zaterdag 8 september 2012

Een rechtgeaarde scheefwoner

Vandaag heb ik eens tijd om weer eens wat gedachten aan het net toe tevertrouwen. De kranten staan bol van allerlei politieke gedachten en statements, waar ik liever niet mijn handen aan brand, omdat die te dicht liggen bij mijn gewone werk als ambtelijke ondersteuner voor de lokale gemeenteraad.

Maar nu is er toch een onderwerp waar ik mij eens over wil uitspreken. Het raakt me namelijk persoonlijk. Ik word door de politieke zegslieden in een hokje geplaatst. En zodra ik daarin zit, wil ik eruit breken.

Sinds jaar en dag woon ik in een sociale huurwoning. Die is bedoeld voor burgers die het niet al te goed hebben. Toen wij het huis huurden, vielen we in al zijn aspecten binnen dat hokje. Maar de afgelopen jaren hebben wij 'sociale stijging' meegemaakt. De markt trok aan. De jaren van grote werkloosheid waren voorbij. En ook wij profiteerden van de nieuwe kansen, waardoor wij ineens 'bovenmodaal' werden ingeschat. Tja, en met die nieuwe kansen werden ook nieuwe verwachtingen gewekt. Want de politiek vindt het niet eerlijk dat iemand met een dergelijk inkomen (gerelateerd aan het bruto inkomen) nog te vinden is in een huis met een relatief lage huur.

Ik kan me er ook wel in vinden. Hoeveel ken ik er niet, die zich met vrouwlief, kindje(s) en beestje en de rest van het boeltje opsluiten in het relatief goedkope huisje, waardoor zij het inkomen kunnen gebruiken voor hun zoveelste vakantie, auto of de nieuwste computer of ( al dan niet smart) tv. De buurt is voor hen alleen relevant als die een centimeter over de grens van het huisje komt of op een andere manier de schutting, voordeur of anderszins beveiligde deel van het privédomein overschrijdt.

Maar goed, er zijn ook andere soortem mensen. Zoals wij. Die hun hele vrijetijdsleven steken in het wel en wee van de omgeving. Die het beste voorhebben met de leefbaarheid van de wijk. Die hun privéleven niet hermetisch afsluiten voor de gevaarlijke buitenwereld, maar juist wagenwijd openzetten voor de hartelijke, maar vaak onbegrepen, buurtgenoten. Die een willen zijn met die buren door er voor hen te zijn. Niet alleen van 9 tot 5, maar ook van 5 tot 9. Soms door in de slaap gewekt te worden door ruwe geluiden van buitenaf. Soms ook door in die nachtelijke uren gewekt te worden door buren die hun raad juist op die momenten kunnen gebruiken, voordat ze naar andere, rigoreuze, middelen grijpen. Er is dus een slag mensen die hun leven wil inzetten en delen voor hun buurt, zodat die er beter door wordt.

Voor dat soort scheefwoners, waar ik toe behoor, wil ik een lans breken. Ik verdien misschien teveel bruto voor een dergelijke woning (ook al laat de bankrekening mijn hoofd fronsen als ik weer eens mijn inkomen op bijna bijstandniveau zie verschijnen door aftrek van allerlei eigen bijdragen van/aan mijn in de ogen van velen veel te grote en daarmee ook niet-modale gezin). Maar daar staat wat tegenover. Is het niet zo dat de investering in de wijksamenleving het scheefwonen compenseert? Ik kan het vrijwilligerswerk natuurlijk ook zoals anderen 'vermarkten' waardoor ik qua inkomen nog een tweede huis kan bijhuren. Maar dat zit niet in mijn systeem. Dan moet ik worden zoals al die andere bedrijfjes die de subsidies op wijkgebied aflopen om te kijken of er nog iets uit te halen valt.

Nee, ik blijf hier wonen. Geniet van de buurt en de mensen om mij heen. En hoop dat de politiek uitzonderingen vindt op regelingen, waarmee mijn slag mensen (en daarmee uiteindelijk ook miijn slag wijken) gediend zal zijn.

dinsdag 4 september 2012

Column Friesch Dagblad 49: Licht in de duisternis

Afgelopen zaterdag was ik in de radiostudio van Radio 5 in het gebouw van de gezamenlijke omroepen AVRO, KRO en NCRV.

Teruggaand liep ik langs een ruimte waar op een zuil een tekst was gedrukt: ‘het is beter samen een kaars aan te steken dan te klagen over de duisternis’. Naar later bleek een variant op een gezegde van de beroemde Chinese filosoof Lao Tse.

Maar de tekst had me te pakken. Ik moet denken aan al die mensen die me de afgelopen jaren vertelden hoe slecht het gaat. Met de wijk. Met de samenleving. Met het aantal mensen dat gelooft in God. Met de invloed die we als gelovigen nog hebben in deze wereld. Situaties die we al snel zien als duisternis. Het licht is eruit getrokken. Het oude vertrouwde is niet meer. We zien geen hand meer voor ogen. En gaan al tastend onze weg.

De situatie is een feit. De duisternis is er daadwerkelijk. Het gaat erom hoe we er mee omgaan. Voor velen is de enige reactie erover te klagen. Wat erg dat dit zo is. Wat vreselijk dat dit ons overkomt. Christenen reageren daar niet anders op. De duisternis overkomt ons. En wat doen we? We sluiten ons op achter de veilige kerkmuren waar we samen gezin van God kunnen zijn. Veilig in Jezus’ armen. Of zoals een lieve zuster ons waarschuwde toen we bewust verhuisden naar een achterstandswijk. Daar zouden onze kinderen worden omgeturnd tot criminelen. Het duister zou hen wel overmeesteren.

Het kan ook anders. Door een licht aan te steken in het duister. Door de duisternis niet tot onze focus te maken, maar ons te richten op het licht. Wie door de samenleving heen wandelt, vindt sporen van het geloof. Niet van een vervlogen geloof, maar van een levend geloof. Christenen hebben zich echter laten overmeesteren door de gedachtenwereld van deze tijd. Wie in een volkswijk woont, moet als hij kinderen krijgt vooral naar een buitenwijk verhuizen, want daar is het ‘veilig’. Dus komen we in die wijken relatief veel christenen tegen, terwijl de volkswijken ontkerstend worden.

Gaat het ons nu om veiligheid te zoeken of onze roeping na te volgen? Wat zou er gebeuren als elk huis waar christenen wonen een geestelijke kaars wordt die we samen opsteken? Toen wij verhuisden naar de achterstandswijk, kreeg de zuster al snel ongelijk. Niet het licht trok naar het duister, maar het duister naar ons licht. Ons huis werd een inval voor kinderen in onze buurt die het fijn vonden om bij ons langs te komen. Het licht scheen in de duisternis!

vrijdag 10 augustus 2012

Column Friesch Dagblad 48: Ik zeg: doen!

De christenen roeren zich weer. Er is iets in het nieuws waarop zij niet anders kunnen dan reageren. Bespotting in een reclamefilmpje van de Nederlandse Energie Maatschappij . We zien het scheppingsverhaal voorbij komen waarin de zon wordt geschapen. Aan het einde horen we dat na zoveel miljoenen jaren de Energiemaatschappij zonne-energie voor iedereen creëert. Waarop het filmpje eindigt met een zware stem "Ik zeg: doen". Indirect voelt iedereen aan dat bedoeld is dat God dit zegt. "Televisiekijkers vinden de reclame in strijd met de goede smaak, nodeloos kwetsend voor gelovigen en misleidend" aldus de binnengekomen klachten bij de Reclame Code Commissie. Elsevier meldt: "de christelijke Bond tegen het Vloeken is ook boos en noemt het filmpje, waarin overigens niet wordt gevloekt, kwetsend en godslasterlijk".

Een voor christenen begrijpelijke reactie. Het christelijke geloof wordt belachelijk afgeschilderd. In een wat cynisch filmpje in de lijn van Monty Python uit de jaren zeventig wordt wat lachwekkend omgegaan met de basis voor het geloof. En dan eindigt het ook nog met God die de slogan van de NEM herhaalt. Je krijgt het gevoel dat je helemaal wordt uitgelachen. Dat de basis onder het geloof wordt weggehoond. Daar hebben we pijn van.

Aan de andere kant is het een reactie uit de marge. Weggescholen in onze veilige christelijke kerkhavens beschouwen we wat er op tv gebeurt en reageren daarop. Zonder na te gaan wat er wordt bedoeld of hoe anderen er op reageren. Typerend is de reactie op websites over de aanklacht van christenen. "Ze willen ons weer van hun geloof overtuigen", "moeten ze weer ons hun mening opdringen" of "wat een onzin, dat de protesten over een lokale folklore zoals geloof serieus worden genomen". De houding van christenen wordt als folkoristisch beschouwd. Relieken uit een ver vervlogen tijd. Weggestopt in een eigen wereldje.

Wat willen we als christenen dat anderen van ons vinden? Conservatieven die alles bij het oude willen houden? Over alles mag gelachen worden, behalve over uitingen van gelovigen? Zijn christenen of de Here God tegen vernieuwende initiatieven om Gods schepping te verbeteren? Zegt Hij daartegen: niet doen?

Omgaan met spot en humor. Het is lastig voor ons christenen. Wie de humor van Joden leest en hoort valt als christen soms van zijn heilige stoel. Want dat gaat soms zoveel verder dan het bewuste filmpje. Maar dat is krachtig, want dat gaat om zelfspot. Kijk eens in de spiegel en lach om wat we doen. Neem alles niet zo overserieus. En als we dat wel doen, neem dan de houding van Jezus aan: "Vader, vergeef het ze, want zij weten niet wat ze doen..."

woensdag 11 juli 2012

Column Friesch Dagblad 47: Zingeving

De afgelopen weken ben ik in gesprek geweest op LinkedIn over "zingeving". Mijn vraag was waarom reguliere welzijnsinstellingen zo snel allergisch reageren als het gaat om organisaties met een religieuze achtergrond. Al snel veranderde het gesprek naar de vraag waarom religie het monopolie zou moeten hebben op zingeving. Dat is een interessante vraag om over door te denken.

Bij zingeving denken we al snel over de grote vragen "wie ben ik", " waarom ben ik er" en "wat is de zin van mijn leven". Dat is zeker de laatste eeuwen het domein geweest van het gesprek binnen de kerken, die daarin ook een belangrijke rol hadden in de samenleving. Tegelijkertijd moeten we erkennen dat deze vragen ook werden gesteld door de filosofie. Die heeft zich vanaf de Verlichting losgemaakt van de kerk en geprobeerd een eigen visie op de grote vragen te ontwikkelen. Zingeving is dus de laatste tweeënhalve eeuw onderzocht door zowel gelovigen als ongelovigen. De uitkomsten van die twee stonden op gespannen voet met elkaar.

In een tijd waarin het christelijk geloof een steeds grotere minderheid in ons land wordt, is de vraag of we ons moeten blijven concentreren op die tegenstelling. Daardoor kan de indruk ontstaan dat wij als christenen het beter weten dan de ander. En dat riekt dan weer naar arrogantie.

In ons wijkwerk willen we aansluiten bij waar mensen zijn. Het geloof is een belangrijk aspect in ons leven, maar niet het enige.

Zingeving begint voor mij met het aanvaarden van de uniciteit van elk mens. Ieder heeft een eigen achtergrond en levensgeschiedenis. In dat leven kunnen situaties ontstaan waardoor die persoon zich vragen stelt over het leven. Dat kan zijn door zijn schuldsanering, door zijn psychische gesteldheid, door zijn leefomgeving of door zijn religieuze achtergrond waar hij vragen bij heeft. Ik acht het ene aspect niet hoger dan het andere.

Zingeving is jarenlang een monopolie van de religieuze instellingen geweest. Maar zingeving is niet alleen een religieuze aangelegenheid. De relatie met de Schepper is een aspect daarin. Andere aspecten zoals de relatie met de medemens, de natuur en met jezelf zijn net zo belangrijk. Evenals de manier waarop een mens in zijn samenleving staat en de manier waarop hij daarvoor al dan niet wordt gewaardeerd.

Zingevingsvragen benader ik daarom niet alleen religieus. Ik wil luisteren naar de vragen van de persoon, respect hebben voor zijn achtergrond en proberen een antwoord te vinden op de vragen die hij heeft. Samen te zoeken naar de zin daarvan.

donderdag 14 juni 2012

Column Friesch Dagblad 46: Een gemeentestichter in een dorp?

"Wat doet een gemeentestichter nou in een dorp?" zal menig lezer hebben gedacht na het lezen van het artikel over een inspiratieweekend dat mijn vrouw Aneta en ik vorig weekend in het dorp Eastermar mochten leiden. In alle gemeentestichtingsliteratuur is het vooral het bereiken van de steden wat de klok slaat. Daar gebeurt het. Daar loopt de cultuur voorop en kunnen we de massa's bereiken.

Toch zijn er overwegingen om missionair werk ook in dorpen te bevorderen. Nu ik al veertien jaar in deze wijk woon, valt het me op hoezeer stadswijken eigenlijk verstelijkte dorpen zijn. Het "weet je het al van die en die" is bekend bij de doorgewinterde wijkbewoner die in enkele gemeenschapsgebouwen vertoeft. Het nieuws gaat mond-op-mond sneller dan je denkt. Moeten wij daarom de stadswijk anders benaderen dan het dorp?

"Maak alle volken tot mijn discipelen" was de opdracht van onze Heer. Het ging hem om mensen, etniciteiten, gemeenschappen. Daarin maakte hijzelf geen onderscheid tussen steden en dorpen. Sterker nog, we lezen dat Hij rondtrok door het land, onderwijzend in steden, dorpen en gehuchten. Bij hem stond de prediking en de mens voorop, niet waar Hij woonde.

Verder zien we tegenwoordig een groeiende behoefte naar gemeenschap. Dat geldt voor alle mensen op alle plekken. Ook dorpelingen hebben die behoefte. Alhoewel de gemeenschapszin in dorpen over het algemeen nog groter is, heb ik gemerkt dat men daar veelal vastgeroest zit aan ingesleten patronen. Waar de ontzuiling in de steden allang heeft postgevat, gebeurt het in dorpen nog wel dag gelovigen van diverse geloofsgemeenschappen en ongelovigen naast elkaar leven en elkaar niet zien staan. Juist de behoefte naar nieuwe vormen van gemeenschap waarin dergelijke patronen kunnen worden doorbroken kan een opening zijn voor missionaire projecten.

Dat mensen behoefte hebben aan erkenning van het mens-zijn en niet afgerekend worden op uiterlijkheden als afkomst, familie of religieuze herkomst, kan daarbij helpen. Zoeken naar wegen om naast mensen te staan en ons met hen te identificeren net zoals Jezus dat deed, is niet beperkt tot stedelingen. Ook dorpelingen hebben behoefte aan dergelijke mensen.

De missionaire roeping van Jezus is voor iedereen. Voor de stedeling en voor de dorpeling. En voor iedereen die daar tussen zit. Zijn roeping geldt voor elke gelovige, ongeacht afkomst, ras of sekse. Dus ook in de dorpen mogen wij leren volgeling van Jezus te zijn. Het "gaat dan henen" geldt niet alleen voor ver weg, maar ook voor dichtbij. Ik hoop dat leven met Jezus ook in dorpen tot nieuwe verbindingen zal leiden.

donderdag 7 juni 2012

Herontdekken hoe je kerk bent in een dorp

In het Friesch Dagblad stond vandaag een artikel over een inspiratieweekend dat Aneta en ik afgelopen weekend in Eastermar (Friesland) mochten leiden. Lees het artikel hieronder.

Hoe kun je als kerk missionair zijn in het dorp? De Protestantse Gemeente Eastermar hield afgelopen weekeinde een Inspiratieweekend over deze vraag. De dorpsgemeente zoekt naar nieuwe wegen.

Hanneke Goudappel

Eastermar | In het inspiratieweekend waren Rick en Aneta Jansen uit Arnhem te gast in Eastermar. Rick Jansen is een zogenoemde tentenmaker. Naast een ‘gewone’ baan is hij buurtpastor en missionair gemeentestichter bij Villa Klarendal in Arnhem. Hij schrijft daarover maandelijks als columnist in het Friesch Dagblad.

Eastermar had Rick en Aneta Jansen uitgenodigd om te vertellen over hun ervaringen als missionair werkers van Villa Klarendal, ter inspiratie van missionair leven op het platteland. De dorpsgemeente is al langer bezig met bezinning op hoe ze kerk wil zijn in Eastermar. ,,In 2007 moest een nieuw beleidsplan worden geschreven”, vertelt ds. Wim Stougie. ,,Ik was hier toen nog geen predikant. Samen met gemeenteadviseur Piet Beintema is de gemeente op zoek gegaan naar het profiel van de gemeente. Drie profielen kwamen naar voren: calvinistisch met accent op de verkondiging, evangelicaal met accent op ontmoeting en kringenwerk, en het kerk op het dorp-profiel met een oecumenisch-diaconale insteek. De drie profielen tonen de veelkleurigheid van de dorpsgemeente.”
Visie

Een groot thema in de afgelopen jaren vormden de gebouwen. De kerkgemeenschap telt twee kerken: de voormalige hervormde kerk op It Heechsân en de voormalig gereformeerde kerk aan De Buorren. ,,De gereformeerde kerk gaat dicht. Daar is veel aan vooraf gegaan. Het bracht allerlei emoties mee en het ligt gevoelig”, zegt Stougie. ,,Terwijl wij al midden in het kerksluitingsproces zaten, verscheen Meer dan hout en steen. Handboek voor sluiting en herbestemming van kerkgebouwen. Dit boek wees ons erop dat je geen gebouw moet sluiten, zonder te praten over visie: hoe wil je kerk-zijn? Aan de hand van dit boek zijn we hierover verder gaan nadenken.”
Uit een aantal visiegesprekken dit voorjaar kwam naar voren dat met name het profiel ‘missionair kerk voor het dorp’ breed wordt gedragen. ,,Mensen werden hier enthousiast van. Ze zijn trots op de kleine dingen die we anders doen: de bloemengroet die nu ook naar mensen buiten onze kerkgemeenschap gaat, onze diaconie die naast mensen van het dorp staat: kerkelijk of niet. Ik ga geen succesverhaal vertellen van: kijk wat wij nu allemaal doen. Er begint echter wel iets te groeien van passie voor het dorp, op allerlei fronten in de kerkgemeenschap."

Belangeloos

Rick en Aneta Jansen vertelden zaterdagavond over het werk van Villa Klarendal, een laagdrempelige gemeenschap in een Arnhemse volkswijk. Zondag ging Rick Jansen voor tijdens de kerkdienst en daarna was er een ‘nagesprek’. ,,Een paar dingen troffen me. Samen gaan ze een weg van ‘luisterend bidden’. Telkens weer proberen ze de stem van God te horen. Wat ook opviel is dat het niet gaat om het rondpompen van gelovigen. Villa Klarendal is er echt voor de mensen van Klarendal. En: kwaliteit gaat voor kwantiteit. Het gaat om echte zorg voor mensen. Villa Klarendal denkt niet in getallen.”

Het weekend heeft Stougie en andere gemeenteleden geïnspireerd. ,,Veel missionaire presentie heeft een sfeer van ‘als ik jou maar over de streep trek’. Rick en Aneta Jansen steken juist in op belangeloosheid. Ze nemen de schepping als basis voor al het denken over missionair werk: ieder mens is door God geschapen en verdient onze aandacht, aanvaarding en respect.”
,,Spannende vraag is hoe we de verbinding met het dorp in Eastermar sterker kunnen vormgeven”, zegt Stougie. ,,Onze zoektocht is waar voor ons de kansen liggen. Daarover ging het nagesprek. Een paar dingen die daar uit kwamen: ga naast mensen staan. Meer bidden. Oren en ogen open. Durf uit je eigen groep te komen en present te zijn. Geniet van de goede ontmoetingen en bouw daarop voort. Kijk goed wat het afstoten van een kerkgebouw voor dit dorp betekent.”

Dat laatste is actueel. Nu de voormalige hervormde kerk wordt gerestaureerd en anders wordt ingericht, zal die in de toekomst worden gebruikt voor de kerkdiensten. ,,De gereformeerde kerk moet nog worden verkocht. Omdat Eastermar geen dorpshuis heeft, wordt die echter ook vaak gebruikt voor dorpsactiviteiten. Een ingrijpende vraag is: gaan we de kerk verkopen vanuit het economische principe: het moet wel iets opleveren? Ricks boodschap was helder: Als je hem verkoopt en je ontneemt het dorp een plek voor ontmoeting dan laat je het dorp in de kou staan. We zijn hierover dus nog niet uitgedacht.”
Rick Jansen vroeg de deelnemers ook hoe ze de verbinding met het dorp gaan leggen in hun dagelijks leven. ,,Een aantal mensen vertelde dat ze die verbinding al heeft, bijvoorbeeld rond sport. Een ander mooi voorbeeld was een World Servants-benefietconcert dat deze winter in de kroeg plaatsvond.”
Rick en Aneta hebben veel respect voor traditionele kerken en ze pleiten voor mixed economy. ,,Een gemeenschap van de traditionele kerk en een missionaire gemeenschap van mensen die ‘anders verder’ gaat, en dat die elkaar stimuleren. Dat blijft vooralsnog mijn grootste vraag: hoe doe je dat op een dorp?

dinsdag 15 mei 2012

Column Friesch Dagblad 45: Fulltime christelijk werker

"Weet je wat ik vet zou vinden?" vraagt een vriendin aan mijn zoon. "Om een tijdlang in de zending in het buitenland te werken". "Waarom dan?" vraagt mijn zoon terug. "Dan leer je God op een andere manier kennen. Dan maak je wonderen mee en dat versterkt je geloof".
Een zendeling komt vertellen in de kerkdienst. Van de geweldige dingen die zij meemaakt. De kerkgangers hangen aan haar lippen. Wat geweldig!!!

Het is ook geweldig. God werkt in deze wereld op een geweldige manier. Hij is toch geweldig? Maar soms lijkt het erop alsof christenen denken dat God alleen maar geweldig is daar ver weg. Hier dichtbij maak je het blijkbaar niet mee. Gaat het leven zijn gangetje. Is het zo gewoon. Daar ver weg is het avontuur. Daar doet God grote dingen.

Bij mij gaan bij die verhalen de nekharen omhoog. Prachtige verhalen. Met verkeerde gedachten. Het denken gaat uit van een tweedeling. Tussen het "gewone leven" en het "geestelijke leven". Zendelingen leven in een geestelijk leven. Want zij doen hun werk fulltime "voor de Heer". Wie "gewoon werkt" werkt dus slechts parttime voor de Heer of doet Gods werk in vrijetijd.

O ja? Is dat zo? Is alleen het werk dat voor de kerk, gemeente of christelijk werk wordt gedaan werken voor God? Dan betekent dit dat slechts 10 uur van ons wekelijkse leven echt zinvol wordt ingevuld. En de rest is dan tweederangs. Want dat is niet voor de Heer. Het London Institute for Contemporary Christianity in Engeland heeft een mooie slogan bedacht. "Iedere christen is een fulltime werker". Want God heeft ons niet op de wereld gezet om af en toe voor Hem te werken. Hij wil dat wij Hem in ons héle leven volgen. Niet alleen als we naar de kerk gaan. Maar ook als we naar de sportclub gaan. Op kantoor zitten. Gezellig aan de bar zitten. Of onze noodzakelijke inkopen doen.

Discipelschap in ons hele leven. Regelmatig heb ik diepgaande gesprekken gehad op mijn werk. Pastorale gesprekken midden op straat. Of gesprekken van hart tot hart in het wijkcentrum. En wonderen gezien in de wijk. Dan geef ik computerles, doe ik boodschappen of werk ik "gewoon" op het stadhuis. Maar ik weet dat Degene die in mij is niet gewoon is.

Ben ik een griffier? Een wijkwerker? Een computerdocent? Of een buurtpastor? Voor alles ben ik een discipel van Jezus voor het leven. Een fulltime christelijk werker. Midden in de wijk. Midden in de samenleving.

dinsdag 17 april 2012

Column Friesch Dagblad 44: een empowering power

We kijken met zijn allen met grote ogen naar het huis in Den Haag. Zes onderhandelaars spreken samen over bezuinigingen en hervormingen en spreken zelfs met een gedoogde gedoger om het beleid er doorheen te krijgen.

Wat gaat het worden daar in Den Haag? We weten het niet, maar als we de geruchten horen wordt het weer een grote bezuinigingsslag aan de onderkant van de samenleving.

Deze regering lijkt maar een motto te hebben. Dat is 'eigen verantwoordelijkheid eerst'. We zijn als burgers allereerst zelf verantwoordelijk voor ons leven. Of het nu gaat om sociale zekerheid, zorg, werkgelegenheid of welzijnswerk, je bent er vooral zelf verantwoordelijk voor.

Er valt wat voor te zeggen. Ik zie de mensen om ons heen die het jaren in de pamperverzorgingsstaat lekker warm hebben gehad. Ze spreken me aan. Of ik werk weet voor ze. O ja, ga schoonmaken of brieven rondbrengen. Hoeveel levert dat dan op? Als ik het uurloon noem, zie ik ze rekenen. Antwoord: daar doe ik het niet voor. Dat is evenveel als de uitkering. Dat klopt. Maar als je werkt, ben je veel waardiger. Je werkt voor je eten en houdt niet het handje op.

Maar er zijn ook mensen die het niet kunnen. Die niet in staat zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen voor hun leven. Waarom niet? Omdat ze de kennis missen die daarvoor nodig is. Die niet weten welke instanties er zijn. Ik ben ze soms met de handen in het haar tegengekomen. Wat moet ik nu? Ik verwees ze naar een instantie waar ze direct geholpen werden. En blij dat ze waren! En dat regelden ze zelf.

Er zijn mensen die de kracht missen om hun leven zelf ter hand te nemen. Ze hebben te lang aan de kant gestaan. Hebben om wat voor reden dan ook een achterstand op de arbeidsmarkt. Ze willen wel, maar kunnen niet. En dan zegt de samenleving: doe het maar. Lekker makkelijk.

Mijn oplossing? Mensen helpen hun kracht te vinden. Om het maar in echt Nederlands te zeggen 'hen empoweren'. Naast ze staan en hen helpen zelf kracht te vinden hun leven op poten te zetten. Door hun talenten te ontdekken.

Christenen zullen snel reageren met 'ja, maar je mag geen dingen uit eigen kracht doen'. Dat klopt. Maar dat gaat over ons leven met God. In ons geestelijke leven roept Hij ons op van Hem afhankelijk te zijn. Door de Geest worden 'empowered'. Maar maatschappelijk hebben we wel degelijk de opdracht ons leven op te pakken. Te werken in het zweet des aanschijns.

Ik wil er aan werken krachtige mensen te zien ontstaan die hun zwakheid achter zich laten en waardig door het leven te gaan. En zie dat als een opdracht van God.

woensdag 21 maart 2012

Column Friesch Dagblad 43: Buurtpastor voor iedereen in de wijk

Een paar jaar geleden begonnen we met Villa Klarendal om een gemeente te stichten. De gemeente was in feite al ontstaan, maar moest nu worden omgevormd van Youth for Christ-wijkproject naar christelijke wijkgemeenschap.

Nu we anderhalf jaar verder zijn, is de wijkgemeente gedaald in de wijk. Dat blijkt ook uit hoe er in de wijk naar de gemeenschap wordt gekeken. Was het wijkproject een paar jaar geleden nog aangeschoten wild, waar andere kerken niet mee wilden samenwerken, nu wordt de gemeenschap gevraagd deel te nemen aan activiteiten van andere kerken. Er is regelmatig contact met de buurtpastor van de r.-k. kerkparochie.

We moesten een halfjaar geleden afscheid nemen van het kerkgebouw dat meer dan een eeuw als katholieke parochiekerk had gefungeerd. Daar kun je als medechristenen arrogant op reageren in de zin van ‘zie je wel, die kerk heeft zijn langste tijd gehad’. Wij kozen ervoor pijn te lijden met de wijkbewoners die de kerk van hun ouders, van hun doop, van hun huwelijk, van de begrafenis van hun ouders weer moesten teruggeven aan de wereld.

Daarom waren we met een afvaardiging bij de ‘ontheiliging’ van de kerk. Wij zijn met zijn allen een kleine groep in deze wereld. Lichaam van Christus in de buurt over de kerkmuren heen. En ja, als een lid lijdt dan...

De gemeenschap is er. Je zou het, net zoals de titel van het vrijdag gepresenteerde boek, Anders verder kunnen noemen. De gerichtheid op activiteiten maakt plaats voor duurzame relaties. Mensen klampen ons aan met persoonlijke vragen. We krijgen speelgoed en kleding van vrienden en collega’s om uit te delen. We zijn van gemeentestichter buurtpastor geworden. Maar anders dan in de gewone kerkgemeente, waar pastoraat wordt verleend aan degene die het lidmaatschap heeft aangevraagd, zijn we pastor voor de wijk. Pastor op straat, bij Albert Heijn, in het wijkcentrum, bij de carnavalsoptocht of bij mensen thuis.

De buurt is ons werkgebied. ‘Hoeveel mensen komen bij jullie?’ wordt me weleens gevraagd door christenen. Dat is zo lastig te beantwoorden, want dat gaat uit van de kerkgemeente en in het bijzonder de ‘zondagse eredienst’ als centrum van het leven. ‘We hebben wekelijks contact met driehonderd mensen in de buurt’ is dan mijn antwoord. Geloven die? Soms wel, soms nog niet helemaal en soms nog helemaal niet. Maar dat weerhoudt die mensen er niet van contact met ons te hebben. Dat willen wij ook onvoorwaardelijk en wederkerig met hen hebben. Licht. Zout. Aantrekkelijk. Pastor(str)aat.

maandag 27 februari 2012

Kleine groepen tegen consumptiementaliteit in kerken

Vandaag verschenen in Friesch Dagblad

Hilversum | ‘Uw gemeente is een kleine gemeente! Het maakt niet uit of er vijftig, honderd, driehonderd of een paar duizend samenkomen in uw gemeente. Dat aantal is klein in vergelijking met het aantal mensen in uw omgeving dat Christus niet kent en dat niet naar de kerk gaat’.

De aankondiging van de eendaagse conferentie ‘Missional life & church’ die afgelopen zaterdag plaatsvond in Hilversum sprak me aan. Wie wil geen impact hebben op zijn eigen omgeving? Maar toen ik las wie de spreker was, vroeg ik mij af wat hij mij kon leren. Greg Surratt, senior pastor van de ‘multi site’ Sea Coast Church (zie onderaan). Een gemeente met dertienduizend leden die een van de megakerken is in de Verenigde Staten en op veel christelijke Top 10-lijstjes staat. Kunnen wij uit de VS iets nieuws leren?

Surratt begon de conferentie met het schetsen van de spanning tussen de ‘attractionele’ en de ‘missionaire’ gemeente. Bij de attractionele gemeente ligt de focus op de zondag. Alles draait erom dat wat daar gebeurt goed moet zijn. Als het daar goed gaat, gaat het in de rest van het leven ook goed. Het gebouw, de muziek, de preek, alles moet zo volmaakt zijn, dat mensen zich volledig op hun gemak voelen. Bij de missionaire gemeente ligt juist de nadruk op de gemeenschappen die er doordeweeks zijn. De zondagse samenkomst maakt daar onderdeel van uit, maar is niet het centrum van het gemeenteleven.

Surratt richtte 23 jaar geleden Sea Coast Church op, vanuit een diep verlangen om een kerk te zijn voor onkerkelijken. Zo ontstond een attractionele kerk met uitmuntende planning, intensief gebed, veel activiteiten en zorgvuldige evaluatie.
Na twee decennia kwam de kerkleiding tot de conclusie dat verandering nodig was. Onderzoek wees uit dat ondanks de groei van megakerken het totaal aantal kerkgaanden hetzelfde bleef. Ander onderzoek leverde in de VS het 40/60 diagram op. 40 procent van de bevolking kan worden bereikt door het attractionele kerkmodel. De resterende 60 procent voelt zich daardoor niet aangetrokken en blijft daarom onbereikbaar. Dat percentage wordt alleen maar groter. In Nederland schat ik zelf die verhouding op 20/80.

De attractionele werkwijze zorgde ook voor een consumentenmentaliteit. Er werd een show opgevoerd waar gemeenteleden naar konden kijken en luisteren. Af en toe kwam Surratt in gesprek met nieuwe mensen die naar eigen zeggen bij andere kerken hadden ‘geshopt’ om te zien wat het beste bij hen past.
Om die reden zocht de leiding van Sea Coast Church naar een missionair model dat naast het attractionele kon functioneren. Die werd gevonden in het creëren van een discipelmakende cultuur in de gemeente, waardoor discipelen de cultuur om hen heen zouden beïnvloeden.

Leiders dragen de nieuw te bouwen cultuur, aldus pastoraal leider Chip Judd, volgens het principe ‘Je onderwijst wat je weet, je brengt voort wat je bent’. Voor een gezonde cultuur, zijn gezonde leiders nodig. De leider moet eerst zelf leren zijn identiteit te vinden in God. Want ‘om iets weg te geven, moet je het eerst ontvangen’.
De basis voor discipelschap is ‘heb de Heer lief met heel je hart en je naaste als jezelf’. Die bestaat uit drie delen: God liefhebben, je naaste liefhebben en jezelf liefhebben. Om jezelf lief te hebben, moeten discipelen leren om de liefde van God te ontvangen. En daarin te rusten.
Dat we niet van God kunnen ontvangen heeft te maken met de zondeval. Bevrijd van angst en schaamte kunnen we elkaar open benaderen.

De discipelschapsprincipes leren leiders hoe ze gemeenteleden in kleine missionaire groepen kunnen laten samenkomen, om samen God te zoeken en elkaar te steunen en van elkaar te leren. Net zoals Jezus eerst God zocht, daarna een groep discipelen bijeen bracht, met hen optrok en hen vervolgens uitzond. Deze groepen, van maximaal drie personen, zijn niet de traditionele huisgroepen of Bijbelstudiegroepen, maar delen hun hele leven met elkaar. Daarin kan de openheid worden ervaren van samen delen van successen en moeiten. En kan men elkaar helpen christen te zijn in deze wereld.
Het bouwen van een discipelschapscultuur vergt tijd en nabijheid. Het kan niet even snel worden gedaan en ook niet van een afstand gebeuren. Dat is een waarschuwing die Judd ons gaf. Maar in deze wereld is juist behoefte aan mensen die weten waar zij vandaan komen.

Ik vind het mooie gedachten. Ze spreken me erg aan. Greg Surratt was er eerlijk over. Als hij nu opnieuw begon, zou hij een missionaire gemeente opzetten. Om als gezin Gods roeping uit te leven in een bepaalde omgeving voor een bepaalde doelgroep.

De oprechtheid en eerlijkheid van hem en Chip Judd spreken voor zich. Zij hebben zichzelf de principes die zij verkondigen eigen gemaakt. Daarmee geef ik hen het voordeel van de twijfel. Ik ben benieuwd naar de gevolgen in ons land.

Op dit moment heeft de Sea Coast Church dertien locaties met 29 samenkomsten, elk weekend. Meer dan 13.000 mensen bezoeken ieder weekeinde de kerkdiensten. Sommige van de locaties worden door ‘slechts’ honderd mensen bezocht, terwijl andere bezocht worden door enkele duizenden. Als gevolg hiervan begrijpt voorganger Greg Surratt zowel de megakerkwereld als ook de wereld van de kleinere gemeenten. Hij is een van de bestuursleden en oprichters van een gemeentestichtingsnetwerk dat in de afgelopen tien jaar betrokken is geweest bij de start van meer dan tweehonderd kerken in de Verenigde Staten.

woensdag 22 februari 2012

Column Friesch Dagblad 42: Ode aan de kleine vrouw

Het was me het maandje wel. Whitney Houston gevonden in bad. Prins Johan-Friso gevonden onder de sneeuw. Job Cohen vertrokken als PvdA-leider. Allemaal nieuws verpakt in persoonlijk leed. We leven met ze mee.

Toch heb ik daar altijd een dubbel gevoel bij. Dat gevoel werd goed verwoord en uitgebeeld door een foto die op Facebook verscheen met aan de ene kant Whitney met de tekst '1 person dies and 100 million cry' (1 persoon sterft en 100 miljoen huilen) en aan de andere kant een uitgemergeld Afrikaans kind met de tekst '100 million die and no one cries' (100 miljoen sterven en niemand huilt). Ons verdriet is opgeklopt door het nieuws dat we zien en horen. Wat erg, denken we op het moment. Een week later is er weer een nieuw verdriet of een nieuwe schok.

Het leven staat ook in Villa Klarendal niet stil. In diezelfde twee weken was er bericht van het sterven van een zieke bezoeker, de geboorte van 2 kinderen (een tweeling!) en het overlijden in Suriname van een dochter van een bezoekster die zelf ook tijdens haar langdurig verblijf bij haar moeder vaak bij ons was geweest. Dit laatste schokte ons het meest. Een jonge vrouw van 41 uit het leven weggerukt.

In de dagen na het bericht van het sterven ben ik veel bij moeder en stiefvader geweest. Dan komen de verhalen los. Van de vraag van dochter wat haar leven voor doel had. Al jong ziek, waardoor een normale schoolloopbaan onmogelijk was. Dus ook geen werk, want zonder opleiding is dat niet mogelijk. Gebrek aan sociale contacten, waardoor ook een huwelijk niet tot de mogelijkheden behoorde. En dus ook niet gehoor kunnen geven aan het gebruikelijke verlangen naar eigen kinderen. Als je niet kunt voldoen aan die gewone dingen des levens, wat heeft je leven dan voor zin?

Moeder vertelde dat als haar kleinkinderen bij haar thuis kwamen, ze direct vroegen naar de tante. Ze wilden graag bij haar zijn. Niet voor niets. Kinderen worden aangetrokken tot wat echt en puur is.

Ze bleef hoop houden. Er leek een oplossing voor haar medische probleem gevonden. Moeder had al veel medicijnen ingeslagen. En dan ineens het onverwachte. Ze is er niet meer! Alle hoop weggeslagen. Twee dagen daarvoor bezochten haar broers haar. Ze wilden twee dagen later terugkomen. 'Kom dan wel eerder op de dag' zei ze, 'want later op de dag heb ik een afspraak met God'. Had ze in een droom gehoord. Inderdaad. Het tijdstip van haar overlijden.

Ze is er niet meer. Of toch wel. Ze heeft een date met God. Alle leed en vragen voorbij. Veilig in Jezus' armen. Het onbeduidende voor mensen is zeer waardevol voor God!

zaterdag 11 februari 2012

Missionair werk en buurtpastor

Jarenlang zijn we met Villa Klarendal al aan het werk in onze wijk Klarendal. Wat zijn wij nu, vragen sommigen zich af.

Eerst waren we een missionaire pioniersplek. We pionierden in de wijk en bereikten zo veel mensen in de wijk. Juli 2010 is ons werk gewijzigd in een christelijke wijkgemeenschap. Een wijkgemeente waarin wijkbewoners zich thuis kunnen voelen.

Toch krijgen we veel vragen. Zijn we nou katholiek of protestants? Lastig als wij antwoorden dat we daar niet op kunnen en willen antwoorden. Mensen moeten zelf ervaren wat het geloof inhoudt en dat niet laten afhangen van het soort labeltje dat daaraan hangt.

De laatste tijd werken wij veel samen met het katholieke buurtpastoraat. Dat vind ik een mooi woord. Pastoraat wordt door veel kerken geïnterpreteerd als het zorgen voor mensen die deel uitmaken voor mensen die aangesloten zijn bij de eigen kerk.

Buurtpastoraat gaat verder. De doelgroep is de hele buurt. Niet alleen aan kerkleden wordt hulp geboden, maar aan iedereen die dat nodig heeft. Dat gebeurt door bij mensen thuis te komen. Maar vaker door deel te nemen aan activiteiten of die zelf te ondernemen.

Enkele voorbeelden. Wekelijks coördineer ik het uitdeelpunt van de Voedselbank in de wijk. Daardoor hebben we wekelijks contact met mensen. Afgelopen vrijdag had ik een mooi voorbeeld van hoe buurtpastoraat werkt. Een vrouw komt bij ons en vertelt dat zij volgende week niet zal komen, omdat ze in het ziekenhuis wordt opgenomen voor haar anorexiaprobleem. Ze is er al uit aan het komen, maar komt niet genoeg aan. Waarom ze eraan werkt? Omdat ze wekelijks ons ontmoet en daardoor zoveel warmte ervaart, dat dit haar stimuleert om zelf haar leven ter hand te nemen. Even later een andere man die vertelt dat hij graag van zijn drankprobleem af wil door zijn kwaliteiten in te zetten. Samen denken we na over mogelijkheden. Een ander wil inbreken op het gesprek. Ik moet haar afhouden. Na het gesprek vertelt ze blij dat ze een baan en een huis heeft gekregen. Mooi hè. Wilde ze toch met ons delen.

Sommigen komen na verloop van tijd bij onze brunch en viering. We nodigen ze uit, maar gaan niet dwingen. Het pastoraat vindt dan ook niet alleen op die zondagen plaats. Maar op alle dagen dat we met mensen contact hebben.

En daardoor is het ook lastig om te antwoorden op vragen als 'hoeveel mensen komen bij jullie'. Want die vraag (vooral van christen) gaat uit van de gedachte dat zondag de centrale plek is in ons werk. Dat is dus niet zo. Daarom antwoord ik altijd met 'ligt eraan wat je bedoelt'. Wij hebben wekelijks contact met 300 mensen, waarvan tussen de 5 en 50 op zondag langs komen.

Van missionair pionier, naar missionair werker naar buurtpastor. Het werk stabiliseert. Mensen weten ons te vinden. Wij mogen met en voor hen werken.

woensdag 25 januari 2012

Column Friesch Dagblad 41: Wijk van de kaart

Het was weer eens zo ver afgelopen week. Het nieuws stond bol van een steekpartij waarbij een meisje van 14 en haar vader betrokken was. Het meisje is zelfs na een week aan haar verwondingen overleden. Dader was een jongen van 15 jaar die werd aangemoedigd door een oudere man.

De wijk waar het gebeurde werd met naam en toenaam genoemd. Inderdaad: een van de prachtwijken. De lezer werd bevestigd in zijn vooroordeel dat je vooral niet in die wijk moet wonen. Dat de dader uit Capelle aan den IJssel komt weten we, maar niet uit welke wijk hij komt. De wijk waar het gebeurde blijft gestigmatiseerd als probleemwijk. Ver weg van blijven, is wat je tussen de regels door de schrijver hoort zeggen.

Slecht nieuws is nieuws. Goed nieuws is dat niet. Steeds meer prachtwijken verbeteren zienderogen. Dat nieuws wordt niet gehoord. Of wordt geplaatst als kleine mededeling op de achterpagina. Dat de sociale betrokkenheid in deze wijken groot is. Dat mensen steeds meer oog voor elkaar hebben. Dat mensen uit hun sociale isolement worden getrokken en door activiteiten de weg naar de gewone samenleving weer terugvinden. Je hoort er gewoon niets van.

Het lijkt wel of de problemen van andere wijken niet worden gezien. Nogal logisch natuurlijk. Over het algemeen worden daar de problemen ver achter de voordeur gehouden. Zodat niemand ze ziet of hoort. Dan krijg je van die toestanden als dat bekende paar uit een dorp midden in Arnhem. Op een dag staan de dochters 's avonds laat op straat en belt de man de politie dat hij zijn vrouw heeft omgebracht. Omwille van de privacy van het gezin wordt de toedracht niet vermeld. Hij was de directeur van Gelredome. Heel het dorp in rep en roer. Het was zo'n mooi gezin. Ze deden zoveel voor de buurt.

Beide situaties zijn vreselijk en wens je niemand toe. Maar waarom wordt de directeur in de fraaie dorpswijk beschermd en ligt het probleem van het meisje in de prachtwijk op straat? Het doet bewoners van prachtwijken pijn. Zijn ze jaren aan het vechten om hun wijk boven jan te krijgen, is er een gebeurtenis waardoor het nieuws er bovenop zit, waardoor al het vechten voor niets lijkt te zijn geweest. "De wijk leeft! Zet de wijk op de kaart" zei een postercampagne in een andere prachtwijk Ook deze wijk stond op de kaart. En is nu van de kaart. In meerdere opzichten. De liefde voor de wijk blijft. De saamhorigheid is groot. Daar kunnen bewoners uit andere wijken een voorbeeld aan nemen.

dinsdag 3 januari 2012

Transformationeel leiderschap heeft de toekomst

In een artikel van Sam Rainer III waarin hij 10 trends voor de toekomst van de
kerk beschrijft, lees ik het volgende.

Charismatic leadership is based on the personality and charisma of a senior leader. Transformational leadership is based on the collective vision of an entire group. Both have their place, even in the church. A popular teacher should not lessen his or her charisma to detract followers. When the entire ministry structure is in place to elevate the leader, however, is when major problems arise.Charismatic teachers and leaders will always exist, but transformational leadership will become more popular in the coming decade.

Transformational leaders inspire people to reach for a common goal. They develop, train, and mentor future talent. They empower people to accomplish tasks. Creativity, transparency and authenticity are valued. Leaders and followers alike know what the goal is and how to achieve it. These leaders show everyone the big picture and why it’s important. The next 10 years will bring a fresh focus on local pastors leading local churches to become focused on a local mission.


Vrij vertaald: de behoefte aan charismatische leiders neemt af. Die aan transformationele leiders neemt toe. Transformationele leiders zijn leiders die oog hebben voor de ontwikkeling van hun mensen. Ze willen hen 'empoweren', zodat ze de juiste plek kunnen innemen.

Dat spreekt mij aan! Nog teveel worden wij in christelijk Nederland geconfronteerd met de vraag naar charismatische leiders. Ook in gemeentestichtingsland heerst nog steeds de gedachte dat we het niet kunnen zonder die leider die iedereen op sleeptouw neemt. En ben je niet zo'n leider, dan ben je niet geschikt voor gemeentestichting.

Ik heb daar altijd mijn vraagtekens bij gehad. Het probleem van een dergelijk model is de focus op 1 persoon. En wat gebeurt er dan als die persoon een mindere tijd heeft of zelfs een scheve schaats rijdt? Juist! Dan valt het hele werk in duigen.

Ik geloof daarom veel meer in een combinatie van transformationeel leiderschap en teamleiderschap. De nadruk op het ontwikkelen van mensen en het verbreden van het leiderschap over meerdere personen. Natuurlijk moet je voor het laatste wel goede afspraken maken en uitgaan van gezonde taakverantwoordelijkheid. Maar als dat er is, is dit een veel gezondere basis voor gemeentestichting, -vorming en -zijn, dan het oude afhankelijkheidsmodel van de Grote Geestelijke Leider. De christelijke Kim Yung Il. Dat laatste zeg ik cynisch, maar laat tegelijkertijd het gevaar van dat model zien, waarin alleen jaknikkers worden toegelaten tot de happy few rond het leiderschap.

vrijdag 30 december 2011

Column Friesch Dagblad 40: Oud en nieuw

Deze periode worden we overspoeld met lijstjes en overzichten. We zien het jaaroverzicht van het journaal, waardoor we een 'O ja-ervaring' ondergaan. Iets dergelijks gebeurt als we luisteren naar de muziek van de R 2 top 2000, de Serious Request top 2000 of de christelijke top 100 lijstjesvariant van Xnoizz Radio.

We zijn in deze periode van het jaar tgevoelig voor het terugkijken en -denken aan het verleden. Aan het afgelopen jaar of aan verder terug. Anders zouden de kijk- en luistercijfers wel anders uitwijzen en zouden de lijstjesprogramma's al lang van de buis of de radio vertrokken zijn.

De tijd tussen Kerst en Oud en Nieuw is een tijd van reflectie. Terugdenken aan wat is geweest. Vooruitdenken aan wat gaat komen. Daarin vinden de spreekwoordelijke goede voornemens hun basis. Ook ik ben deze dagen vrij van mijn gewone werk. Even tijd voor iets anders, terwijl het gewone werk in de wijk op kleine schaal door blijft gaan. Want de inwendige en uitwendige mens blijft behoefte houden aan zijn gewone en levende brood.

Reflecterend op het afgelopen jaar denk ik aan dat modewoord 'missionair gemeente-zijn' die de belangstelling voor 'emerging church' behoorlijk heeft verdrongen. Sommigen hebben de emerging church in ons land alweer ten grave gedragen. Er was overal belangstelling voor de missionaire gemeente. Boeken kwamen uit. Conferenties werden gehouden. Afdelingen bij PKN en de EA.
De missionaire gemeente werd ook onder vuur genomen. Wim Dekker sprak in zijn boek 'Marginaal en Missionair' uit dat de missionaire beweging van de kerk samen moet gaan met een nieuwe bezinning op de eigen identiteit. Iets dergelijks verkondigde missionair pionier Matthijs Vlaardingerbroek in de titel van het congres 'Buiten winnen is binnen beginnen' naar aanleiding van zijn boek 'Grensverleggend'.

We zijn op zoek, in de hele breedte van het christelijk erf. We zien landelijk een krimpende kerk, die niet wordt tegengehouden door de groei van de evangelische beweging. Ook in die beweging is de grote vraag hoe jongeren geholpen kunnen worden bij hun geloof. Ook daar doemt het seculariseringsspook op. Daarom worden kerkgenootschappen naar elkaar toe gedrongen. In deze tijd kunnen ze niet meer zonder elkaar, laat staan tegenover elkaar staan. Dat is een hoopgevende beweging. Een beweging over de kerkmuren heen, met respect voor de ontstane muren.

2012 komt eraan. Ik weet niet wat dat jaar gaat geven. Ook niet in onze prachtwijk. Maar ik blijf hoop houden als wij onze hoop putten uit de waarheid van alle tijden. Ik hou ook dit jaar vast aan onze gezinslijfspreuk 'ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen'. Wat er ook gebeurt.

zondag 11 december 2011

Zomaar een weekend

Gisteren waren we op een feest voor vrijwilligers in onze wijk Klarendal. Alle vrijwilligers waren uitgenodigd. Helaas waren er wat groepen vergeten, waardoor Villa Klarendal en Voedselbank vrijwilligers niet waren uitgenodigd. Wij waren er wel als vrijwilligers van het wijkcentrum.

Een grote tent was opgezet en er was heel veel eten ingekocht. Helaas kwam de helft van de aangekondigde vrijwilligers niet opdagen. We moesten dus gisteren vooral onze buik goed vol eten. Nadat we dat hadden gedaan, werden we spontaan aangesproken. Of we niet iets mee wilden nemen van het eten. Natuurlijk. Bij ons komt het altijd wel op. "Iets" was een hele grote, nauwelijks te dragen, schaal met allerlei vis- en vleeslekkernijen en twee schalen met luxe beleg. We kwamen aan op het wijkcentrum om de spullen af te leveren. We kwamen erachter dat er totaal geen boodschappen waren gedaan door de vaste boodschappendames. Een van hen had deze week een sterfgeval in eigen familie en was bezig geweest met alle beslommeringen daaromheen. De ander was het gewoon vergeten.

Zo zie je, zeiden we vanochtend, hoe goed God voor ons zorgt. Wij weten nog niet dat er niet voor eten is gezorgd en we krijgen het al... Dus deden we ons in plaats van kaas, vlees en eieren tegoed aan vis en luxe vlees- en kaaswaren. Het was zo heerlijk. We konden gewoon niet stoppen.

Voor en na het eten was het niet rustig. De "praatjesmaker" was aan de beterende hand, dus kwam pas bij de maaltijd. De mede-helper kwam pas rond kwart over tien aanlopen. Toen hadden wij de tafels al klaar gezet, de borden en bestek neergelegd, de koffie en thee in kannen gedaan en de entourage voor de viering gereed gemaakt. Tja, en als er na het eten niemand aanstalten maakt om actie te ondernemen, was ik wel bereid om die afwasjes te doen.

Vlak voor het begin van de viering bleek de internetverbinding uitgevallen, waardoor we het liedje "Mary did you know" niet van Youtube konden laten horen. Geen probleem. De computerzaal en printer is gewilig dus tijdens de eerste twee liederen zette ik het lied via PowerPoint op mijn USB stick en kon ik de gitaargrepen uitprinten. Het werd een mooie geïmproviseerde viering waar niemand iets merkte van de improvisaties...

Na de viering werd ik gevraagd voor een gesprekje met een vaste bezoeker. Duurde even een tijd, maar het was mooi om samen na te denken waar zij met haar dochtertje naar toe moest gaan.

Bijna was dit het einde, ware het niet dat een van de bezoekers waarschijnlijk iets te veel had genoten van het lekkers tijdens het eten. Zijn darmen protesteerden en bracht de verwerking op plaatsen waar je hem liever niet achtergelaten ziet. Dan kun je ervoor kiezen om het over te laten aan de schoonmakers van de volgende dag onder het mom van " ik betaal er toch voor en dit is niet mijn werk". Dat vond ik een te onprettige gedachte. Dus sleepte ik een emmer met ontzettend ontsmettend middel mee naar de wc om daar de overblijfselen op te ruimen. Niet teveel over nadenken, gewoon doen. Na 10 minuten was het schoon en bleef alleen de stank als overblijfsel van het gebeurde achter.

Dat was het einde, dacht ik, van een mooie, volgens het rooster "vrije", ochtend. Nee, toch niet. De schaal waarop de vis lag moest nog even worden teruggebracht. En teruggekomen bij het wijkcentrum dacht ik terug aan een opmerking van de tweede beheerder dat de lege bakken van de Voedselbank (waarvan we de inhoud op vrijdagmiddag uitdelen) de branduitgang versperden. Dus keek ik bij vol daglicht naar hoe ze waren opgestapeld. Daar stonden dan 64 bakken en 15 koelhoudbakken door elkaar heen. Door ze weer wat netter te herverdelen, kon ik weer een doorgang creëren.

Zo kon ik huiswaarts keren, waar ik nu rustig op de bank lig. We hadden een bezoekverzoek al afgeslagen, hoorde ik van Aneta. Lastig toch. Je wilt iedereen zo graag helpen. Maar ja, afgelopen maandag had Aneta er ook al uitgebreid over doorgepraat en -gebeden. Dus nu even niet. En dat is gezien mijn voorgaande verhaal ook wel een beetje begrijpelijk...

maandag 5 december 2011

De scheiding tussen het geestelijke en het natuurlijke

Al een paar jaar ben ik aan het nadenken over een belangrijk onderwerp. Doordat ik voor de politiek werk, vraag ik me af waarom ik zo weinig christenen zie die zich op dat vlak bewegen.
Ik lees over honderden christenen die zich bij Opwekking of de EO Jongerendag bekeren of laten vullen met Gods Geest. Dat gebeurt jaarlijks. Waarom zien we zo weinig in onze samenleving van die geestelijke opwekkingsbeweging. Mensen veranderen geweldig, maar het lijkt geen effect te hebben op onze samenleving.

Het begin van een oplossing kwam toen ik het boek van John Stott las “Uitdagingen van deze tijd in bijbels perspectief”. De organisatie die hij heeft gestart na het schrijven van dit boek heeft mij verder geholpen in het verder doordenken van dt probleem: het London Institute for Contemporary Christianity.
Die organisatie noemt het probleem "The Sacred-Secular Divide". Wij hebben onbewust een scheiding aangebracht tussen de geestelijke wereld en de natuurlijke wereld. De geestelijke (of sacrale wereld) is waar God is, waar het goed is, waar rust heerst, waar we dicht bij God komen. Het natuurlijke (het seculiere) is alles wat niet van God is. De wereld rondom ons. Het hele hebben en houden waar de kerk niets (meer) mee te maken heeft.

Waarom is er zo weinig effect van christenen in de samenleving? Omdat ze niet is geleerd hoe dat te doen. De scheiding tussen geestelijk leven en leven in de wereld zorgt ervoor dat we in onze gedachten maar een centrale plek hebben waar het goed is: de kerk of de gemeente. Gaat het daar werkelijk over? Als Jezus spreekt over dat we licht op een berg zijn en zout op aarde, is het dan zijn bedoeling dat we het vooral samen fijn hebben?

De grote scheiding tussen geestelijke en natuurlijke zien we in hoe we mensen benaderen. Wat is de belangrijkste taak in de gemeente? Is het niet vaak zo dat we zeggen “alle christenen zijn gelijk geboren, maar de christen die "fulltime werkt in Gods koninkrijk" is meer gelijk dan de anderen”?
Ik ben in mijn gedachten opgegroeid met een zekere hiërarchie in het christelijk leven: eerst komt de fulltime voorganger, dan de zendeling die ver weg is gegaan, dan de zendeling die tenten maakt, dan de oudsten, dan de diakenen en daarna de gemeenteleden.
Wat tentenmakers betreft zien we een interessant gegeven. Wat geweldig dat iemand jaren van zijn leven geeft om in een bedrijf, laten we zeggen Shell, te werken dat in Saoedie-Arabië werkt. Dan kun je werken en in je vrije tijd zending bedrijven. Daar bidden we voor. Voor die mensen hebben we een fotootje op de muur, zodat we regelmatig aan hen kunnen denken. Maar hoe zit het met de werker van Shell in Rotterdam? Hangt er ook van hem of haar een fotootje aan de muur?

Een rekensommetje. Een week bestaat uit 168 uur. Laten we ervan uitgaan dat we 48 daarvan gebruiken voor slaap. Dan houden we 120 uur over. Wat gebeurt er tijdens die uren? Tenzij we gepensioneerd zijn, of in dienst zijn van de kerkelijke gemeente, is het niet te verwachten dat gemeenteleden meer dan 10 uur per week zullen besteden aan kerkelijke activiteiten. Daarom zijn die 10 uur belangrijk. En de andere 110 uur? Dat is de tijd waarin we leven: werken, vrije tijd en gezin. Waar zullen we leren groeien, vergeven, wijsheid nodig hebben, niet-christenen tegenkomen? Juist: in die 110 uur. De vraag is dan: hoe kunnen de 10 uur betrokkenheid bij de kerkelijke gemeente ons voorbereiden voor discipelschap, zending, evangelisatie en leven met God in deze wereld?
Waar spreken we over tijdens de preken op zondag? Een onderzoek wees uit dat het merendeel van de christenen nog geen enkele preek heeft gehoord over het belang van werk in de samenleving voor een christen. Op een schaal van 0-4 was de uitkomst dat de preek relevant is voor:
persoonlijk geestelijk leven 2,57
Kerkelijk leven 2,12
Thuis 1,83
Werk 1,68

Als we kijken naar Leviticus, waar heiligheid het centrale woord is, zien we dat die heiligheid wordt gemeten aan alledaagse dingen. Lees bijvoorbeeld maar eens Leviticus 18 en 19. Het gaat daar om hoe je dingen weegt. Hoe je seksueel met elkaar omgaat. Het gaat over de algemene manier van omgaan met elkaar. Het gaat over de economie van het genoeg (laat nog wat liggen voor de arme en de vreemdeling). Over het eerlijk uitbetalen van werknemers. Over gezonde rechtspraak. Over respect voor de natuur. Het heilige leven is daar dus verweven met het geestelijke leven.

Waar gaat het centrum van ons leven naar uit? Een mooie zin die deze zelfde organisatie in Engeland uitsprak was ‘Iedereen is een fulltime geestelijk werker’. Of om het met de eerder gemelde frase te zeggen: 'iedereen werkt in Gods koninkrijk'. Een eye-opener. Toen ik een paar jaar geleden op de zendingsconferentie van Opwekking werd aangesproken door een zendingsorganisatie met de vraag of ik iets met zending heb, was mijn antwoord: “Ja, ik ben een tentenmaker. In Nederland”. Het woord, bekend van de zendingsliteratuur die aanduidt dat je van een bepaalde geestelijke orde bent, toegepast op het leven van alledag. Want we zijn allemaal door God geroepen om in deze wereld te staan en hem daarin te dienen.

Grote vraag voor kerkleiders van deze tijd is of zij gemeenteleden helpen om hun taak in deze wereld in te nemen. Beseffen onze gemeenteleden dat zij die taak hebben. Krijgen zij van hun voorgangers de tools om midden in de samenleving te staan en daar getuige in woord en daad van Jezus te zijn?

Een paar vragen voor oudsten, voorgangers, dominees en andere sprekers:

- Wanneer heb je voor het laatst gesproken over werk, of over aspecten waar mensen in werk mee te maken krijgen, zoals werkdruk, omgaan met moeilijke collega’s, enzovoorts.

- Weet jij welk werk elk van je gemeenteleden doet. Weet je tegen welke problemen hij of zij oploopt. Geef je hen hulpmiddelen om daarmee om te gaan?

- In hoeverre is jouw eigen denken verward met het dualisme tussen wereld en kerk? Hoe kun je daar uit komen?

zondag 4 december 2011

Kennismaking: Geert Rozema, buurtpastor Klarendal

Wij werken als Villa Klarendal niet alleen in de wijk. "Samenwerken waar het kan, alleen werken wanneer het niet anders kan" is daarbij ons motto.

Een van de mensen met wie we nauw samenwerken is Geert Rozema, buurtpastor voor de Rooms-Katholieke kerk. Onlangs is er een interview met hem verschenen in de wijkkrant van Sint Marten, de wijk die naast Klarendal ligt en waarvoor Geert ook buurtpastor is.

Het interview geeft een goed beeld van wat Geert in de wijk doet. We willen hem graag aan het woord laten.

Lees het interview hier.

Boekbespreking: nooit meer evangeliseren - Mark de Boer

Ik las de titel een paar weken geleden in de christelijke pers. Een titel die me aansprak, omdat het dichtbij mijn eigen ervaringen komt. Maar ook, omdat het weer lekker aanzet tot gesprek. De titel alleen al.

Dus toen ik het boek kreeg, ben ik er direct in gaan lezen. Om het in een weekend uit te lezen. Dat zegt voor mij heel veel. Als ik iets mooi en aangrijpend vind, kan ik er niet meer mee stoppen.

Schrijver Mark de Boer, directeur van de evangelisatiebeweging Agapè, geeft in het boek een uitgebreide preek in drie delen: verval, ontdekking en herstel.

In Verval schetst hij de omstandigheden die geleid hebben tot het verval van de kerk zoals we het ooit hebben gekend. Hij eindigt met de conclusie dat in het oog van de wervelwind van de 21e eeuw de autonome, zelfstandige mens staat "die zich niets laat gezeggen, in niets meer gelooft en wiens wereldbeeld op vrijwel alle fronten lijkt te botsen met dat van een ouderwetse christen".

In Ontdekking gaat Mark langs bekende aspecten van evangelieverkondiging om tot nieuwe conclusies te komen. In Goed nieuws komt hij tot de conclusie dat het evangelie anders is dan hij ervan had begrepen. Niet de versmalde versie die ons jarenlang in evangelisatiebrochures is voorgehouden en als een zip-bestand kon worden uitgepakt. Maar dat het evangelie "art, not science is; kunst - levenskunst, geen wetenschap". Evangelisatie betekent dat het koninkrijk wordt gedemonstreerd in woord en daad, in het dagelijks leven. En daarmee is the medium the message: "ik hoef mensen niet te overtuigen van de waarheid van allerlei leerstellingen, maar kan wijzen naar Jezus".

In Herstel gaat de schrijver op zoek naar nieuwe wegen om het goede nieuws in deze tijd door te geven. In verbondenheid met mensen om ons heen, die op zoek zijn naar community. Met een evangelie van daden èn woorden. Om tot de conclusie te komen "nooit meer evangeliseren" zoals hij aan het begin beschrijft op Hoog Catharijne: Een zanger met gitaar, een oudere broeder in de rol van straatprediker en een stuk of tien amateurs zoals ik, die samen een koortje vormen. We zingen liederen uit het genre 'Welk een vriend is onze Jezus' en de prediker roept de voorbijgangers op luide toon op om zich te bekeren en Jezus aan te nemen voor het te laat is.. Niet meer zó evangeliseren, maar een getuige zijn, terwijl de Heilige Geest optreedt als advocaat.

Ook na het lezen van het boek, bleef het een boek naar mijn hart. Geen onmogelijke opgave voor gewone christenen. Maar een relaxte manier van leven, waardoor anderen in een echte relatie met ons, maar ook met God komen. Lezen dus, dat boek!

Titel: Nooit meer evangeliseren
Schrijver: Mark de Boer
Uitgever: Ark Media

zaterdag 3 december 2011

Is de gemeente alleen missionair?

De missionaire gemeente is in. Overal waar je komt, hoor je hierover. Elke gemeente moet missionair zijn. Met de grote aandacht die iedereen eraan geeft, groeit de kritiek. Afgelopen week werd in een artikel in het Nederlands Dagblad Prof. Jakob van Bruggen aangehaald die een behoorlijke kritiek op het hele concept geeft. Jos Douma heeft hier in vier delen een inhoudelijke reactie op gegeven: deel 1 deel 2 deel 3 deel 4.

Daarom ga ik hier niet in op dat artikel van Prof. Van Bruggen of de reacties van Douma daarop. Wat ik hier wel wil doen is een eigen visie geven op de gemeente die God heeft ingesteld.

We beginnen bij de ongelovige die in aanraking komt met de missionaire gemeente. Hij ontmoet mensen die deel uitmaken van die gemeente. Die activiteiten ondernemen om mensen buiten de kerk te benaderen. Maar die ook uit liefde voor de medemens diaconale activiteiten ondernemen. Ook wel de diaconale gemeente genoemd. Hij gaat voor het eerst naar een samenkomst, waar de preken op zijn leven zijn afgestemd. De gemeente is 'seeker-sensitive'. De nog-ongelovige gaat delnemen aan de Alphacursus en wordt daar door God overtuigd van de christelijke waarheid. Hij wordt echter ook overweldigd door de liefdevolle gemeente. De gemeente die gekend wordt door de liefdevolle onderlinge verhoudingen en die daar zichtbaar uiting aan geeft.

Na verloop van tijd wordt hij gedoopt en opgenomen in de gemeenschap die heel sterk is in het laten groeien van nieuwe christenen. Laten we dit maar de groeigemeente noemen. Als de gelovige verder groeit wordt hij opgenomen in de gemeente. Samen gaat hij door een proces van het ontdekken van zijn gaven die hij mag inzetten voor de gemeente. De gavengerichte gemeente. Hij wordt ook deel van een kring van christenen in zijn buurt, waarmee hij de bijbel leest, zijn zorgen en vreugde deelt, kortom zijn leven deelt. Hij maakt deel uit van een kringengemeente.

Op het moment dat hij begint leiding te nemen aan een bepaalde activiteit, merkt hij dat de gemeente heel efficiënt is in de richting die wordt gekozen. Er is een scherpe richting waar men op wil gaan. De gemeente blijkt een doelgerichte gemeente te zijn.

Zomaar een levensverhaal van een onbestaande persoon in een onbestaande gemeente. Maar het laat zien wat ik bedoel. De afgelopen jaren zijn tal van bewegingen ontstaan, die een bepaald deel van de gemeente dat tot dan toe onderbelicht was benadrukten. Zo kenden we de doelgerichte gemeente (Rick Warren), de seeker sentitive gemeente (Willow Creek), de liefdevolle gemeente (Christian Schwartz), de Geestvervulde gemeente (pinksterbeweging), de piëtistische gemeente en zoveel andere deelaspecten van kerk-zijn.

De gemeente is dus in zijn volmaakte wezen een totaal van al die aspecten. In de praktijk van alle dag is die volmaaktheid er nog niet en zullen we moeten leven met de onvolmaaktheid van een gemeente die een of meerdere van die aspecten ontbeert. De werkelijkheid gebiedt te erkennen dat niet iedereen in de gemeente missionair is. Maar dat geldt ook voor al die andere deelaspecten. Binnen de gemeente zal dus actief (doel- en gavengericht) gezocht moeten worden naar welke mensen welk deelaspect kunnen vertegenwoordigen. Dat ontslaat de rest niet van eenzelfde intentie, maar helpt mensen zich te richten. Daarmee wordt de gemeente niet alleen missionair, maar ook een gemeente die al die andere aspecten in zich bergt. Dat voorkomt frustraties van theologisch geschoolde en daarmee onderwijsgerichte gemeenteleden als Prof. Van Bruggen.

vrijdag 2 december 2011

Eerst op zoek naar identiteit, dan pas missionair

Dit verslag is vandaag verschenen in het Friesch Dagblad.

Iedere kerk heeft een eigen identiteit, een specifieke roeping. Pas als je die hebt ontdekt, kun je als gemeente echt missionair zijn. Dat stelt kerkstichter Matthijs Vlaardingerbroek.

Stel, je bent een gemeenteleider, voorganger, of predikant. Je hebt een zieltogende gemeente. Een kerk die niet groeit, maar enkel krimpt. Waar meer mensen sterven dan dat er mensen bij komen. De vraag bekruipt je of er nog hoop is voor deze gemeente.
Dan lees je een advertentie van een bekende missionair werker, Matthijs Vlaardingerbroek, die in Den Haag uit het niets een nieuwe gemeente is begonnen. Wellicht kun je iets leren van deze werker, denk je.

Niet iedereen die deze week naar de conferentie Grensverleggend Missionair: Buiten winnen is binnen beginnen ging zal die motivatie hebben gehad, maar de verwachting was in elk geval groot. De conferentie was een initiatief van uitgeverij Medema, rond het verschijnen van het boek Grensverleggend. Hoe de kerk opnieuw missionair kan zijn van Vlaardingerbroek.

De kerkplanter, inmiddels ook bekend als buikspreker met zijn pop Henkie, deed zijn creatieve roem eer aan door de pop meteen aan het begin met een goocheltruc door midden te zagen. Henkies hoofd en de benen werden van elkaar gescheiden, ter illustratie van hoe wij van God zijn gescheiden. Henkie dook zijn koffer weer in, de afgezaagde benen achterlatend op het blok. Achter die benen toverde Matthijs een andere pop tevoorschijn, die de van God afgesneden mens symboliseerde. De buurman die God niet kent, noemde Matthijs hem. Waar kan hij God vinden? In de koffer van Henkie? Nee, want die vertrouwt hij niet. De kerk, plaats van Gods heerlijkheid, wordt gewantrouwd door de gemiddelde burger. De vraag is daarom: kunnen wij niet beter naar de ander toe gaan, in plaats van te wachten tot hij of zij naar ons als kerk toekomt?

Aan de hand van het verhaal uit de Bijbel over de mannen die hun verlamde vriend bij Jezus brachten (Lucas 5: 17-26), ontvouwde Matthijs Vlaardingerbroek zijn visie voor missionair werk. Hij haalde een aantal principes uit het verhaal.

De vrienden hadden een krachtige ideologie: als onze vriend bij Jezus komt, komt het goed. Ze blijken een heldere visie te hebben: getroffen door de pijn van hun vriend, zijn huidige situatie, willen ze dat Jezus hem van die pijn geneest.

Mensen zijn net als de verlamde vriend, vervolgde Vlaardingerbroek. Ze kunnen niet zelf de deur openen. Ze zijn geestelijk verlamd. Ze kunnen niet naar de kerk toe komen. Wij moeten naar hen toe gaan. Wij moeten een ze ,,haalbare belofte” geven. Net zoals de vrienden: ‘Wij brengen jou bij Jezus.’

De vrienden hadden ook een unieke kracht. Ze zagen wegen die er eigenlijk niet waren. Ze konden niet door de deur, ze konden niet door het raam. Daarom klommen ze het dak op, om van daaruit hun vriend bij Jezus te brengen.
En ze hebben een hoopvolle ambitie: ze verwachten dat Jezus tegen hun vriend zegt dat hij moet opstaan en lopen.
Identiteit

Belangrijk in Vlaardingerbroeks boodschap is de identiteit van de gemeente. Die kent verschillende aspecten: ‘De gewenste identiteit, de huidige identiteit en de door God gegeven identiteit.’ De vraag is op welke identiteit wij onze pijlen richten. We moeten zoeken naar de parel die God ons heeft gegeven: de identiteit die we als gemeente van God hebben gekregen, stelde Vlaardingerbroek. Die is vaak verstopt. ,,De vraag is of we bereid zijn die parel te zoeken, ook als het ons alles kost.”
Als die identiteit eenmaal is gevonden, kunnen we hem gaan inzetten. Niet alleen binnen de gemeente, maar ook voor ‘buiten’. Om de identiteit van je gemeente daadwerkelijk te gebruiken is een heldere visie onmisbaar, betoogde Vlaardingerbroek. Daarvoor is een start nodig (wat zie jij en wat doet je pijn?). En een finish (Wat zou ik willen zien? Wat geeft mij hoop?). Als je die twee hebt vastgesteld, wordt een route zichtbaar die je van start naar finish brengt.
Vlaardingerbroek ziet veel gemeenten met de visie: wij willen er zijn voor iedereen. Bij zo’n vage visie dreigt echter het gevaar, dat je er voor niemand bent. Daarom is de beginvraag ‘wie zie jij?’ belangrijk. Wie zijn de mensen die God op jouw hart legt?
Achterstandswijken

Na zijn gepassioneerde betoog overhandigde Matthijs Vlaardingerbroek zijn boek aan Oeds Blok, voorzitter van Urban Expression, een beweging die gemeentes sticht in de achterstandswijken. Vlaardingerbroek wil met zijn boek hoop bieden aan bestaande kerken, vanuit liefde voor de kerk.
Naast lovende woorden past ook een pas op de plaats. Mijn grote vraag is of de kerk vernieuwd kan worden door een methode te omarmen die is gebaseerd op identiteitsmarketing. In hoeverre is dit weer een nieuwe methode voor kerken, die er geld en tijd in moeten steken? Om er wellicht na enkele jaren achter te komen dat de methode het vuur niet heeft kunnen aanwakkeren waar we zo naar verlangen. De tijd zal het uitwijzen. Aan de passie van Matthijs Vlaardingerbroek zal het niet liggen.

dinsdag 29 november 2011

Column Friesch Dagblad 39: Flauwe kerken

De ‘temperatuur’ in kerken in Nederland is te laag. Het is niet goed, te lauw. De kerk is ziek. We gaan te veel voor de kant-en-klare hap op zondag en zijn te veel bezig met kerkje spelen. Een zin uit een artikel dat ik vandaag las in op het nieuwe platform van het Friesch Dagblad Hetgoedeleven.com over de Global Leadership Summit in Drachten, de jaarlijkse leiderschapsconferentie van Willow Creek. Arjan Zantingh, onderwijspastor van de Vrije Baptistengemeente in Groningen, wordt aangehaald. Hij constateert dat een kerkelijke gemeente vanaf de buitenkant wel goed naar voren komen - bijvoorbeeld door mooie diensten en veel activiteiten - maar dat dat niks zegt over de vraag of individuele gemeenteleden er kunnen groeien. Daarom is ‘een geestelijke blik onder de motorkap nodig’.
Het is een terugkerende riedel die ik in mijn 35-jarige ervaring in christelijk Nederland steeds weer terug hoor. En die ook geregeld aan den lijve heb ervaren. Wat is er aan de hand in ons christelijke land?, vraag ik me dan af. En vooral de vervolgvraag: valt er iets aan te veranderen?

De vraag of het individuele gemeentelid in onze kerkelijke gemeente groeit, komt voor een deel voort uit een consumtiementaliteit. Christenen groeien op in een wereld waarin hen alles wordt aangeboden. De dominee moet zorgen voor een goede preek. De koster moet zorgen voor warme voeten, goed zittende stoelen en goed werkende toiletten. De muziekgroep moet rekening houden met mijn muzikale smaak en zorgen voor een goede aanbidding waardoor ik dichter tot God kom. En als het aanbod de christen niet meer zint, gaat hij stampvoetend weg, want hij groeit er niet meer. Op zoek naar een betere kerk waar het aanbod wel naar de zin is van de zoekende gelovige.

Onderzoek wijst uit dat de geloofsopvoeding het beste tot zijn recht komt in de gezinnen. De plek waar kinderen leren om te leven volgens het christelijke geloof. In hoeverre is daar sprake van geloofsleven? Of gaat het alleen om belijden? Met de mond verkondigen en opvoeden dat het geloof de waarheid is. Maar er in de praktijk niets mee doen. Ik denk aan de woorden uit de Bijbel waarin Jezus ons aanspreekt om licht en zout te zijn in deze wereld. En aan de zin van de apostel Jakobus: ‘Wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? Zou dat geloof hem soms kunnen redden?’

Blijft de vraag of het geloof in de lauwe kerken met flauwe gelovigen nog wel te redden is.

donderdag 17 november 2011

Mission Possible? Ja, ook in Nederland

Dit artikel is vandaag gepubliceerd in het Friesch Dagblad.

De Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE) laten zich niet gek maken door de secularisatie. Leiders uit de VPE confereerden juist over missie en kansen. Rick Jansen was er bij.

Bunnik | ‘Hoe wil Christus dat de gemeente van vandaag Zijn missie volbrengt? Waar wil God dat we mee bezig zijn als gemeente? Wat is jouw missie? Welke uitdagingen moet je als gemeente aangaan om missionair te zijn?‘
Het waren vragen die werden gesteld op de speciale website van de leiderschapsconferentie VPE onder de titel ‘Mission possible? De uitdaging van missionair gemeente zijn’.
‘Daar moet ik bij zijn, zeker omdat ik ook nog eens lid van de VPE ben’, dacht ik en daarom toog ik afgelopen weekend naar de conferentie die dit jaar in Bunnik werd gehouden. Hoofdsprekers over het onderwerp waren Theo Visser (International Church Plants) en Ruben Flach (secretaris van de VPE). Alton Garrisson (vicevoorzitter van de Assemblies of God in de Verenigde Staten) hield een tweetal inspirationals om de bezoekende geestelijke leiders te bemoedigen in hun persoonlijke leven en in hun bediening. In dit artikel beperk ik me tot het antwoord van Visser en Flach op de vraag van de conferentie, die donderdag en vrijdag gemiddeld tweehonderd bezoekers trok

Beweging
Theo Visser beet het spits af. Hij heeft jarenlange ervaring als gemeentestichter in Rotterdam. Hij vertelde dat de door hem gestarte beweging werkt vanuit het motto ‘Passion for God, compassion for the world’. Doel is, vanuit een gerichtheid op God, zoveel mogelijk mensen uit de wereld bereiken. ,,De beweging wil geen mensen uit andere gemeentes trekken en we hebben dit ook opgenomen in de visie voor ons werk.’’
Volgens Visser biedt kerkplanting veel missionaire kansen. Hoofdreden daarvoor is dat God zelf een missionaire God is. ,,Die God woont in ons en zendt ons uit naar deze wereld.’’
Als antwoord op de vraag hoe dat te doen, haalde Visser een vraag aan van een moslim die vaak in zijn gemeente komt: ,,‘De wereld is een slagveld. Hoe komt het dat de kerk, die zichzelf ziet als een geestelijk Amsterdam Medisch Centrum, niet ambulances af en aan laten rijden naar het slagveld en dat daar geen veldhospitalen zijn, zodat AMC en veldhospitalen samen de wereld kunnen redden?’.’’ Kortom: waar zijn de kerken als het gaat om het redden van levens.

Achterdeur en voordeur
Nieuwe gemeentes zijn het meest effectief in hun eigen omgeving en zouden goed kunnen samenwerken met bestaande gemeentes, aldus Visser. Gemeentes hebben een ,,goede voordeur en een goede achterdeur’’ nodig, is zijn idee. De voordeur is volgens Visser tweeledig. Hij is incarnational: net zoals Jezus uitgaan en ons vereenzelvigen met mensen, onze veilige gebieden (comfort zone) verlaten en de wijken intrekken. En Hij is attractional: samenkomsten zijn afgestemd op mensen die van buiten komen.
Aan de achterdeur staan gemeenschap en discipelschap: mensen blijven als een gemeenschap ‘24/7 ‘op elkaar betrokken is en zorgt voor discipelschapscursussen en mentoren die mensen opvangen.

Ruben Flach nam de congresgangers mee naar de situatie van zending anno nu, in Nederland. Het blijkt dat in ons land 42 procent van de inwoners zich niet kerkelijk noemt. In de hele wereld is het opvallend dat 3575 bevolkingsgroepen niet in beeld zijn bij de christelijke zending, terwijl in 6672 bevolkingsgroepen minder dan 2 procent christen is.

Flach ziet enkele trends in ons land. Zo is er steeds meer visie voor missionair werk in de vorm van kerkplanting en revitalisering van gemeenten.
Het groeiend aantal gebedsbewegingen is een andere opvallende trend. Short time zending - voor enkele weken of maanden het zendingsveld in - is een derde interessante trend. Jongeren staan bij tientallen kramen van zendingsorganisaties om te vragen waar zij hun vakantie of periode na het afstuderen zinvol kunnen besteden.

Daaraan verbond Flach het belang van coachen van jongeren die een zendingservaring hebben gehad. Ten slotte vroeg hij aandacht voor vernieuwende initiatieven zoals de onlangs uitgekomen straatbijbel, de Torri van Mattie. Deze initiatieven worden helaas, onterecht, bekritiseerd.
Met de vraag ‘Wat is onze werkelijkheid?’ hield Flach de aanwezige leiders een spiegel voor. Hij werkte dat uit door hen de vraag voor te leggen of hun gemeentes daadwerkelijk actief bezig mensen die ‘buiten zijn’ te bereiken, of dat ze naar binnen gericht zijn, omdat ze ‘het zo goed met elkaar hebben’. En zijn gemeentes eigenlijk wel betrokken bij de nood in de wereld of ‘alleen bezig met onze eigen problemen, bezig om te overleven’.
,,Zending is niet de opdracht, maar de identiteit van de gemeente. Zending hoort bij het wezen van de gemeente’’, aldus Flach.

De vraag Mission possible? werd door op de twee conferentiedagen positief beantwoord. Door gemeentes te stichten, door daarin de leiding van God te zoeken en te beseffen dat zending deel is van de identiteit van gemeentes.

Het bestuur van de VPE gaat ondersteuning bieden om de aangeboden principes in daden om te zetten.

woensdag 2 november 2011

Column Friesch Dagblad 38: kerkplanting is geen fabriek

Vorige week dinsdag, woensdag en donderdag was in Berlijn het eerst grote City to City congres over gemeentestichting in Europa. Honderden Europese geïnteresseerden in gemeentestichting, waaronder honderd Nederlanders, kwamen naar de Duitse hoofdstad om zich te laten enthousiasmeren over het stichten van nieuwe kerken.

Wie kwam om een blauwdruk te ontvangen voor het stichten van een gemeente kwam van een koude kermis thuis. Hoofdspreker Tim Keller vertelde dat de methode voor gemeentestichting niet bestaat. Een zin naar mijn hart.

Mensen horen van een succesverhaal. Ze willen er meer van horen en zien. En gaan naar het succesverhaal om te zien wat daar gebeurt. Maar vooral ook om te horen hoe dat verhaal tot stand is gekomen. Ergens in de hoofden van die christenen is de gedachte postgevat dat gemeentestichting een soort fabriek is. Je gaat naar die succesvolle fabriek toe. Je kijkt naar het fabrieksproces. Je onderzoekt waardoor het proces zo succesvol is. En je kopieert het proces in je eigen omgeving. Waardoor jouw fabriek ook succesvol wordt.

Zo komen groepen christenen ook bij ons. "Wat kunnen we van jullie leren?" is hun eerste vraag. "In ieder geval geen succesmethode" is steeds mijn antwoord geweest. Want die is er dus niet in gemeentestichting. Je bent op zoek naar Gods weg, in deze tijd, op deze plaats, met de mensen en middelen die jou zijn gegeven. Elke plaats is anders, de mensen die het doen zijn anders en de middelen zijn verschillend. God is de enige constante factor in dit alles.

Daar begint gemeentestichting mee. Wat wil God in deze tijd, op deze plek met deze mensen die deze middelen voorhanden hebben? Daar ga je naar op zoek. Biddend met je mensen door, over en voor de wijk. Ploeterend zoeken hoe God in deze wijk wil werken. Dat is niet een instant-methode. Dat vergt tijd, veel tijd. Met veel vallen en weer opstaan. De wijk leren kennen, mensen leren kennen, gesprekken aangaan, weten wie wie is in de buurt. Kennen, maar ook gekend worden. Dat wij mensen leren kennen, maar dat mensen ook ons leren kennen.

Zo zijn bezoekers weer weggestuurd. Bij mij en ook in Berlijn. Leer van wat wij hebben gedaan, maar ga vooral zelf aan de slag in je eigen buurt. Als een nieuwe tijd waarin Jezus opnieuw zijn discipelen wegzendt met een "Gaat dan henen...".

Hebben wij niets overgenomen van "succesformules"? O, zeker. Onze viering is een "seeker-service" a la Willow Creek. De combinatie brunch en viering is overgenomen van In de Praktijk in Den Haag. Maar de invulling ervan is afgestemd op de wijk Klarendal in Arnhem.

donderdag 27 oktober 2011

Werken voor God

Gisteren spraken we tijdens een vergadering kort over een tekst in Marcus 4, waarin Jezus diverse vergelijkingen maakt over het koninkrijk van God.

En hij zei: ‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.’

In een cultuur waarin werken het hoogste goed is, is dit een vreemde tekst. Wat moet ik dan nog doen? Het belangrijste: het ontkiemen, groeien en vrucht voort brengen gebeurt vanzelf.

In veel literatuur over gemeentegroei en gemeentestichting gaat het om methodes om mensen tot geloof te brengen, om groei te geven. De gemeentegroeibeweging uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw keek naar principes die groei bevorderden en brachten die aan de man als groeipotenties voor de kerk.

Als ik de tekst lees, zie ik daar niets van. Alles wat te maken heeft met groei, komt vanzelf. Je kunt er niets aan doen. Ineens is het er. Ineens is er een groen puntje dat boven de aarde komt na een langer proces van groei onder de aarde.

Wat moeten wij dan nog doen, was onze vraag gisteren. Dat lijkt me duidelijk. Voorafgaand aan het proces van zaaien is dat het zorgen dat de aarde vruchtbaar wordt. In sommige plekken betrkent dat stenen weghalen. Ploegen hoort erbij. De aarde moet omgewoeld worden, zodat het zaad er goed in kan vallen. Zodat de aarde niet te hard is, waardoor het zaad op de aarde blijft liggen. En als het eenmaal is gezaaid, gooi je mest op de aarde. Die vreselijk geurende smurrie waar je van over je nek gaat. Maar het werkt wel.

Ons werk is te zorgen dat de voorwaarden goed zijn om het evangelie te verkondigen (het zaad te strooien). Mogelijke barrieres wegnemen: slechte ervaringen met christenen, verkeerde gedachten over het geloof. Maar daar ook positieve dingen voor in de plaats zetten: samenwerken op sociaal gebied, oprecht meeleven, met mensen meedenken om hun leven weer op de rails te krijgen. Maar het zaaien hoort er ook bij. Voor een deel vertellen over wat wij geloven. Voor een ander deel laten zien dat wat wij vertellen ook uitwerkt in ons eigen leven. Het geloof uitleven, maar ook voorleven.

De boer die nadat hij heeft gezaaid alleen maar op zijn lauweren rust is geen goede boer. Er moet ook geirrigeerd worden als er geen regen valt. Onkruid moet worden weggesneden. Kortom, het is geen proces dat zomaar komt. Je moet er veel voor doen om de voorwaarden goed te laten blijven. Dat geldt ook voor ons. Niet alleen maar: God doet het wel. Maar ook constant kijken en luisteren of alles nog goed gaat. Of we als medewerkers niet in een sleur terecht komen. Alleen maar voor de grote oogst gaan en geen zicht meer hebben voor de plantjes zelf.

Maar uiteindelijk zorgt God voor de groei. En dat zien wij zelf ook. In veel levens van mensen met wie we werken zien we dat het zaad ontkiemt, groeit, groot groeit. En hier en daar mochten we al oogsten. En samen kijken hoe we de vruchten weer verder mochten uitzaaien op andere plekken.

zondag 16 oktober 2011

MEER van hetzelfde

Een paar maanden geleden werd ik er al mee geconfronteerd. Ds. Hans Eschbach, voorheen voorzitter van het Evangelisch Werkverband binnen de PKN, ging zich bezighouden met een groots evangelisatieproject. De verwezenlijking van een droom van Peter Vlug sr., las ik onlangs. Een glossy samenstellen onder de titel 'Meer' dat wordt verspreid in alle huizen in Nederland. Hoera, nu wordt het evangelie verkondigd op een moderne, aansprekelijke manier. Nu zullen alle gezinnen het evangelie lezen. Dat was de teneur van de reacties op dit initiatief.

Prachtig, niets mis mee, laten ze het vooral doen. Dat denk ik dan zelf. Maar toch heb ik wat bedenkingen bij een dergelijk groots opgezet project. Het gaat namelijk uit van bepaalde vooronderstellingen waarvan. Ik me afvraag of ze juist zijn. De eerste is, dat als je maar een mooie glossy maakt geheel in de stijl van wat mensen tegenwoordig aanspreekt, mensen dat blad wel zullen lezen. Zo'n glossy wordt dan op de markt gezet van al die andere mooie bladen die mensen regelmatig in hun bus ontvangen. Maak iets aantrekkelijks en mensen zullen het vanzelf gaan lezen. Volgens mij is de concurrentie zo groot dat mensen, als ze het blad al in hun bus ontvangen (want is er rekening gehouden met adressen met NEE-NEE of NEE-JA stickers?), het al snel met de grote hoop direct in de vuilnisbak of nog beter in de papierbak gooien.

Een dergelijke glossy gaat ook nog uit van een zekere leescultuur. In wijken als Klarendal is die leescultuur er niet of nauwelijks. Ze kunnen niet lezen (want analfabeet of niet-Nederlandstalig), of ze zijn veel meer beeldgericht en kijken liever RTL Boulevard of GTST dan zich te gooien op dat mooie blad met die vele teksten.

MEER van hetzelfde heb ik bewust boven deze blog geschreven, omdat het lijkt alsof het een uniek project is, terwijl er in alle decennia tot nu toe dergelijke projecten zijn geweest. Er is Hoop in de jaren zeventig zou het helemaal gaan doen. En de afgelopen jaren zijn met kerst en pasen materiaal uitgekomen dat mensen vast zou aanspreken. Dat deed het voor een kleine groep, maar de vraag is of dergelijke groots opgezette acties ook het doel halen dat ze lijken te willen verwezenlijken. In dit geval is het een eenmalige activiteit die een groter gevolg moet gaan geven. Groots, meeslepend, mooi, aansprekend. Maar raakt dat het hart van de persoon die het in zijn bus krijgt? Laat het blad straks de levensstijl van een gelovige zien? Met alle vallen en opstaan van dien? Of wordt het een zoveelste blad met successtories waardoor je wel moet worden aangemoedigd gelovig te worden. Maar of dat een goede voorstelling van zaken is?

Tenslotte vrees ik dat de totstandkoming van dit glossy heel veel geld zal vragen van christenen en hun kerkelijke gemeenschappen. Geld dat zoveel andere projecten en activiteiten ontberen. Christen zijn op basis van levensstijl. Dat is een veel lastiger item. Daar kun je geen glossy over schrijven. Dat is misschien maar een vodje in de ogen van glossysamenstellers. Schijnbaar minder succesvol, want er gaat een langere tijd overheen. Veel minder leuk om te ondersteunen, wat het is niet altijd succes dat achter de horizon verschijnt. Niet meer van hetzelfde, maar anders dan anders. Waardoor mensen wel worden aagesproken.

Laat de glossy er maar komen. Maar mijn kanttekeningen zijn en blijven er.

zaterdag 8 oktober 2011

Het verhaal van de gouden Boeddha

Zo af en toe hoor ik een verhaal dat me erg aanspreekt. Dat geldt ook voor het verhaal van de gouden Boeddha. Net gehoord op een cursus coaching 1-op-1 van de School voor Coaching. Aansprekend, omdat het mij aan het nadenken zet over mijzelf. Het spreekt verder voor zichzelf.

In 1957 moest een klooster in Thailand verhuizen. Een groep monniken kreeg de taak een reusachtige Boeddha, die gemaakt was van klei, te verplaatsen. Terwijl ze daarmee bezig waren, zag één van de monniken plotseling een scheur in het Boeddhabeeld. De monniken waren bang dat ze het Boeddhabeeld zouden beschadigen en besloten daarom een dag te wachten alvorens verder te gaan met hun taak. Toen de nacht viel liep één van de monniken naar het reusachtige beeld om te kijken of alles goed was. Hij scheen met zijn lantaren over de gehele Boeddha. Op het moment dat het licht op de scheur viel, zag hij iets weerspiegelen.

De monnik werd nieuwsgierig, pakte de hamer en de beitel en begon stukjes klei van het Boeddhabeeld af te slaan. Naarmate hij meer klei wegsloeg werd de Boeddha helderder. Nadat de monnik uren had gewerkt, keek hij in verbazing op en zag hij een prachtige, puur gouden Boeddha voor hem staan. Historici denken dat de Boeddha enkele honderden jaren daarvoor door de Thaise monniken was bedekt met klei toen Birmese leger hen aanvielen. Zij bedekten de Boeddha met klei zodat hij niet zou worden gestolen. Tijdens de overval op het klooster werden alle monniken gedood. Pas in 1957, toen monniken het beeld verplaatst werd de grote schat ontdekt.

Net als de Boeddha beschermt onze buitenschil ons tegen de wereld; onze echte schat ligt binnen in ons verborgen onder een laag klei. We hoeven alleen de moed op te brengen om onze buitenste schil stukje bij beetje weg te slaan zodat onze ware kern naar buiten kan treden.

woensdag 5 oktober 2011

Column Friesch Dagblad 37: Jezus, mijn voorbeeld in wijkwerk

De Here Jezus is voor ons wijkwerk het grote voorbeeld. Hij leefde in deze wereld in was bereid mensen te nemen zoals zij zijn.
Een van de belangrijke aspecten in het leven en werk van Jezus was zijn incarnatie. Hij was bereid de directe nabijheid van Zijn Vader te verlaten en zijn goddelijke luister en privileges af te leggen en mens te worden zoals wij. Hij staat daardoor niet ver van ons af, maar is een van ons geworden. Hij heeft zichzelf met ons vereenzelvigd. Daardoor begrijpt Hij hoe het leven in elkaar zit en heeft Hij laten zien hoe een leven met God in deze wereld mogelijk is. Hij is “mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.”

Jezus had dit niet hoeven doen. Hij had er ook voor kunnen kiezen om te blijven wonen in de hemel en dagelijks af te dalen naar de woonplaats van de mensen. Dat deed hij niet. Daardoor zou hij buiten de mensheid blijven staan. Jezus had zich kunnen laten voorstaan op het feit dat Hij God is. Maar dat deed Hij niet. Hij kwam in deze wereld. Werd geboren in een gezin dat niet als groots bekend stond. Groeide op in een streek dat als achterlijk werd gezien. Was een zoon van een timmerman, toch niet het meest aanzienlijke beroep. Bovendien was het voor iedereen in het dorp waar Hij woonde bekend dat hij een bastaard was: zijn vader was niet zijn eigen vader. Daardoor werd hij in zijn dorp veracht.

In zijn houding naar mensen zien we dat hij zich niet hoog boven mensen opstelt. Hij stond naast mensen. Hij ging om met mensen die door anderen veracht werden. Toen hij bij tollenaar Levi thuis thuis wasmen de maaltijd gebruikte, werd hij door de geestelijke leiders daarop aangesproken. Zijn antwoord: 'ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.’ Hij vereenzelvigde zich met met mensen die ver van God waren afgeweken. In plaats van ze af te stoten en ze te veroordelen, lag hij bij ze aan tafel en had hij nauw contact met ze.

Wij leren ons te vereenzelvigen met de mensen die in de wijk wonen. Niet afstoten of veroordelen. Maar liefhebben en naast hen staan. Niet elke dag afdalen naar de wijk om daarna weer neer te ploffen in onze eigen gecreëerde hemel in de veilige buitenwijk. Wij willen leren van Jezus' incarnatie. Wij willen 'incarnatie-leven'.

donderdag 8 september 2011

Column Friesch Dagblad 36: kerk in de marge

In de tijd van mijn jeugd, de roerige jaren zestig en zeventig, gebeurde het regelmatig dat kerkleiders zich in de openbaarheid uitspraken over misstanden in de samenleving. Als zij spraken, luisterde de maatschappij. De kerk had zich een positie verworven midden in de samenleving. Een belangrijke ethische waakhond die het luisteren waard was.

Inmiddels is dat totaal veranderd. Alle kerken brokkelen af. Letterlijk en figuurlijk. Jaarlijks keren duizenden kerkleden de kerk van hun jeugd de rug toe. De volkskerken van toen zijn niet meer. Zij moeten in tal van plaatsen besluiten de godshuizen te sluiten. Voor degenen die daar hun herinneringen hebben een pijnlijke gebeurtenis. Bij ons in de wijk sluit eind deze maand de laatste kerk de deuren. Deze week kregen we de uitnodiging voor de laatste eucharistieviering. Het laatste avondmaal is aanstaande. Dan sluiten de deuren na meer dan honderd jaar trouwe dienst en dito invloed in de wijksamenleving.

De kerk wordt teruggedrongen naar de marge. De grootte wordt ingeruild voor het kleine. Van de speler waar iedereen naar moet luisteren wordt het een van de groepen die er zijn. Velen vragen zich af wat nog de toekomst van de kerk is. Sommigen kijken hoopvol naar nieuwe missionaire activiteiten. In missionaire actie ligt de toekomst van de kerk lijken ze te zeggen. Anderen leggen zich neer bij de marginale kerk. Geen grote volksbeweging meer. Geen grote woorden en daden. Geen houding van arrogantie meer, maar van nederig de eigen plaats aan de rand innemen.

Daar valt iets voor te zeggen. Kijk naar de geschiedenis en we zien een rol die ver van de macht af lag. Christenen hielden zich op aan de rand van de samenleving. Ze waren solidair met de armen, de verschopten, de outcasts. Opgesloten in de marge groeide de jonge kerk als kool. De Romeinse overheid was als de dood voor de groeiende invloed van die kleine groep. Niet zozeer door hun woorden. Wel doordat zij een oplossing boden voor de arme en verpauperde bevolking.

Is dat niet de plek die de kerk ook heden ten dage past? Jezus identificeerde zich ook met mensen om zich heen. Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. In de marge kunnen we ons identificeren met mensen die het moeilijk hebben. We bieden hoop in de hopeloosheid. Ik kies voor de kant van het onbeduidende. Op het gevaar af ook zelf als onbeduidend te worden weggezet. Maar de onbeduidende zelf ervaart dat ik hem als mens behandel. En zo help ik hem of haar zijn eigen waarde te hervinden.

zaterdag 3 september 2011

Aansluiten bij deze wereld: geloven in God die in ons gelooft

In mijn relaties met mensen om mij heen zal ik niet direct beginnen met het geloof in God. Het is echter wel een basis van waaruit ik mensen wil benaderen. God is de basis van mijn leven. Hij is mijn schepper. Hij is ook degene die mij daardoor waarde geeft.

Geloven in God is door veel christenen losgekoppeld van het leven van alledag. Theologische verhandelingen over God vinden daar geen verbinding mee. Ik zie in de bijbel een lijn die dat juist wel doet. Vanaf het eerste vers in het Boek lees ik hoe God zich wil verbinden aan ons als levende wezens. Hij wil een relatie met ons. En hij wil dat wij onderling met elkaar een relatie hebben.

Voor veel christenen is het leven met God losgekoppeld van het leven van alledag. Voor hen is het leven met God het allerbelangrijkst. En dat is te vinden in het leven in de kerk. Buiten de kerk is het maar moeilijk om christen te zijn. Goed, je bent het en je relatie met God verdiep je door persoonlijk de bijbel te lezen en te bidden. Maar daar houdt het bij op. Natuurlijk, wij bidden voor de mensen met wie we contact hebben om ons heen. Maar dat doen we vanuit ons natuurlijke hokje. De ander is niet gelovig en daarom is het lastig met die ander contact te hebben. Die ander ligt immers niet op dezelfde golflengte als wij. Zij zijn met heel andere dingen bezig als wij.

Ik wil die ander graag zien vanuit het perspectief dat God niet elk mens individueel op deze wereld heeft gezet. Hij heeft vanaf het begin het doel gehad om mensen in gemeenschap naast elkaar te zetten. Het was van meet af aan zijn bedoeling dat mensen in nauwe onderlinge relatie met elkaar zouden staan. Wij zien dat later ook als God vanaf Abraham een volk laat ontstaan dat als doel heeft Hem te dienen. Dat volk moet laten zien wat het betekent om volk van God te zijn. God geeft hen zijn wetten. De rest van de wereld kijkt toe hoe dat volk in een goede en harmonieuze verhouding tot elkaar staan.

Daarnaast zie ik hoe God mensen op deze wereld heeft gezet. Die mensen hebben niet alleen een geest, zodat ze direct met hem in contact staan. Zij hebben ook een lichaam waarmee ze dingen kunnen waarnemen en voelen. Zij hebben emotie gekregen om te genieten, maar ook om te huilen of woedend te worden. Kortom, God heeft mensen op deze wereld gezet waar Hij zelf in gelooft. Vanuit die wetenschap benader ik de mensen om mij heen. Zij zijn geen bekeringsobject die zo snel mogelijk de streep over getrokken moeten worden. Zij zijn allereerst mensen die een waardig leven leiden. In dat waardige leven is een streep getrokken. Sommigen zijn emotioneel beschadigd. Anderen zijn psychisch beschadigd. Weer anderen hebben problemen op financieel gebied. Of een probleem op sociaal gebied.

Voor mij staat het probleem van de ander niet centraal. Centraal staat de mens die door God op deze wereld is geplaatst en daardoor waarde heeft. Daarom wil ik die ander benaderen als een waardig persoon waar ik met respect mee om wil gaan. Vanuit dat uitgangspunt wil ik een relatie met die ander aangaan. Met die ander wil ik een weg opgaan waardoor die ander zijn maker gaat leren kennen.

vrijdag 2 september 2011

Aansluiten bij deze wereld: geen hokjesdenken

Op 21 augustus begon ik een reeks. In Idea, het blad van de Evangelische Alliantie in Nederland, was een themanummer gewijd aan "aansluiten bij niet-christenen". Daar wil ik op doordenken vanuit mijn ervaring.

De aanhef is al veranderd. Want volgens mij is dat het eerste waar je bij jezelf op moet letten. Wij zijn er zo goed in. Om mensen in een hokje te plaatsen. Wie ben jij? Gelovig of ongelovig. Christen of niet-christen. Homo of hetero. Man of vrouw. Protestant, katholiek of moslim.

Vanuit de hokjes beoordelen we de ander. Zetten we die ander eigenlijk gevangen. Hij hoort bij de groep van.... En daarmee komt de ander er niet meer uit.

Christenen zitten zonder het zelf te weten ook in een hokje. Ze voelen zich thuis in de kerk, in het kerkelijke leven en in de cultuur die daarmee gepaard gaat. Vanuit dat hokje oordelen we zonder ervan bewust te zijn over anderen buiten dat hokje. Terwijl we zelf in het veilige hokje blijven zitten.
Het is zo belangrijk om los te komen van dit hokjesdenken. Het hokjesdenken heeft in de jaren zestig afgedaan. Toen zijn de zuilen in ons land, de grote vier hokken die ons land bepaalden (de liberalen, de socialisten, de katholieken en de protestanten) met vrij grote snelheid afgebroken. Terwijl de wereld rondom ons ontzuilde en ontkerkelijkte bleven christenen actief in hun eigen zuil. Sterker nog, ze maakten een nieuwe erbij, de evangelisch-reformatorische zuil. Daarmee leek het alsof wij christenen een grote groep waren die invloed hadden op onze samenleving. Want we hadden even de Grootste Omroep van Nederland. Op toogdagen en jongerendagen wisten we het zeker. We betekenden iets in onze samenleving. En daar bovenop kwam die regering met twee christelijke partijen waarvan de premier zelfs op jongerendag en pinksterweekend verscheen.

Maar de wereld om ons heen was al lang veranderd. Die verbaasde zich over die toename van christelijke activiteiten. Maar niet meer dan dat. Mooi. Maar niet meer dan de andere religieuze fenomenen in onze samenleving. Mensen om ons heen zijn niet zo religieus. Ze zijn niet op zoek naar God. Halen hun schouders op bij visjes achterop de auto of de tekst "Jezus redt" op het dak van een boerderij. Want het zegt ze niets. Niet meer dan andere uitingen van religie.

Waar mensen open komen is wanneer ze merken dat christenen oprecht naast hen staan. Niet oordelen, niet preken, maar hun leven uitleven. Christenen die oprechte belangstelling hebben voor het leven van hun naasten. Het heeft mij geholpen om uit mijn pinksterhokje te komen en midden in de wereld te staan. Midden tussen mensen te wonen en te ervaren wat zij ervaren. Niet met een oordeel klaar staan als zij iets doen wat ik niet begrijp. Maar mensen nemen zoals ze op dat moment zijn. Ze oprecht accepteren zoals ze zijn.

Een relatie van hart tot hart. Daar verlang ik naar. Niet vanuit een bekeringsdrang. God zorgt wel voor bekering op de juiste tijd. Niet vanuit een dubbele agenda. Maar vanuit oprechte belangstelling. Zonder hokjesdenken. Dus niet: aansluiten bij niet-christenen, maar: aansluiten bij deze wereld.

Deelname aan iftar maaltijd in de wijkmoskee

Onderstaand bericht staat op Klarendal.nl en spreekt voor zich. De foto trouwens ook. Op mijn verjaardag, nadat ik met mijn familie al Chinees had gegeten, was er nog een klein gaatje tijdens het bezoek aan de moskee. Met nog drie anderen vanuit Villa Klarendal aten we in de moskee.

Foto © Paul Clappers - Arnhem.direct

Van 31 augustus t/m 3 september is het Suikerfeest; Het Suikerfeest of het Kleine feest is het islamitisch feest waarop het einde van de maand ramadan gevierd wordt. Het Arabische id-oel-fitr betekent "feestdag ter gelegenheid van het breken (van het vasten)" (bron Wikipedia). De Ramadan is negende maand van de Islamitische maankalender waarin gevast word.

In Klarendal leven veel Islamieten en er is de Ayia Sofia Moskee aan de Sonsbeeksingel. Op initiatief van buurtpastor Geert Rozema vanuit de (nu) Eusebiusparochie (voorheen de Wijngaard) is er eind augustus uitgenodigd de moskee tijdens de Iftar te bezoeken. Dit initiatief werd ondersteund door Rijnstad Participatiewerker van Wijkcentra Klarendal en De Hommel Anja van Hal, Stichting Kruispunt en Villa Klarendal.

De oproep was op de wijkwebsite van Sint Marten en Sonsbeekkwartier gepubliceerd, daar volgde wat discussie. Maar op 23 augustus gingen zo'n twintig bewoners naar de informatieve ontmoetingsavond i.s.m. de Aya Sofia moskee.

De redactie van Klarendal.nl was niet bij, maar laten graag zien hoe de redactie van Arnhem direct dat wél was. Met dank aan Paul Clappers voor o.a. de foto.