedeinen en -zingen met die muziek. Wat prompt tot verbazing van enkele ook-buiten-staande jongeren leidde. Want hun ouders kenden die muziek niet meer, laat staan dat ze de tekst meezongen.
Tja, dan vertelde ik maar weer, dat ik graag dichtbij de mensen wil staan. Dat ik de popmuziek ben blijven volgen. Dat we bij Villa Klarendal veel jongeren over de vloer krijgen. Dat ik ook graag mijn eigen kinderen wil begrijpen. Als je hun muziek niet meer kent of begrijpt, is er geen gesprekstof meer. En ontstaat er een generaatiekloof. Door ook deze cultuur te begrijpen en te accepteren ben ik in staat om naast de jongeren (en ook mijn eigen kinderen) te staan. Natuurlijk doe ik niet aan alles mee. Alhoewel ik die avonden af en toe de kriebels voelde om de dansvloer op te gaan... Gelukkig had een goed excuus: ik was pas ziek geweest.
Ik kijk dus terug op drie prettige dagen binnen YfC verband. De cultuur was als vanouds. De organisatie is met de tijd was meegegroeid. De staf is (gelukkig) niet meer zo "wit" als in de tijd dat ik er nog nauw bij betrokken was (een unicum binnen christelijke organisaties). Ik heb dan ook hartverwarmende gesprekken gevoerd met Antilliaanse en Arubaanse stafmedewerkers.
Het motto is gebleven: Geared to the times, but anchored to the Rock: het geloof in Jezus Christus blijft het uitgangspunt (het ankerpunt), maar in het werk wordt zoveel mogelijk aangesloten op de actuele cultuur. Als ik nu terugdenk aan die eerste jaren bij YfC (1975-1980), denk ik dat ik mijn missionaire instelling niet van een vreemde heb. Ze zeggen niet voor niets: de appel valt niet ver van de boom. Je blijft toch lijken op degene waaruit je geboren bent. En met alle negatieve dingen die er ongetwijfeld over gezegd kunnen worden, ben ik blij dat mijn geestelijke wiegje en kinderbedje bij deze organisatie hebben gestaan.
Ik mocht even bij mama thuis komen.
Voedsel voor de wijk
Kwart voor acht vanavond. Ik zit net aan een warme hap macaroni die mijn dochters met liefde hebben klaargemaakt. Er wordt gebeld. De buurvrouw staat aan de deur. Of ik niet met haar naar Albert Heijn kan gaan om het niet verkochte brood op te halen. De buurvrouw met wie ze altijd samen gaat, is niet thuis.
Twee seconden heb ik nodig om te beslissen. Ik leg mijn bord weg, pak mijn schoenen en trek ze aan. De buurvrouw zegt dat ze alvast op weg gaat. Twee minuten later roept ze of ik nog kom, anders gaat ze alvast. Ik roep terug dat ze alvast mag gaan, wetend hoe snel ze loopt.
Ik gris mijn jas van de kapstok, loop de deur uit en haal haar bij het winkelcentrum in. We lopen samen de winkel in. Die heeft goede zaken gedaan met het brood. We wachten tot de omroepster iedereen oproept met spoed de laatste boodschappen in te laden. Wij laden met toestemming van de verkoopster het weinig overgebleven brood over. De buurvrouw is zichtbaar teleurgesteld. Er is weinig en het is vooral niet zo voedzaam wit brood.
Met een boodschappenwagen en een boodschappentas lopen we terug naar huis. Twee broden of zakken broodjes kunnen we aan de gezinnen aanbieden. Die het met graagte ontvangen. Voor sommigen een welkome aanvulling. Voor anderen een enigszins voedzame aanwinst op hun nauwelijks voedzame weekmenu.
De buurvrouw en ik groeten elkaar. Morgen staat er nog een volle boodschappenkar klaar met overblijfselen van gisterenavond, waarvan de inhoud gebruikt wordt voor de wekelijkse brunch. Wat daar niet aan opgaat, zal worden uitgedeeld aan andere mensen die bij ons bekend zijn.
Ik ga aan de restanten van mijn inmiddels koud geworden macaronibord. Een luxe in vergelijking met het weinige dat sommigen deze zelfde avond hebben ontvangen (wat wellicht het enige is dat ze zullen verorberen).
De liefde en trouw waarmee mijn buurvrouw het brood ophaalt en nog zo laat uitdeelt is voor mij een voorbeeld van missionair bezig zijn. Het geloof, hoe pril dan ook, wordt handen en voeten gegeven en dat merkt deze buurt aan den lijve.
Twee seconden heb ik nodig om te beslissen. Ik leg mijn bord weg, pak mijn schoenen en trek ze aan. De buurvrouw zegt dat ze alvast op weg gaat. Twee minuten later roept ze of ik nog kom, anders gaat ze alvast. Ik roep terug dat ze alvast mag gaan, wetend hoe snel ze loopt.
Ik gris mijn jas van de kapstok, loop de deur uit en haal haar bij het winkelcentrum in. We lopen samen de winkel in. Die heeft goede zaken gedaan met het brood. We wachten tot de omroepster iedereen oproept met spoed de laatste boodschappen in te laden. Wij laden met toestemming van de verkoopster het weinig overgebleven brood over. De buurvrouw is zichtbaar teleurgesteld. Er is weinig en het is vooral niet zo voedzaam wit brood.
Met een boodschappenwagen en een boodschappentas lopen we terug naar huis. Twee broden of zakken broodjes kunnen we aan de gezinnen aanbieden. Die het met graagte ontvangen. Voor sommigen een welkome aanvulling. Voor anderen een enigszins voedzame aanwinst op hun nauwelijks voedzame weekmenu.
De buurvrouw en ik groeten elkaar. Morgen staat er nog een volle boodschappenkar klaar met overblijfselen van gisterenavond, waarvan de inhoud gebruikt wordt voor de wekelijkse brunch. Wat daar niet aan opgaat, zal worden uitgedeeld aan andere mensen die bij ons bekend zijn.
Ik ga aan de restanten van mijn inmiddels koud geworden macaronibord. Een luxe in vergelijking met het weinige dat sommigen deze zelfde avond hebben ontvangen (wat wellicht het enige is dat ze zullen verorberen).
De liefde en trouw waarmee mijn buurvrouw het brood ophaalt en nog zo laat uitdeelt is voor mij een voorbeeld van missionair bezig zijn. Het geloof, hoe pril dan ook, wordt handen en voeten gegeven en dat merkt deze buurt aan den lijve.
dinsdag 8 januari 2008
Fulltime missionair werker?
Ze gingen voor hun leven naar een ver land. Ze hadden een roeping. Ze zouden het geloof gaan verkondigen, die arme mensen helpen, ondersteuning geven aan wat zwak is. Die roeping, die missie, kwam naar voren in hun beroep. Missionarissen of zendelingen, afhankelijk van de kerkelijke signatuur.
Wie ben ik dat ik mezelf het stempel missionair geef? Als ik van negen tot vijf (meestal later beginnend en later eindigend) zoals veel andere uitverkoren niet-werkloze Nederlanders op mijn kantoor zit, achter mijn PC, omringd door mijn collega's en mijn dagelijkse werk doe?
Is het niet aanmatigend van jezelf te vinden dat je missionair bent? Je bent toch niet anders dan die anderen? Je woont toch gewoon net zoals iedereen in een rijtjeshuis en doet de dingen (meestal) net zoals de anderen om je heen? Je gaat niet naar een ver land, maar blijft in een vertrouwde omgeving (althans: in hetzelfde land). Je kent hier de gebruiken en weet wat mensen bedoelen.
Of is missiewerk ooit verkeerd geïnterpreteerd door het verre werk zo te benoemen (en interessanter te maken) en het werk dichtbij de term evangelisatie te geven? Wat ben je als mensen je vragen wat je doet? Al naar gelang de persoon die ik voor me heb, kan ik antwoorden dat ik ambtenaar ben, vader, echtgenoot, evangelist of missionair werker.
Er is ooit door mensen bedacht dat wie zijn geld zelf verdient geen zendeling, missionaris of missionair werker kan zijn. Tenzij hij ver weg gaat en er de term "tentenmaker" aan is gegeven. Dan werkt hij overdag in zijn beroep in het verre land en is 's avonds de evangelist, de dominee of de christelijke opbouwwerker. En dat tezamen vormt dan de term zendeling (want dat zijn meestal protestants-evangelische gezondenen).
Een prachtig voorbeeld van een "mind-shift" vond ik een tijd geleden in een Engels tijdschrift van de London Institute of Contemporary Christianity (LICC), die een sticker aanboden met de term "I am a fulltime christian worker". Dit doorbrak het denkpatroon dat alleen iemand geestelijk werk doet, die dat fulltime doet. Alleen wie zijn "geestelijk" werk fulltime doet, zal daardoor gezegend worden. Nee, schreef het artikel. We zijn overal christen en zijn op elke plek een evangelist. Of om het in de term van de titel te vangen: we zijn overal missionair werker. Niet alleen wie ver weg gaat is een geroepene en daarmee een gezondene met een missie. Ook wie "achterblijft" en schijnbaar weinig succes of mooie verhalen heeft is gezonden en geroepen om een missie te volbrengen.
Overal waar je werkt kom je mensen tegen die nog niet erg gelovig zijn. Daarvoor kun je een missionair werker zijn. Goed, er wordt geen mooie video van gemaakt. Er kunnen geen mooie, zielige plaatjes worden gemaakt van uitgemergelde, liefst gekleurde, kinderen die aan het gehoor hangen van de gezondene. Maar de opdracht is er niet minder om.
De vraag is: zijn we echt missionaire werkers? Waar we ons ook bevinden? Of zijn we bevangen door het scheidingsduiveltje. Dat zegt dat we op zondag (en voor de goeden onder ons zelfs op een doordeweekse avond) het christelijk geloof beleven. Die ons wijs maakt dat in de tussenliggende dagen vooral ons werk en de leuke dingen belangrijk zijn. Dat die werkzaamheden gescheiden zijn van onze religieuze bezigheden.
Werk, het kan een missie zijn. Waarin het doel van ons leven in uitgeleefd kan worden. Niet om alleen te verkondigen, maar juist door er te zijn en dezelfde dingen te doen. En ze zo te doen dat anderen zich afvragen waarom we het zo doen. De hobby kan zo een hulp zijn om mensen op weg te helpen. Niet op de onwijze manier van de christen voetbaltrainer die met enkele jonge voetballertjes van tevoren moest gaan bidden voor een zegenrijke training (vraag me niet naar de blauwe plekken daarna). Maar door ook daar een andere houding uit te stralen en vooral uit te leven.
Ben ik een fulltime missionair werker? Volmondig: ja. Soms met de frustratie dat ik er nog bij moet werken. Vooral als ik verhalen in mijn missionair (vrijwilligers)werk hoor van mensen die nog zoveel meer in onze wijk willen organiseren en opzetten. Dan jeuken mijn handen, wil ik het werk-bijltje erbij neer gooien en er fulltime voor gaan. Maar zolang er nog behoefte is aan een gezonde financiële ondersteuning van het thuisfront en er geen briefje of andere vorm van leiding uit de hemel neerdwarrelt, wil ik mij toewijden aan mijn dubbele roeping om als missionair ambtenaar (theologisch bestuurskundige of bestuurskundige theoloog zo u wilt) God, mijn gezin, de samenleving en de wijk te dienen.
En daar mag de lezer af en toe van meegenieten.
Wie ben ik dat ik mezelf het stempel missionair geef? Als ik van negen tot vijf (meestal later beginnend en later eindigend) zoals veel andere uitverkoren niet-werkloze Nederlanders op mijn kantoor zit, achter mijn PC, omringd door mijn collega's en mijn dagelijkse werk doe?
Is het niet aanmatigend van jezelf te vinden dat je missionair bent? Je bent toch niet anders dan die anderen? Je woont toch gewoon net zoals iedereen in een rijtjeshuis en doet de dingen (meestal) net zoals de anderen om je heen? Je gaat niet naar een ver land, maar blijft in een vertrouwde omgeving (althans: in hetzelfde land). Je kent hier de gebruiken en weet wat mensen bedoelen.
Of is missiewerk ooit verkeerd geïnterpreteerd door het verre werk zo te benoemen (en interessanter te maken) en het werk dichtbij de term evangelisatie te geven? Wat ben je als mensen je vragen wat je doet? Al naar gelang de persoon die ik voor me heb, kan ik antwoorden dat ik ambtenaar ben, vader, echtgenoot, evangelist of missionair werker.
Er is ooit door mensen bedacht dat wie zijn geld zelf verdient geen zendeling, missionaris of missionair werker kan zijn. Tenzij hij ver weg gaat en er de term "tentenmaker" aan is gegeven. Dan werkt hij overdag in zijn beroep in het verre land en is 's avonds de evangelist, de dominee of de christelijke opbouwwerker. En dat tezamen vormt dan de term zendeling (want dat zijn meestal protestants-evangelische gezondenen).
Een prachtig voorbeeld van een "mind-shift" vond ik een tijd geleden in een Engels tijdschrift van de London Institute of Contemporary Christianity (LICC), die een sticker aanboden met de term "I am a fulltime christian worker". Dit doorbrak het denkpatroon dat alleen iemand geestelijk werk doet, die dat fulltime doet. Alleen wie zijn "geestelijk" werk fulltime doet, zal daardoor gezegend worden. Nee, schreef het artikel. We zijn overal christen en zijn op elke plek een evangelist. Of om het in de term van de titel te vangen: we zijn overal missionair werker. Niet alleen wie ver weg gaat is een geroepene en daarmee een gezondene met een missie. Ook wie "achterblijft" en schijnbaar weinig succes of mooie verhalen heeft is gezonden en geroepen om een missie te volbrengen.
Overal waar je werkt kom je mensen tegen die nog niet erg gelovig zijn. Daarvoor kun je een missionair werker zijn. Goed, er wordt geen mooie video van gemaakt. Er kunnen geen mooie, zielige plaatjes worden gemaakt van uitgemergelde, liefst gekleurde, kinderen die aan het gehoor hangen van de gezondene. Maar de opdracht is er niet minder om.
De vraag is: zijn we echt missionaire werkers? Waar we ons ook bevinden? Of zijn we bevangen door het scheidingsduiveltje. Dat zegt dat we op zondag (en voor de goeden onder ons zelfs op een doordeweekse avond) het christelijk geloof beleven. Die ons wijs maakt dat in de tussenliggende dagen vooral ons werk en de leuke dingen belangrijk zijn. Dat die werkzaamheden gescheiden zijn van onze religieuze bezigheden.
Werk, het kan een missie zijn. Waarin het doel van ons leven in uitgeleefd kan worden. Niet om alleen te verkondigen, maar juist door er te zijn en dezelfde dingen te doen. En ze zo te doen dat anderen zich afvragen waarom we het zo doen. De hobby kan zo een hulp zijn om mensen op weg te helpen. Niet op de onwijze manier van de christen voetbaltrainer die met enkele jonge voetballertjes van tevoren moest gaan bidden voor een zegenrijke training (vraag me niet naar de blauwe plekken daarna). Maar door ook daar een andere houding uit te stralen en vooral uit te leven.
Ben ik een fulltime missionair werker? Volmondig: ja. Soms met de frustratie dat ik er nog bij moet werken. Vooral als ik verhalen in mijn missionair (vrijwilligers)werk hoor van mensen die nog zoveel meer in onze wijk willen organiseren en opzetten. Dan jeuken mijn handen, wil ik het werk-bijltje erbij neer gooien en er fulltime voor gaan. Maar zolang er nog behoefte is aan een gezonde financiële ondersteuning van het thuisfront en er geen briefje of andere vorm van leiding uit de hemel neerdwarrelt, wil ik mij toewijden aan mijn dubbele roeping om als missionair ambtenaar (theologisch bestuurskundige of bestuurskundige theoloog zo u wilt) God, mijn gezin, de samenleving en de wijk te dienen.
En daar mag de lezer af en toe van meegenieten.
maandag 7 januari 2008
God werkt anders
Het is de week voor Kerstmis. We ontvangen 10 jongeren in een met kerstpakketten volgepakte kamer. Er is net ruimte voor vijf mensen om te zitten. De andere vijf hangen, staan of zitten bij elkaar op schoot. Ik zit op de tafel, omdat er geen plek meer is (mooie kerstgedachte). In die setting is een normale conversatie met de jongeren uit onze wijk nauwelijks te doen. De een donderjaagt met de ander. Er is geen rust in te vinden. We proberen zo goed en zo kwaad mogelijk te vertellen hoe Maria gebruikt werd door God om Jezus in haar lichaam te laten groeien. En de bereidheid had om daarin toe te staan. Na afloop heb ik een onbevredigend gevoel Alles was zo chaotisch. De jongeren zullen er niets van begrepen hebben.
Vandaag, twee weken na kerstmis. Ik vraag aan de bezoekers wat ze hebben geleerd over God. Zo ook een van de bezoekers van de jongerenbijeenkomst voor Kerst. Hij is nog maar een keer geweest. Dat was die ene keer. Ik denk bij mezelf dat hij nog niet veel heeft geleerd. Dus zeg hem dat hij ook mag opschrijven wat hij graag wil leren. Als we gaan delen wat er is opgeschreven, komen we bij hem uit. Hij heeft geleerd dat God hem kan gebruiken, net zoals Maria.
Ik ben stil. Mijn gedachten over chaos verdwijnen. God werkt ondanks al die omstandigheden heen en kan het binnenste bij iemand raken! God heeft mij gebruikt in al mijn machteloosheid om temidden van de chaos een jongere iets te leren over hoe Hij werkt. Hoe zwakker ik ben, des te sterker kan God werken. Dat geeft hoop voor al die andere momenten van chaos en verwarring in verleden en toekomst.
Dan denk ik terug aan de tekst waarin God zegt: "Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen".
Vandaag, twee weken na kerstmis. Ik vraag aan de bezoekers wat ze hebben geleerd over God. Zo ook een van de bezoekers van de jongerenbijeenkomst voor Kerst. Hij is nog maar een keer geweest. Dat was die ene keer. Ik denk bij mezelf dat hij nog niet veel heeft geleerd. Dus zeg hem dat hij ook mag opschrijven wat hij graag wil leren. Als we gaan delen wat er is opgeschreven, komen we bij hem uit. Hij heeft geleerd dat God hem kan gebruiken, net zoals Maria.
Ik ben stil. Mijn gedachten over chaos verdwijnen. God werkt ondanks al die omstandigheden heen en kan het binnenste bij iemand raken! God heeft mij gebruikt in al mijn machteloosheid om temidden van de chaos een jongere iets te leren over hoe Hij werkt. Hoe zwakker ik ben, des te sterker kan God werken. Dat geeft hoop voor al die andere momenten van chaos en verwarring in verleden en toekomst.
Dan denk ik terug aan de tekst waarin God zegt: "Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen".
maandag 24 december 2007
Blogloos of levenloos?
Een reactie van Paul triggerde me vandaag: Hé Rick - een post uit oktober en nog geen reacties.
Ja, dat was mijn laatste post. Sindsdien lijk ik van de blog-aardbodem verdwenen. "Lijkt", want niets is minder waar. Maar ja, waar gewerkt wordt, moeten keuzes worden gemaakt. Even terugkijkend naar oktober tot nu toe zie ik weken achtereen werken voor de baas (met alle begrotingsrituelen van dien), computerles geven, extra lessen invallen voor Aneta die tussentijds een aantal weken op vlieg-vakantie ging, tweewekelijkse gebedsavonden bij Villa Klarendal, teamoverleggen, gezellige uitjes, coördinatieoverleggen met de Voedselbank, gezellige gesprekjes met buurtbewoners, tussendoor een tweeweekse drukte doordat Hilversum bij Klarendal op de stoep stond en onze telefoon roodgloeiend stond. Daardoor verviel een rustig weekend tussendoor tot een overbezet weekend met live radio en van tevoren opgenomen tv.
Bloggend kijk ik terug op een hectische periode, waarin me weer duidelijk wordt waar ik ook al weer mee bezig ben. We willen graag veel voor onze wijk betekenen. En daardoor heen iets van Gods liefde laten zien. Tv en radio kunnen daarbij hulpmiddelen zijn, maar zijn toch ook maar tijdelijke vehikels die een tijdlang al je tijd opvreten om je vrij snel daarna weer helemaal vergeten te zijn. Nee, het gaat om de mensen die we dagelijks op straat tegenkomen. Die zuchtend achter de computer zitten, omdat het ze nog niet lukt. Maar die na veel ondersteuning en lessen later tot de conclusie komen dat ze meer kunnen dan ze zelf dachten. Die daardoor meer vertrouwen in zichzelf krijgen en nieuwe dingen gaan ondernemen. Mensen die eerst alleen maar thuis zaten en door ons te leren kennen nieuwe moed hebben gekregen om meer te ondernemen dan ze zelf ooit bedacht hadden. Die ons nu aan de mouw trekken om toch vooral snel nieuwe dingen te kunnen ondernemen.
In dat alles kun je wel eens vermoeid raken. Was het Jezus zelf niet die ooit verzuchtte dat de Zoon des Mensen zelfs geen kussen heeft om op te slapen (en denk nou niet te vroom over die opmerking - hij was gewoon moe). Zo hebben we wel eens op de bank gelegen en gedacht: waar doen we het allemaal toch voor. Dan kijk je naar anderen die allerlei leuke dingen voor zichzelf en hun gezin organiseren. Maar goed, bij die moeheid komt ook de tevredenheid dat we op Gods weg wandelen. En worden we bemoedigd door nieuwe christenen of mensen die langzaam op pad zijn die richting op te lopen.
Dat gaat niet altijd zo snel als wij zouden willen. Je zou al die mensen liefst nog vandaag binnen zien komen en over de streep trekken. Vandaag zei een van de medewerkers nog dat hij het vreemd vond dat we 199 kerstpakketten deze week hebben uitgedeeld (jazeker!!!), maar dat toch niemand naar de maaltijd en viering is gekomen. Mijn gedachte is daarbij dat zo'n kerstpakket misschien een eerste kennismaking is die wellicht over enkele maanden een vervolg krijgt. Nee, snelle resultaten zien we niet. Maar wat we zien gebeuren is daardoor wel degelijk. Mensen lopen wekelijks met ons mee. Zien ons in onze dagelijkse bedoening. En zullen ongetwijfeld onze ruzies hebben gehoord als de dingen thuis weer eens niet gingen zoals wijzelf wensten. Maar zagen ons dan ook weer de volgende dag rustig met elkaar optrekken. Niets menselijks is ons vreemd. Daar willen we ons ook niet voor schamen. Maar dat we elkaar vergeven, is toch wel heel vreemd.
Dus gaan we verder op ons missionaire pad. Soms lijkt dat pad weinig missionair, omdat we zo praktisch bezig zijn. Maar het ene is niet los te zien van het andere. Een mens heeft materiële behoeften. Dus delen we voedselpakketten uit. Een mens wil verder in dit digitale tijdperk. Dus geven we computerles. Een mens wil een luisterend oor. Dus zijn wij zijn of haar oor. Een mens wil soms zijn frustraties uiten. Dan proberen we hem zo goed en zo kwaad het kan te helpen. Een mens weet niet hoe hij zijn problemen kan uiten, dus gaat hij tijdens een viering rotzooien. Dan moeten wij hem soms de deur wijzen. Fijne dingen, moeilijke dingen. Gezellige momenten, stomvervelende momenten. De tv ploeg binnen (wauw!); een slaande ruzie buiten (oef!).
Missionair werk. Succes verzekerd? No way. Wij zijn mensen en werken met mensen. Wij stellen teleur en mensen stellen ons teleur. Wij hebben verwachtingen die niet uitkomen. Daar moeten we ook psychisch overheen komen. Want ook een missionair werker of hoe je mij dan ook noemt is maar een mens. En deze mens mag ook weer verder gaan. Met vallen en opstaan. Onder druk en in rust. In goede en in slechte tijden. Soms blogloos, maar nooit levenloos. En ik zal de laatste zijn die zegt dat dit dankzij mijn inspanning is. God gaat door en geeft nieuwe kracht!
Ja, dat was mijn laatste post. Sindsdien lijk ik van de blog-aardbodem verdwenen. "Lijkt", want niets is minder waar. Maar ja, waar gewerkt wordt, moeten keuzes worden gemaakt. Even terugkijkend naar oktober tot nu toe zie ik weken achtereen werken voor de baas (met alle begrotingsrituelen van dien), computerles geven, extra lessen invallen voor Aneta die tussentijds een aantal weken op vlieg-vakantie ging, tweewekelijkse gebedsavonden bij Villa Klarendal, teamoverleggen, gezellige uitjes, coördinatieoverleggen met de Voedselbank, gezellige gesprekjes met buurtbewoners, tussendoor een tweeweekse drukte doordat Hilversum bij Klarendal op de stoep stond en onze telefoon roodgloeiend stond. Daardoor verviel een rustig weekend tussendoor tot een overbezet weekend met live radio en van tevoren opgenomen tv.
Bloggend kijk ik terug op een hectische periode, waarin me weer duidelijk wordt waar ik ook al weer mee bezig ben. We willen graag veel voor onze wijk betekenen. En daardoor heen iets van Gods liefde laten zien. Tv en radio kunnen daarbij hulpmiddelen zijn, maar zijn toch ook maar tijdelijke vehikels die een tijdlang al je tijd opvreten om je vrij snel daarna weer helemaal vergeten te zijn. Nee, het gaat om de mensen die we dagelijks op straat tegenkomen. Die zuchtend achter de computer zitten, omdat het ze nog niet lukt. Maar die na veel ondersteuning en lessen later tot de conclusie komen dat ze meer kunnen dan ze zelf dachten. Die daardoor meer vertrouwen in zichzelf krijgen en nieuwe dingen gaan ondernemen. Mensen die eerst alleen maar thuis zaten en door ons te leren kennen nieuwe moed hebben gekregen om meer te ondernemen dan ze zelf ooit bedacht hadden. Die ons nu aan de mouw trekken om toch vooral snel nieuwe dingen te kunnen ondernemen.
In dat alles kun je wel eens vermoeid raken. Was het Jezus zelf niet die ooit verzuchtte dat de Zoon des Mensen zelfs geen kussen heeft om op te slapen (en denk nou niet te vroom over die opmerking - hij was gewoon moe). Zo hebben we wel eens op de bank gelegen en gedacht: waar doen we het allemaal toch voor. Dan kijk je naar anderen die allerlei leuke dingen voor zichzelf en hun gezin organiseren. Maar goed, bij die moeheid komt ook de tevredenheid dat we op Gods weg wandelen. En worden we bemoedigd door nieuwe christenen of mensen die langzaam op pad zijn die richting op te lopen.
Dat gaat niet altijd zo snel als wij zouden willen. Je zou al die mensen liefst nog vandaag binnen zien komen en over de streep trekken. Vandaag zei een van de medewerkers nog dat hij het vreemd vond dat we 199 kerstpakketten deze week hebben uitgedeeld (jazeker!!!), maar dat toch niemand naar de maaltijd en viering is gekomen. Mijn gedachte is daarbij dat zo'n kerstpakket misschien een eerste kennismaking is die wellicht over enkele maanden een vervolg krijgt. Nee, snelle resultaten zien we niet. Maar wat we zien gebeuren is daardoor wel degelijk. Mensen lopen wekelijks met ons mee. Zien ons in onze dagelijkse bedoening. En zullen ongetwijfeld onze ruzies hebben gehoord als de dingen thuis weer eens niet gingen zoals wijzelf wensten. Maar zagen ons dan ook weer de volgende dag rustig met elkaar optrekken. Niets menselijks is ons vreemd. Daar willen we ons ook niet voor schamen. Maar dat we elkaar vergeven, is toch wel heel vreemd.
Dus gaan we verder op ons missionaire pad. Soms lijkt dat pad weinig missionair, omdat we zo praktisch bezig zijn. Maar het ene is niet los te zien van het andere. Een mens heeft materiële behoeften. Dus delen we voedselpakketten uit. Een mens wil verder in dit digitale tijdperk. Dus geven we computerles. Een mens wil een luisterend oor. Dus zijn wij zijn of haar oor. Een mens wil soms zijn frustraties uiten. Dan proberen we hem zo goed en zo kwaad het kan te helpen. Een mens weet niet hoe hij zijn problemen kan uiten, dus gaat hij tijdens een viering rotzooien. Dan moeten wij hem soms de deur wijzen. Fijne dingen, moeilijke dingen. Gezellige momenten, stomvervelende momenten. De tv ploeg binnen (wauw!); een slaande ruzie buiten (oef!).
Missionair werk. Succes verzekerd? No way. Wij zijn mensen en werken met mensen. Wij stellen teleur en mensen stellen ons teleur. Wij hebben verwachtingen die niet uitkomen. Daar moeten we ook psychisch overheen komen. Want ook een missionair werker of hoe je mij dan ook noemt is maar een mens. En deze mens mag ook weer verder gaan. Met vallen en opstaan. Onder druk en in rust. In goede en in slechte tijden. Soms blogloos, maar nooit levenloos. En ik zal de laatste zijn die zegt dat dit dankzij mijn inspanning is. God gaat door en geeft nieuwe kracht!
maandag 29 oktober 2007
Verhalen delen rond Emerging NL
Verhalen delen rond emerging church in Nederland, dat is waar we ruimte voor willen maken tijdens een weekend in april 2008. Het gaat dan om onze persoonlijke verhalen, de verhalen van critici en natuurlijk de verbinding met Gods grote verhaal.
Het weekend is eerst en vooral bedoeld voor mensen die bezig zijn met het starten van nieuwe kerken en zoeken naar nieuwe kerkvormen. Daarnaast zouden we het leuk vinden als er ook mensen meegaan die dit overwegen.
Momenteel worden de eerste stappen gezet voor de praktische organisatie. Over de exacte datum, het programma, de lokatie en het maximale aantal deelnemers zijn we aan het nadenken. Er zal in ieder geval veel ruimte zijn voor informele gesprekken en verstilde spiritualiteit. Deze vooraankondiging is bedoeld om je te laten weten dat dit eraan komt en om je uit te nodigen suggesties te doen voor de invulling.
Dit weekend is een initiatief van Diana en Nico-Dirk van Loo, Eveline en Dave Hund, Lindsey en Matthijs Vlaardingerbroek, Rick en Aneta Jansen en Rosalie en Martijn Vellekoop. We hopen met dit weekend het gesprek rond emerging church in Nederland verder op gang te helpen en elkaar te bemoedigen.
Het weekend is eerst en vooral bedoeld voor mensen die bezig zijn met het starten van nieuwe kerken en zoeken naar nieuwe kerkvormen. Daarnaast zouden we het leuk vinden als er ook mensen meegaan die dit overwegen.
Momenteel worden de eerste stappen gezet voor de praktische organisatie. Over de exacte datum, het programma, de lokatie en het maximale aantal deelnemers zijn we aan het nadenken. Er zal in ieder geval veel ruimte zijn voor informele gesprekken en verstilde spiritualiteit. Deze vooraankondiging is bedoeld om je te laten weten dat dit eraan komt en om je uit te nodigen suggesties te doen voor de invulling.
Dit weekend is een initiatief van Diana en Nico-Dirk van Loo, Eveline en Dave Hund, Lindsey en Matthijs Vlaardingerbroek, Rick en Aneta Jansen en Rosalie en Martijn Vellekoop. We hopen met dit weekend het gesprek rond emerging church in Nederland verder op gang te helpen en elkaar te bemoedigen.
woensdag 17 oktober 2007
(Villa) Klarendal op radio en tv

‘Durf te geloven in je wijk’ is de titel van een campagne waarin NCRV-programma’s en internet de Arnhemse wijk Klarendal volgen, waarin wij wonen en werken met Villa Klarendal. Het kabinet wil er een prachtwijk van maken en de NCRV legt dat proces de komende jaren vast.
Van zondag 21 oktober tot en met 4 november in tal van radio- en televisieprogramma’s en op de website www.jewijk.ncrv.nl staat het leven in Klarendal centraal. De programma’s komen vanuit Hilversum en de tijdelijke NCRV-Studio Klarendal.
Hoe gaan mensen er met elkaar om en waar lopen zij tegenaan? De NCRV kiest voor de bewoners van Klarendal in hun strijd voor een betere wijk en volgt wat bewoners, bestuurders, maatschappelijke organisaties en woningcorporaties doen om de kwaliteit van leven in de wijk te vergroten.
Ook Villa Klarendal krijgt in de programmering een plekje. In de programma's hieronder die vet zijn gemaakt zullen wij (vooral Rick en enkele wijkbewoners) onze opwachting maken. Dat gebeurt in de programma's die hieronder vet zijn gemaakt.
Zondag 21 oktober: Schepper & Co (Radio 5, 15.02 uur) presenteert vanuit Studio Klarendal een onderzoek naar de rol van kerk en moskee in probleemwijken.
Beluister hier de uitzending
Maandag 22 oktober: Schepper & Co tv (Ned. 2, 17.09) staat in het teken van de rol van kerk en moskee in de wijk.
Bekijk hier de uitzending
Vrijdag 27 oktober: Netwerk (Ned. 2, 20.25 uur), reportage uit de wijk.
Zaterdag 28 oktober: Cappuccino (Radio 2, 09.05 uur) heeft Klarendallers op de koffie.
Maandag 29 oktober: Schepper & Co tv (Ned. 2, 17.09) Kerk in een probleemwijk (herhaling van 22 oktober)
Dokument (Ned. 2, 22.55 uur). Frans Bromet met een documentaire over opgroeien in Klarendal. Waarschijnlijk zullen onze drie jongste kinderen hierin te zien zijn.
Casa Luna (Radio 1, 0.02 uur) ontvangt socioloog Jan Willem Duyvendak. Een goed gesprek over wijken en thuisgevoel.
Woensdag 31 oktober: Netwerk (Ned. 2, 20.25 uur), een reportage uit de wijk. Op Ned. 1 wordt een show uitgezonden rond het thema Durf te geloven in je wijk, gepresenteerd door Caroline Tensen. Onze twee jongste dochters zullen hierin te zien en te horen zijn
Zaterdag 3 november: Rondom Tien (Ned. 2, 21.05 uur) sluit de campagne af met een debat over probleemwijken.
Zondag 4 november: Het Derde Testament (Nederland 2, 19.40 uur)
"Rick is te gast, die twee jaar geleden is begonnen met Villa Klarendal. Hij heeft zes bekende meezingers bewerkt tot liederen voor de ‘kerkdienst’. Op zondagen is er ’s ochtends eerst een brunch en daarna de viering. Ricks doel met de liederen is om mensen vertrouwd te maken met het geloof. Als ze voor het eerst komen, hoeven ze niet meteen onbekende liederen te leren. Enkele bewerkte nummers zijn ‘Geef Hem nu je angst’ van André Hazes en ‘Bij God is geen bedrog’ van Marco Borsato."
woensdag 10 oktober 2007
Kijk naar een missionair project
Villa Klarendal, ons missionair project in de Arnhemse wijk Klarendal, is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Daar zijn jaren van hard werken, gewoon tussen mensen leven en bidden voor de wijk aan vooraf gegaan.
Daar wil ik graag over vertellen. Gelukkig ben ik niet de enige. Voordat we begonnen, kregen we hulp van wat mensen. Een daarvan was Matthijs Vlaardingerbroek, die zeven jaar geleden met zijn vrouw Lindsey het project In de Praktijk in de Haagse Spoorwijk is gestart. Net zoals wij hebben ook zij een brunch en viering (zij waren eerder!). Een paar maanden geleden was ik er eens op bezoek. Leuk om dan te zien dat de werkwijze nagenoeg hetzelfde is.
Afgelopen zondag werd Matthijs geïnterviewd voor het NCRV-programma Het Derde Testament. Je kunt die uitzending hier nog eens bekijken.
Door toedoen van Matthijs komt een tv-ploeg van dit programma ook over twee weken een ochtend naar Villa Klarendal toe. Ditmaal met als speciaal item de volksliedjes die wij omzetten naar liedjes met een christelijke tekst. Je zult er nog wel meer over horen.
Afgelopen zondag werd Matthijs geïnterviewd voor het NCRV-programma Het Derde Testament. Je kunt die uitzending hier nog eens bekijken.
Door toedoen van Matthijs komt een tv-ploeg van dit programma ook over twee weken een ochtend naar Villa Klarendal toe. Ditmaal met als speciaal item de volksliedjes die wij omzetten naar liedjes met een christelijke tekst. Je zult er nog wel meer over horen.
woensdag 26 september 2007
Groot, groter, grootst
Je verwacht het niet, maar ook op de satirische site Goedgelovig.nl vindt op dit moment een discussie plaats over het nut en de zegen van Megakerken. Onder de titel Groot, groter, grootst werd gewag gemaakt van de wens van de oudstenraad van de kerk van dominee Orlando Bottenbley (door een van de bezoekers plagend Bot en Blij genoemd) om een kerk voor 5000 mensen te bouwen. Daarna barstte de discussie los over dit fenomeen.
Wat ruist daar langs de wolken?
Ik ben in deze periode bezig een boek te schrijven. Of hij ooit wordt uitgegeven, weet ik op dit moment nog niet.
Al schrijvend krijg je af en toe een brainwave. Zo ook deze. Als we spreken over rekening houden met de mensen die we tegenkomen, heeft dat ook gevolgen voor de liederen die we zingen. Die zijn vaak heel mooi voor ingewijden, maar voor buitenstaanders soms echt niet te volgen.
Daarom hieronder een denkbeeldig gedachtenspel van een zoekende niet-gelovige in een kerk waar "Daar ruist langs de wolken" wordt gezongen.
Daar ruist langs de wolken een lieflijke naam: ik zie in gedachten een stel wolken. Wat was ruisen ook al weer? Een lieflijke naam? Hangt dat dan achter een vliegtuigje net zoals een reclameboodschap? Bij lieflijk denk ik aan een vlinder of zo.
…die hemel en aarde verenigt tezaam: daar snap ik dus helemaal niets van! Hoe kan een lieflijke naam nou hemel en aarde verenigen. Wat is de hemel trouwens?
Geen naam is er zoeter en beter voor ’t hart: is die naam dan een snoepje of een dropje? Klene ken ik van de reclame. Wordt dat dan met die naam bedoeld? “Beter voor ’t hart” maakt het voor mij niet veel duidelijker. Een naam die zoet is en beter voor het hart? Snoep en hart- en vaatziekten gaan toch meestal niet goed samen? Is het Becel in snoepvorm of zo?
Hij balsemt de wonden en heelt alle smart: balsemen? Dat doe je toch bij doden? Over welke wonden heeft het lied het? Wat is dat: smart? Ik ken wel smartlappen, maar ik weet niet of dat iets met die naam te maken heeft.
Kent gij, kent gij die naam nog niet: nee, dus, ik ben al de hele tijd aan het zoeken, maar ik kom er maar niet achter wat er wordt bedoeld.
…die naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied: nou ben ik nog geen steek verder. Wat is dat: Heiland. Waar ligt dat dan precies? Dicht bij Engeland of zo? Of is dat op de Veluwe of in Drenthe, waar veel hei ligt? En dat er lust in voorkomt, komt mij ook wat vreemd over. Het is toch hier een kerk en geen lustoord? En OK, ze zijn hier aan het zingen, maar wat wordt dan precies bedoeld met "mijn lied".
Al schrijvend krijg je af en toe een brainwave. Zo ook deze. Als we spreken over rekening houden met de mensen die we tegenkomen, heeft dat ook gevolgen voor de liederen die we zingen. Die zijn vaak heel mooi voor ingewijden, maar voor buitenstaanders soms echt niet te volgen.
Daarom hieronder een denkbeeldig gedachtenspel van een zoekende niet-gelovige in een kerk waar "Daar ruist langs de wolken" wordt gezongen.
Daar ruist langs de wolken een lieflijke naam: ik zie in gedachten een stel wolken. Wat was ruisen ook al weer? Een lieflijke naam? Hangt dat dan achter een vliegtuigje net zoals een reclameboodschap? Bij lieflijk denk ik aan een vlinder of zo.
…die hemel en aarde verenigt tezaam: daar snap ik dus helemaal niets van! Hoe kan een lieflijke naam nou hemel en aarde verenigen. Wat is de hemel trouwens?
Geen naam is er zoeter en beter voor ’t hart: is die naam dan een snoepje of een dropje? Klene ken ik van de reclame. Wordt dat dan met die naam bedoeld? “Beter voor ’t hart” maakt het voor mij niet veel duidelijker. Een naam die zoet is en beter voor het hart? Snoep en hart- en vaatziekten gaan toch meestal niet goed samen? Is het Becel in snoepvorm of zo?
Hij balsemt de wonden en heelt alle smart: balsemen? Dat doe je toch bij doden? Over welke wonden heeft het lied het? Wat is dat: smart? Ik ken wel smartlappen, maar ik weet niet of dat iets met die naam te maken heeft.
Kent gij, kent gij die naam nog niet: nee, dus, ik ben al de hele tijd aan het zoeken, maar ik kom er maar niet achter wat er wordt bedoeld.
…die naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied: nou ben ik nog geen steek verder. Wat is dat: Heiland. Waar ligt dat dan precies? Dicht bij Engeland of zo? Of is dat op de Veluwe of in Drenthe, waar veel hei ligt? En dat er lust in voorkomt, komt mij ook wat vreemd over. Het is toch hier een kerk en geen lustoord? En OK, ze zijn hier aan het zingen, maar wat wordt dan precies bedoeld met "mijn lied".
dinsdag 18 september 2007
Kunst in Villa Klarendal

"Kunst uit de container" stond er afgelopen zaterdag en zondag pontificaal bij onze deur. We zouden afvalkunst gaan presenteren.
Omdat onze deur niet zo erg in het zicht ligt, moest er een trekker voor de deur staan of zitten. Dus zat ik bij wijze van artisticiteit bij de deur om vooral onze eigengemaakte liedjes ten gehore te brengen.

Veel mensen kwamen langs en waren enthousiast over wat ze zagen. We hadden zelfs een tafel ingericht met materiaal waar gasten iets van konden maken. Op een gegeven moment zag ik steeds meer kinderen met eigengemaakte sieraden de deur uitgaan.
Dat geldt voor het materiaal dat we gebruiken, maar ook voor de mensen die we ontmoetten. Niemand is waardeloos, iedereen is bruikbaar.
Dat geldt ook voor het brood dat we uitdelen en de producten die we in kratten aan Voedselbankafnemers overdragen. OK, na een bepaalde datum wordt voedsel minder bruikbaar. Maar rond de "over tijd datum" (en zelfs nog daarna, afhankelijk van het product) is het nog goed te eten.
Afval uit de container. Gelukkig niet rechtstreeks eruit geplukt (geeft zo'n heerlijke geur), maar gebruikt voordat het de container ingedonderd zou worden.
Zo kan kunst ook nog missionair zijn. En attractief. We zullen zien wie we de komende tijd gaan tegenkomen.
Wil je een sfeerimpressie bekijken, klik dan door naar:
vrijdag 14 september 2007
Meedoen aan een attractief programma
Zo af en toe krijgen we als steeds bekender project in de wijk een aanbod dat we niet kunnen afslaan.
Vanuit de organisatie van "Wijken voor kunst" kregen we de vraag of we dit jaar mee wilden doen met deze manifestatie. Deze activiteit wordt georganiseerd door zeer creatieve wijkbewoners. Zij schrijven er zelf over:
gedurende twee dagen openen kunstenaars in de Arnhemse wijken Klarendal, Sint Marten en Sonsbeekkwartier de deuren van hun atelier van 12.00 uur tot 18.00 uur en tonen zij samen met andere creatieve buurtbewoners en kunstinstellingen hun werk op verschillende plekken. Over de wijken ligt gedurende het weekend een netwerk van exposities. Op 75 lokaties laten ruim 130 deelnemers en even zoveel kinderen uit de wijk iets zien of horen.
De organisatoren hoopten dat wij nu ook zouden aanhaken bij deze kunstzinnige wijkactiviteit.
Dat aanbod konden we natuurlijk niet afslaan. Met name Hester Siegers, de meest creatieve figuur binnen ons kernteam, daarbij ondersteund door Rina -een christen wijkbewoner die ook sieradenmaker is en haar sieraden ook zal tentoonstellen- is vervolgens aan de slag gegaan met kinderen die op onze kinder bijbel club komen. Samen hebben ze van afvalmateriaal mooie kunststukjes gemaakt.
Morgen om 13.00 uur openen we de deuren en hopen op die dag en op zondag veel mensen van binnen en buiten de wijk te ontvangen in ons gebouw.
Zo zie je hoe het ook mogelijk is om incarnationeel leven (leven zoals Jezus: Hij was onder de mensen en deelde hun leven) in een wijk kan samengaan met een attractieve instelling (we vragen mensen om bij ons te komen en te zien hoe mooi we iets hebben gemaakt).
Klik op het onderstaande fotootje om te zien wat er allemaal in Villa Klarendal te verwachten is dit weekend.
Vanuit de organisatie van "Wijken voor kunst" kregen we de vraag of we dit jaar mee wilden doen met deze manifestatie. Deze activiteit wordt georganiseerd door zeer creatieve wijkbewoners. Zij schrijven er zelf over: gedurende twee dagen openen kunstenaars in de Arnhemse wijken Klarendal, Sint Marten en Sonsbeekkwartier de deuren van hun atelier van 12.00 uur tot 18.00 uur en tonen zij samen met andere creatieve buurtbewoners en kunstinstellingen hun werk op verschillende plekken. Over de wijken ligt gedurende het weekend een netwerk van exposities. Op 75 lokaties laten ruim 130 deelnemers en even zoveel kinderen uit de wijk iets zien of horen.
De organisatoren hoopten dat wij nu ook zouden aanhaken bij deze kunstzinnige wijkactiviteit.
Dat aanbod konden we natuurlijk niet afslaan. Met name Hester Siegers, de meest creatieve figuur binnen ons kernteam, daarbij ondersteund door Rina -een christen wijkbewoner die ook sieradenmaker is en haar sieraden ook zal tentoonstellen- is vervolgens aan de slag gegaan met kinderen die op onze kinder bijbel club komen. Samen hebben ze van afvalmateriaal mooie kunststukjes gemaakt.
Morgen om 13.00 uur openen we de deuren en hopen op die dag en op zondag veel mensen van binnen en buiten de wijk te ontvangen in ons gebouw.
Zo zie je hoe het ook mogelijk is om incarnationeel leven (leven zoals Jezus: Hij was onder de mensen en deelde hun leven) in een wijk kan samengaan met een attractieve instelling (we vragen mensen om bij ons te komen en te zien hoe mooi we iets hebben gemaakt).
Klik op het onderstaande fotootje om te zien wat er allemaal in Villa Klarendal te verwachten is dit weekend.
woensdag 12 september 2007
Missionaire megakerk discussie
Inmiddels is mijn artikel over de mogelijkheid voor megakerken om missionair te zijn overgenomen op de weblog van Matthijs Vlaardingerbroek.
Daar wordt nu een beginnend bloggesprek over het onderwerp gevoerd. Lees het artikel en de reacties door op de bovenstaande link te klikken.
Daar wordt nu een beginnend bloggesprek over het onderwerp gevoerd. Lees het artikel en de reacties door op de bovenstaande link te klikken.
maandag 10 september 2007
Kan een megakerk missionair zijn?
Leuke vraag boven een artikel dat ik laatst las in Outreach & Evangelism. De vraag geldt met name voor Amerika, maar kan ook voor ons land van toepassing zijn. In Amerika zijn namelijk nogal wat megakerken, die ettelijke duizenden leden hebben die ook zondags met elkaar naar de kerk gaan. In Nederland zijn de Bethelkerk in Drachten (voorganger Orlando Bottenbley) en De Meerkerk in Hoofddorp (voorganger Wigle Tamboer) exponenten van dit soort kerken. Maar ook grote christelijke manifestaties als EO Jongerendag, EO Gezinsdag, Soul Survival of XNoizz Flevo zijn volgens mij hiervan voorbeelden in Nederland, omdat ze op een zelfde manier zijn opgezet en hetzelfde nastreven. Ze zijn groots opgezet, hebben een geweldige organisatie, zijn zeer professioneel in hun entourage, kortom voor het oog zeer gelikte kerken. En ze trekken daardoor veel, heel veel mensen.
In kringen waarin ik de laatste paar jaar verkeer worden dit soort kerken en manifestaties als exponent gezien van de tanende kerk. De laatste restjes van het Christendom, waarin alles draaide om macht, eer, positie en grootsheid. Ze zijn niet gericht om te zijn zoals Jezus dat was, die bereid was om alles af te leggen, zodat hij naast ons en onder ons kon zijn (incarnationeel, in het Engels "incarnational"), maar ze zijn attractief ("attractional"). Ze zeggen niet: "ga uit en verkondig", maar "kom en zie".
De schrijver van het artikel was van meet af aan cynisch over de komst van dergelijke megakerken. Mensen zouden uiteindelijk zoeken naar echte gemeenschap, zich afkeren van het consumentengedrag waar deze kerken zich op richtten. Tot zijn verbazing bestaan deze kerken nog steeds. Vanuit missionair oogpunt vreemd, maar toch ook niet. De schrijver, zelf missioloog, zag twee realiteiten in de megakerk:
1. Een groot deel van het succes van deze kerken ligt in haar bekwaamheid om binnen onze cultuur te contextualizeren, een basisprincipe van de missiologie.
2. Megakerken zijn groot, wat in onze cultuur gelijk staat aan succes—en mensen reageren daarop.
Een ander aspect hiervan noemt de schrijver de "celebrity-factor" (in Nederland zouden we dat de "BN'er factor" kunnen noemen). Elke Amerikaanse megakerk is locaal, regionaal en nationaal bekend vanwege haar charismatische leiderschap, geweldige communicatie en vrijwel altijd haar zeer goed bekende leider. Dit begint in Nederland dezelfde vormen aan te nemen, kijk vooral naar de manier waarop Orlando Bottenbley wordt behandeld. De meeste leiders van megakerken, aldus de schrijver, hebben de bekwaamheid mensen om hen heen te inspireren om grote dingen na t streven en hebben een dusdanig spreektalent dat ze door kunnen dringen in de levens van mensen. Als die kerken groeien en de status van megakerk krijgen, worden deze leiders "celebrities" wat hen een ingang geeft om nog meer mensen te bereiken met het evangelie.
Interessant is dat de schrijver hierna tot de conclusie komt, dat al deze kerken "attractional" zijn: zij gaan uit van het principe "Kom en zie", ze nodigen mensen uit om bij hen te komen. Dit staat in contrast met de visie van huisgemeenten en "emerging churches" die van mening zijn dat Jezus ons opdraagt om "uit te gaan en te verkondigen". De schrijver waarschuwt ons echter om hiermee het kind van "Kom en Zie" met het badwater weg te gooien. Want Jezus was meer dan een Galilees timmermannetje, dat in zijn samenleving alleen maar een boodschap had tegen die tegen de eigen cultuur inging. Hij is ook de verheerlijkte Koning die het waard is om alle lofprijs te ontvangen, zelfs de lofprijs van duizenden. En is het niet zo dat ook de evangeliën erover spreken dat de menigten (duizenden) hem volgden?
Volgens de schrijver liggen "Ga en verkondig" en "Kom en zie" in elkaars verlengde. Als we mensen stimuleren om naar hun vrienden, kennissen, buren te gaan, stellen we hen vaak voor om hen uit te nodigen voor een samenkomst in de kerk. Zelfs emerging churches of huiskerken hebben daarmee toch iets van "Kom en zie": we houden toch bijeenkomsten, ook al beginnen die anders dan een reguliere kerkdienst, bijvoorbeeld met een maaltijd. Een leuke vondst vond ik de opmerking van de schrijver: "I believe that attractional can be missional if the result is incarnational and not extractional" (ik geloof dat attractief missionair kan zijn als het resultaat incarnationeel en niet extractioneel is). Met andere woorden: mensen door attractie naar de kerk lokken kan een cultureel geschikte strategie zijn als ongeschikte motieven niet worden aangesproken. Mensen die tot geloof komen moeten gestimuleerd worden weer hun cultuur in te trekken (door een incarnatie en ambassadeur van Christus in de samenleving te worden) en niet uit hun eigen cultuur worden getrokken om terecht te komen in een christelijke subcultuur (hen trekken uit -extracting- de wereld rondom hen om ze te brengen in "McMega kerkwereld"). Dat moet zichtbaar worden doordat de voorganger zelf het voorbeeld geeft van een leven dat incarnationeel is (door bijvoorbeeld in de preek erop te wijzen dat hijzelf regelmatig met ongelovige vrienden contact heeft).
Laten we wel wezen, onze samenleving is consumentgericht. Dat was niet anders in de tijd van Jezus. Soms gaat Jezus in op de behoeften van zijn toehoorders. Hij laat ze niet zitten met een lege maag, maar vult ze, alle vijfduizend. Hij wist dat veel van hen Hem alleen zochten om wat Hij deed. Tegelijkertijd gebruikte hij die gebeurtenissen als een uitdaging om hen aan te spreken op hun diepere verlangen naar meer en hen de juiste kant op te wijzen. De vraag is niet "bestaat consumentengedrag?" of "hoe moeten kerken consumenten aanspreken", maar moet veeleer zijn: "Wat moeten kerken doen met consumenten (buitenkerkelijken) als de bijbel ons oproept tot een leven van opoffering en dienst?" En hier raken we een punt, waar elk christelijk werk uiteindelijk op komt. Hoe zorgen we er voor dat de mensen die we bereiken niet klein blijven, volgzaam blijven, alleen maar blijven eten van wat ze lekker vinden. Hoe helpen we mensen van consumenten daadwerkelijke discipelen te worden.
Leuke vraag, die megakerken. Ikzelf voel me er absoluut niet in thuis. Maar toch heeft dit artikel me aan het nadenken gezet. Er is een bepaald slag mensen die er wel door geraakt wordt. In Nederland zijn het toch vooral de randkerkelijke mensen die hierdoor getrokken worden. Dat is natuurlijk net zo goed een missionaire groep. Als we kijken naar de landelijke EO-dagen, zien we hoe dagbladen en andere media (als ze er al aandacht aan besteden) zich verbazen over de aantrekkingskracht van dit soort dagen. Ook in Nederland is bij dergelijke manifestaties de grote vraag wat de bezoekers ermee doen. Ik zie veel jongeren naar voren gaan. Maar in hoeverre hebben dergelijke bijeenkomsten een dusdanige impact op de bezoekers dat ze bereid zijn hun eigen omgeving in te gaan om daar echt christen te zijn. Kijkend naar de impact die christenen hebben op hun samenleving trek ik het belang van die bijeenkomsten in twijfel. Jongeren en ouderen kicken op die samenkomsten. Het is zo heerlijk om met zoveel christenen samen te komen. "Ik ging helemaal uit mijn dak" is een veel gehoord statement. Maar het dak ging er daarna weer snel op, vrees ik, want we klommen met zijn allen weer snel in onze auto's terug naar onze christelijke buitenwijken waar we samen feestvieren in onze christelijke pinkster- gereformeerde- of evangelische subculturen.
Leer mensen om incarnationeel te leven, en er is niets mis met grote samenkomsten. Maar als ze er alleen maar zijn als een subculturele vervanging voor Lowlands of Pinkpop (Xnoizz Flevo) of grote popconcerten (EO Jongerendag), die alleen maar uit zijn op "er jezelf lekker bij voelen", schaf ze dan maar snel af.
Leuke vragen. Ben benieuwd wat jij ervan vindt.
In kringen waarin ik de laatste paar jaar verkeer worden dit soort kerken en manifestaties als exponent gezien van de tanende kerk. De laatste restjes van het Christendom, waarin alles draaide om macht, eer, positie en grootsheid. Ze zijn niet gericht om te zijn zoals Jezus dat was, die bereid was om alles af te leggen, zodat hij naast ons en onder ons kon zijn (incarnationeel, in het Engels "incarnational"), maar ze zijn attractief ("attractional"). Ze zeggen niet: "ga uit en verkondig", maar "kom en zie".
De schrijver van het artikel was van meet af aan cynisch over de komst van dergelijke megakerken. Mensen zouden uiteindelijk zoeken naar echte gemeenschap, zich afkeren van het consumentengedrag waar deze kerken zich op richtten. Tot zijn verbazing bestaan deze kerken nog steeds. Vanuit missionair oogpunt vreemd, maar toch ook niet. De schrijver, zelf missioloog, zag twee realiteiten in de megakerk:
1. Een groot deel van het succes van deze kerken ligt in haar bekwaamheid om binnen onze cultuur te contextualizeren, een basisprincipe van de missiologie.
2. Megakerken zijn groot, wat in onze cultuur gelijk staat aan succes—en mensen reageren daarop.
Een ander aspect hiervan noemt de schrijver de "celebrity-factor" (in Nederland zouden we dat de "BN'er factor" kunnen noemen). Elke Amerikaanse megakerk is locaal, regionaal en nationaal bekend vanwege haar charismatische leiderschap, geweldige communicatie en vrijwel altijd haar zeer goed bekende leider. Dit begint in Nederland dezelfde vormen aan te nemen, kijk vooral naar de manier waarop Orlando Bottenbley wordt behandeld. De meeste leiders van megakerken, aldus de schrijver, hebben de bekwaamheid mensen om hen heen te inspireren om grote dingen na t streven en hebben een dusdanig spreektalent dat ze door kunnen dringen in de levens van mensen. Als die kerken groeien en de status van megakerk krijgen, worden deze leiders "celebrities" wat hen een ingang geeft om nog meer mensen te bereiken met het evangelie.
Interessant is dat de schrijver hierna tot de conclusie komt, dat al deze kerken "attractional" zijn: zij gaan uit van het principe "Kom en zie", ze nodigen mensen uit om bij hen te komen. Dit staat in contrast met de visie van huisgemeenten en "emerging churches" die van mening zijn dat Jezus ons opdraagt om "uit te gaan en te verkondigen". De schrijver waarschuwt ons echter om hiermee het kind van "Kom en Zie" met het badwater weg te gooien. Want Jezus was meer dan een Galilees timmermannetje, dat in zijn samenleving alleen maar een boodschap had tegen die tegen de eigen cultuur inging. Hij is ook de verheerlijkte Koning die het waard is om alle lofprijs te ontvangen, zelfs de lofprijs van duizenden. En is het niet zo dat ook de evangeliën erover spreken dat de menigten (duizenden) hem volgden?
Volgens de schrijver liggen "Ga en verkondig" en "Kom en zie" in elkaars verlengde. Als we mensen stimuleren om naar hun vrienden, kennissen, buren te gaan, stellen we hen vaak voor om hen uit te nodigen voor een samenkomst in de kerk. Zelfs emerging churches of huiskerken hebben daarmee toch iets van "Kom en zie": we houden toch bijeenkomsten, ook al beginnen die anders dan een reguliere kerkdienst, bijvoorbeeld met een maaltijd. Een leuke vondst vond ik de opmerking van de schrijver: "I believe that attractional can be missional if the result is incarnational and not extractional" (ik geloof dat attractief missionair kan zijn als het resultaat incarnationeel en niet extractioneel is). Met andere woorden: mensen door attractie naar de kerk lokken kan een cultureel geschikte strategie zijn als ongeschikte motieven niet worden aangesproken. Mensen die tot geloof komen moeten gestimuleerd worden weer hun cultuur in te trekken (door een incarnatie en ambassadeur van Christus in de samenleving te worden) en niet uit hun eigen cultuur worden getrokken om terecht te komen in een christelijke subcultuur (hen trekken uit -extracting- de wereld rondom hen om ze te brengen in "McMega kerkwereld"). Dat moet zichtbaar worden doordat de voorganger zelf het voorbeeld geeft van een leven dat incarnationeel is (door bijvoorbeeld in de preek erop te wijzen dat hijzelf regelmatig met ongelovige vrienden contact heeft).
Laten we wel wezen, onze samenleving is consumentgericht. Dat was niet anders in de tijd van Jezus. Soms gaat Jezus in op de behoeften van zijn toehoorders. Hij laat ze niet zitten met een lege maag, maar vult ze, alle vijfduizend. Hij wist dat veel van hen Hem alleen zochten om wat Hij deed. Tegelijkertijd gebruikte hij die gebeurtenissen als een uitdaging om hen aan te spreken op hun diepere verlangen naar meer en hen de juiste kant op te wijzen. De vraag is niet "bestaat consumentengedrag?" of "hoe moeten kerken consumenten aanspreken", maar moet veeleer zijn: "Wat moeten kerken doen met consumenten (buitenkerkelijken) als de bijbel ons oproept tot een leven van opoffering en dienst?" En hier raken we een punt, waar elk christelijk werk uiteindelijk op komt. Hoe zorgen we er voor dat de mensen die we bereiken niet klein blijven, volgzaam blijven, alleen maar blijven eten van wat ze lekker vinden. Hoe helpen we mensen van consumenten daadwerkelijke discipelen te worden.
Leuke vraag, die megakerken. Ikzelf voel me er absoluut niet in thuis. Maar toch heeft dit artikel me aan het nadenken gezet. Er is een bepaald slag mensen die er wel door geraakt wordt. In Nederland zijn het toch vooral de randkerkelijke mensen die hierdoor getrokken worden. Dat is natuurlijk net zo goed een missionaire groep. Als we kijken naar de landelijke EO-dagen, zien we hoe dagbladen en andere media (als ze er al aandacht aan besteden) zich verbazen over de aantrekkingskracht van dit soort dagen. Ook in Nederland is bij dergelijke manifestaties de grote vraag wat de bezoekers ermee doen. Ik zie veel jongeren naar voren gaan. Maar in hoeverre hebben dergelijke bijeenkomsten een dusdanige impact op de bezoekers dat ze bereid zijn hun eigen omgeving in te gaan om daar echt christen te zijn. Kijkend naar de impact die christenen hebben op hun samenleving trek ik het belang van die bijeenkomsten in twijfel. Jongeren en ouderen kicken op die samenkomsten. Het is zo heerlijk om met zoveel christenen samen te komen. "Ik ging helemaal uit mijn dak" is een veel gehoord statement. Maar het dak ging er daarna weer snel op, vrees ik, want we klommen met zijn allen weer snel in onze auto's terug naar onze christelijke buitenwijken waar we samen feestvieren in onze christelijke pinkster- gereformeerde- of evangelische subculturen.
Leer mensen om incarnationeel te leven, en er is niets mis met grote samenkomsten. Maar als ze er alleen maar zijn als een subculturele vervanging voor Lowlands of Pinkpop (Xnoizz Flevo) of grote popconcerten (EO Jongerendag), die alleen maar uit zijn op "er jezelf lekker bij voelen", schaf ze dan maar snel af.
Leuke vragen. Ben benieuwd wat jij ervan vindt.
Hoe groot zijt Gij
Bij Villa Klarendal gebruiken we voor het zingen een liedbundel die we zelf hebben samengesteld. Er staan oude liederen, moderne Opwekkingsliederen en door ons "vertaalde" volksliederen en populaire Nederlandse liedjes in.
Een van de liederen is het oude Johannes De Heer Lied "Hoe groot zijt Gij": een lied met drie coupletten die langs schepping - menswording en kruisiging van Jezus - wederkomst van Jezus het evangelie langsgaat om in het refrein te herhalen dat als wij ons dat bedenken, wij niets anders kunnen uitroepen dan dat God enorm groot is.
Langzamerhand is dit lied een van de liederen geworden die regelmatig gezongen wordt. Voor een aantal bezoekers heeft het een emotionele waarde, omdat ze bijvoorbeeld terugdenken aan het verleden. Voor een van de vaste bezoekers heeft dit lied een dergelijke waarde, omdat het werd gezongen tijdens de begrafenis van haar broer.
Vandaag is deze bezoekster aanwezig, maar ik heb het lied niet op mijn lijstje staan, dus we zullen het niet zingen. Soms laat ik de "liturgie" afhangen van de sfeer van het moment. Als ik het laatste lied van de dag aankondig, vraagt een meisje, ook een vaste bezoekster, of ze na dit lied nog een verzoeknummer mag opgeven. Ik sta het haar toe. Terwijl we dat lied zingen, zit ze hevig in ons liedboekje te bladeren. Na afloop van het zingen vraag ik welk lied ze heeft uitgezocht. Ze noemt het nummer, ik sla het op, en wat blijkt: ... het is het nummer waar die andere bezoekster zo van houdt!
Ik complimenteer dit meisje. Wat leuk dat je dit voor deze mevrouw hebt uitgezocht. Want ja, ik denk mijn pappenheimers te kennen en dit liedje zal ze eigenlijk wel als oubollig beschouwen. Tot mijn grote verbazing reageert het meisje direct "maar ik vind dit een heel mooi lied!" We zingen het samen en tijdens het zingen ervan zie ik dat het meisje ook daadwerkelijk de daad bij het woord voegt. Stil en ingetogen, maar met volle borst zingt ze: "Hoe groot zijt Gij".
Daar word ik dan van binnen stil van. En tegelijkertijd heel erg warm. Soms denken we dat iets niet past bij een bepaalde groep. "Die zal wel niet....", denken we dan. Waarna we weer eens beschaamd worden door de manier waarop God in mensen werkt. Zet je eigen gedachten opzij. Ik zorg voor hen. Soms door een eenvoudig kinderliedje "God kent jou vanaf het begin" dat een oudere dame van in de vijftig dag in dag uit 's ochtends blijkt te zingen. Soms door een lied dat aan het begin van de vorige eeuw is geschreven in de woorden van die tijd, maar die toch de harten van kinderen en jongeren raken die, ver weg van de kerkelijke wereld, toch op zoek zijn naar de warmte die alleen God kan geven.
Ik kan niet anders. Met een heel ander hart zing ik vandaag "Hoe groot zijt Gij", terwijl ik zie hoe God een Nederlands meisje van dertien en een Antilliaanse vrouw van in de vijftig samenbindt rondom het zingen ditzelfde oude lied in onze vertrouwde Villa Klarendal.
Een van de liederen is het oude Johannes De Heer Lied "Hoe groot zijt Gij": een lied met drie coupletten die langs schepping - menswording en kruisiging van Jezus - wederkomst van Jezus het evangelie langsgaat om in het refrein te herhalen dat als wij ons dat bedenken, wij niets anders kunnen uitroepen dan dat God enorm groot is.
Langzamerhand is dit lied een van de liederen geworden die regelmatig gezongen wordt. Voor een aantal bezoekers heeft het een emotionele waarde, omdat ze bijvoorbeeld terugdenken aan het verleden. Voor een van de vaste bezoekers heeft dit lied een dergelijke waarde, omdat het werd gezongen tijdens de begrafenis van haar broer.
Vandaag is deze bezoekster aanwezig, maar ik heb het lied niet op mijn lijstje staan, dus we zullen het niet zingen. Soms laat ik de "liturgie" afhangen van de sfeer van het moment. Als ik het laatste lied van de dag aankondig, vraagt een meisje, ook een vaste bezoekster, of ze na dit lied nog een verzoeknummer mag opgeven. Ik sta het haar toe. Terwijl we dat lied zingen, zit ze hevig in ons liedboekje te bladeren. Na afloop van het zingen vraag ik welk lied ze heeft uitgezocht. Ze noemt het nummer, ik sla het op, en wat blijkt: ... het is het nummer waar die andere bezoekster zo van houdt!
Ik complimenteer dit meisje. Wat leuk dat je dit voor deze mevrouw hebt uitgezocht. Want ja, ik denk mijn pappenheimers te kennen en dit liedje zal ze eigenlijk wel als oubollig beschouwen. Tot mijn grote verbazing reageert het meisje direct "maar ik vind dit een heel mooi lied!" We zingen het samen en tijdens het zingen ervan zie ik dat het meisje ook daadwerkelijk de daad bij het woord voegt. Stil en ingetogen, maar met volle borst zingt ze: "Hoe groot zijt Gij".
Daar word ik dan van binnen stil van. En tegelijkertijd heel erg warm. Soms denken we dat iets niet past bij een bepaalde groep. "Die zal wel niet....", denken we dan. Waarna we weer eens beschaamd worden door de manier waarop God in mensen werkt. Zet je eigen gedachten opzij. Ik zorg voor hen. Soms door een eenvoudig kinderliedje "God kent jou vanaf het begin" dat een oudere dame van in de vijftig dag in dag uit 's ochtends blijkt te zingen. Soms door een lied dat aan het begin van de vorige eeuw is geschreven in de woorden van die tijd, maar die toch de harten van kinderen en jongeren raken die, ver weg van de kerkelijke wereld, toch op zoek zijn naar de warmte die alleen God kan geven.
Ik kan niet anders. Met een heel ander hart zing ik vandaag "Hoe groot zijt Gij", terwijl ik zie hoe God een Nederlands meisje van dertien en een Antilliaanse vrouw van in de vijftig samenbindt rondom het zingen ditzelfde oude lied in onze vertrouwde Villa Klarendal.
De vakantie is voorbij, ook voor ons
Het is tot de afgelopen week bij ons komkommertijd geweest. Zondags hadden we een toeloop van hooguit tien mensen, wat gezien de opkomst van de afgelopen jaren erg weinig was. Mooi, je kon wat persoonlijker gesprekken voeren, maar toch misten we mensen.
Vandaag waren we voorbereid op een zelfde aantal bezoekers. Want je weet niet hoeveel je kunt verwachten. We hebben drie tafels gedekt met aan elke tafel vier borden en twee aan de uiteinden (voor de niet-zo-snelle rekenaars: veertien mensen).
We beginnen met zijn vieren. Eenbezoekster waarvan we weten dat ze de afgelopen weken kampte met rugklachten komt binnen. We begroeten haar allerhartelijkst, omdat we blij zijn haar weer terug te zien. Vier kinderen, waarvan we drie ook al zeker vijf weken niet meer hebben gezien (en waarvan we van een zelfs hebben gehoord dat ze de laatste tijd niet meer in de weekenden bij haar stiefgezin is geweest) stuiven als volgende binnen. Vervolgens een moeder met twee kinderen die ook al zeker vier weken uit de Villarunning is geweest. Dan komt nog een vrouw die al zeker tien weken uit ons beeld is verdwenen. We zijn verheugd haar weer te zien. En vlak voordat we gaan bidden komt er iemand die de laatste tijd wel vaker komt. De een na laatst binnengekomen vrouw en deze vrouw gaan tegenover elkaar zitten en maken met elkaar kennis. Ze zijn inmiddels allebei vaste bezoekers van Villa Klarendal, maar hebben elkaar nog niet ontmoet.
We vallen na het bidden op het brood en lekkers aan. Voor wie goed kan tellen, weet dat onze tafels nu vol zitten met mensen. Er kan eigenlijk niemand meer bij. Een paar minuten later komt er een man die we ook al zeker zo'n tien weken niet meer hebben gezien. Hij schuift een stoel bij aan de tafel. Een bord en bestek worden voor hem geregeld. Nauwelijks is hij gaan zitten of weer een vaste bezoekster dient zich aan. Het ritueel herhaalt zich en zij schuift bij de tafel aan. Tenslotte komt ook iemand die wekelijks komt nog binnen. Ook voor haar wordt weer extra bijgezet. Er wordt zelfs heen en weer geschoven zodat zij op een stoel kan zitten om haar rugpijn te verzachten.
Het is duidelijk. De komkommertijd is voorbij. De tijd van stilte en rust is ook bij Villa Klarendal van de baan. 17 mensen zitten gezellig aan de tafel om met elkaar een brunch te genieten en samen te praten over de dingen die hen bezig houden. En daarna spreken we nog een tijd over de verloren zoon, de oudste zoon en een vader en hoe God van ons vraagt om juist Hem op de eerste plaats in ons leven te zetten.
Vandaag waren we voorbereid op een zelfde aantal bezoekers. Want je weet niet hoeveel je kunt verwachten. We hebben drie tafels gedekt met aan elke tafel vier borden en twee aan de uiteinden (voor de niet-zo-snelle rekenaars: veertien mensen).
We beginnen met zijn vieren. Eenbezoekster waarvan we weten dat ze de afgelopen weken kampte met rugklachten komt binnen. We begroeten haar allerhartelijkst, omdat we blij zijn haar weer terug te zien. Vier kinderen, waarvan we drie ook al zeker vijf weken niet meer hebben gezien (en waarvan we van een zelfs hebben gehoord dat ze de laatste tijd niet meer in de weekenden bij haar stiefgezin is geweest) stuiven als volgende binnen. Vervolgens een moeder met twee kinderen die ook al zeker vier weken uit de Villarunning is geweest. Dan komt nog een vrouw die al zeker tien weken uit ons beeld is verdwenen. We zijn verheugd haar weer te zien. En vlak voordat we gaan bidden komt er iemand die de laatste tijd wel vaker komt. De een na laatst binnengekomen vrouw en deze vrouw gaan tegenover elkaar zitten en maken met elkaar kennis. Ze zijn inmiddels allebei vaste bezoekers van Villa Klarendal, maar hebben elkaar nog niet ontmoet.
We vallen na het bidden op het brood en lekkers aan. Voor wie goed kan tellen, weet dat onze tafels nu vol zitten met mensen. Er kan eigenlijk niemand meer bij. Een paar minuten later komt er een man die we ook al zeker zo'n tien weken niet meer hebben gezien. Hij schuift een stoel bij aan de tafel. Een bord en bestek worden voor hem geregeld. Nauwelijks is hij gaan zitten of weer een vaste bezoekster dient zich aan. Het ritueel herhaalt zich en zij schuift bij de tafel aan. Tenslotte komt ook iemand die wekelijks komt nog binnen. Ook voor haar wordt weer extra bijgezet. Er wordt zelfs heen en weer geschoven zodat zij op een stoel kan zitten om haar rugpijn te verzachten.
Het is duidelijk. De komkommertijd is voorbij. De tijd van stilte en rust is ook bij Villa Klarendal van de baan. 17 mensen zitten gezellig aan de tafel om met elkaar een brunch te genieten en samen te praten over de dingen die hen bezig houden. En daarna spreken we nog een tijd over de verloren zoon, de oudste zoon en een vader en hoe God van ons vraagt om juist Hem op de eerste plaats in ons leven te zetten.
Abonneren op:
Posts (Atom)